Egotrips in de literatuur

Onbegrepen helden

Louis Couperus, Harry Mulisch, A.F.Th. van der Heijden: allemaal stellen ze zichzelf in hun boeken centraal. Niet verwonderlijk, want van bescheidenheid gaat de schoorsteen niet roken.

Medium onbegrepen helden

Romans zijn selfies. Romanschrijven komt voort uit narcisme. Keer op keer zetten schrijvers zichzelf, al of niet vermomd als romanpersonage, in het centrum van de belangstelling. En precies dat is volgens het handboek voor mentale afwijkingen, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, het belangrijkste symptoom van narcisme. De narcist voelt zich ongemakkelijk wanneer hij of zij niet in het centrum van de belangstelling staat.

Schrijvers weten er alles van, ze komen er nog rond voor uit ook. Beroemd is Flauberts uitspraak dat hij zelf Emma Bovary is en er zijn legio andere uitspraken waarin schrijvers bekennen dat zij hun personage zijn. Bij ons zorgde Louis Couperus er altijd voor dat hijzelf, in vermomming, prominent in zijn grote romans aanwezig was. In De boeken der kleine zielen is de neuroticus Paul, die alles om hem heen pijnlijk scherp observeert en doorziet, duidelijk een afsplitsing van de schrijver. Bescheidenheid is bij schrijvers de vijand. Grote man in Nederland op narcistisch gebied was uiteraard Simon Vestdijk met de Anton Wachter-cyclus. Je moet maar durven, een reeks van acht boeken met jezelf in het centrum. De cyclus De tandeloze tijd van A.F.Th. van der Heijden is uiteraard een nieuwe mijlpaal. Heerlijk moet het zijn geweest dit te schrijven, maar ook verwarrend en bedreigend, want narcisme schrijf je nu eenmaal niet zomaar van je af, ook niet in een reeks dikke pillen. Het Manual heeft het uitvoerig over de vele problemen bij de behandeling. Het is maar het beste je als schrijver niet te laten behandelen, bij genezing dreigt de afgrond van het einde van je schrijverschap. Gewoon doorgaan is mijn advies. Want romans moeten het hebben van narcisme.

Het is zelfs onverstandig om je binnen de huidige cultuurideologie op bescheidenheid voor te laten staan. Daar gaat de schoorsteen niet van roken. Sterker nog, veel schrijvers vatten het als hun hoge taak op om onbescheiden te zijn. Je wilt meetellen, een opinie ventileren of een maatschappelijk idee propageren. Dit wordt nog van je geëist ook als je de beschouwingen over taak en positie van schrijvers van de laatste tijd serieus neemt. Stille schrijvers die in eenzaamheid hun doorwrochte meesterwerken concipiëren kunnen wel inpakken. Dus zorg je er op z’n minst voor dat je hoofdfiguren in ieder geval ‘bijzonder’ zijn, seksueel aantrekkelijk bijvoorbeeld, of juist helemaal niet. Je geeft ze messias-achtige trekjes mee of vermomt ze als grijze muizen. Of je maakt er warhoofden annex engerds van waardoor je eigen interessante opvattingen extra scherp in beeld komen. Als ze maar opvallen.

En dus begin je na voltooiing van je roman snel aan een volgende waarin je opnieuw een held of heldin in het centrum van de belangstelling zet. En ook al neem je je voor het nu eens niet over jezelf (of een afsplitsing van jezelf) te gaan hebben, je bent nog maar net begonnen of daar ga je al weer. Verdomd, ik ben het zelf. Of je merkt dat je het niet zelf bent maar dat je in de huid bent gekropen van een of andere rare gek die je nooit zou willen zijn. Dat je bezig bent met een wraakneming: op je vader, je oom, of een vriendin die ooit zei dat je een onbenul of erger was. Dat je dus toch weer de narcist uithangt, al is het nu minder opzichtig. Maar ook dat is een kenmerk van de ware narcist, las je net in het Manual of Mental Disorders: narcisten doen graag net alsof ze het niet zijn. Sla een willekeurige roman open en daar gaan we weer. Centrum van de plot is de een of andere held, die zich bijzonder voelt (hij wordt niet begrepen) of juist extreem normaal is (grijze muis). Altijd staat ‘ik’ centraal. Snapt de wereld mij wel? Of snap ik de wereld niet? Dat zijn de hoofdthema’s. Je kunt hier overigens forse grappen over maken. Philip Roth schreef een geslaagde roman (Operation Shylock) waarin maar liefst twee Philip Roths voorkomen. De een geeft zich uit voor de bekende schrijver Philip Roth, de ander is Philip Roth zelf die het allemaal vertelt. Roth speelt in dit boek een hoogst vermakelijk en ironisch spel met zijn eigen narcisme.

Het enige wat echt helpt is ophouden met schrijven, maar dat is geen optie, maak je jezelf wijs. Dat zou het einde van de huidige romankunst betekenen. Doorschrijven dus. Want je doet het natuurlijk allemaal voor een hoger doel: de romankunst. Wel kun je als schrijver, wanneer je narcisme niet meer te harden is, tegen de buitenwereld zeggen dat je niet samenvalt met je personage, dat het fictie is, dat je het allemaal maar hebt bedacht (nee, ik ben het niet zelf). Maar ondertussen sta je met een lichte glimlach om je mond te genieten van al die aandacht voor je zelfbedachte afsplitsing en niet echt bestaande figuren. Het is eigenlijk jullie schuld dat ik narcistisch ben. Jullie willen het. Anders zouden jullie nooit in interviews en op literaire avonden naar de ‘echtheid’ van de personages blijven vragen. Heeft u het allemaal zelf beleefd? Nee, het is slechts literatuur. En dan thuis in je bed je als schrijver liggen te schamen over zo veel narcistische smoesjes. Want je weet dat je het gewoon zelf bent.

Snapt de wereld mij wel? Of snap ik de wereld niet? Dat zijn de hoofdthema’s . Je kunt hier forse grappen over maken

De eerste romans waren geen selfies. Don Quichot (1605) was geen selfie. Robinson Crusoe (1719) ook niet. Defoe las een merkwaardig geschrift over een schipbreukeling en binnen een paar maanden schreef hij een verhaal waarbij hij het voorbeeld deels overschreef en de rest er maar zo’n beetje bij bedacht, volgens het principe: wat zou ik doen als ik op een onbewoond eiland belandde? Was hij zelf die schipbreukeling? Nauwelijks. Was hijzelf die kannibaal Vrijdag? Geen sprake van. Pas rond het einde van de achttiende eeuw ontstonden ideeën over de schrijver als centrum van de wereld. Niet meer de godheid of de koning maar de schrijver. In de eerste Nederlandse roman Sara Burgerhart (1782) speelt een liefdesgeschiedenis een rol, waarbij Betje Wolff, een van de schrijfsters, uit eigen ervaring putte. Dat was destijds nieuw. Pas sinds de Romantiek is het idee in de romankunst bon ton dat de schrijver of zijn personages de wereld uitmaken, ze zíjn de wereld.

Kennen schrijvers het lemma over narcisme in bovengenoemde Manual of Mental Disorders? Weten ze bijvoorbeeld dat de narcist over een gering scala van emoties beschikt? Dat hij of zij zichzelf overdramatiseert en anderen vooral ziet als figuren die onjuist of provocatief seksueel gedrag vertonen? Dat narcisten snel zwelgen in zelfmedelijden? Je zou zeggen van wel, lees de huidige romankunst er maar op na. Alleen ontkennen schrijvers dit maar al te graag. Ze hebben het liever over kunst en schoonheid en de moeite van het schrijven. Narcisme is iets voor de anderen.

Vaak houden schrijvers dagboeken bij over hun romans, of ze schrijven er later, achteraf rationaliserende stukken vol zelfmedelijden over. Hoe knap en diepzinnig de romans waren en hoeveel moeite het kostte het allemaal bij elkaar te bedenken. Al die studie, al die wanhoop, al dat gedoe en dan die moeite van het schrijven zelf! Om maar te zwijgen over het gezeur van kinderen en echtgenoten. Het narcisme krijgt in dit soort boeken de vrije ruimte, zal ik maar zeggen. Flaubert schreef uitvoerig over zijn eigen werk in zijn dagboeken. Thomas Mann schreef uitgebreid over het ontstaan van zijn roman Doctor Faustus. Zelfkritiek kom je er niet in tegen, de narcist heeft daar nu eenmaal geen talent voor.

Zelden lees je artikelen van schrijvers waarin ze met kracht afstand nemen van hun romans. Hoogstens van hun jeugdwerk, maar dan nog altijd in voorzichtige bewoordingen. Ik kreeg nog nooit een brief of e-mail van een schrijver waarin hij me gelijk gaf over een recensie. ‘Uw recensie heeft me de ogen geopend, u heeft volkomen gelijk, ik stop per direct met schrijven.’ Zelf schreef ik zo’n brief trouwens ook nog niet. Soms reageren schrijvers woedend op in hun ogen onterechte kritieken. Dit past in het beeld, narcisten kunnen slecht tegen kritiek. Harry Mulisch schreef met De verteller verteld (1971) een uitvoerige (202 bladzijden) reactie op recensies over zijn hybride roman De verteller (1970). Voor Mulisch-watchers een must omdat hij zijn schrijfmythologie zorgvuldig uiteenzet. Voor narcisme-watchers vermakelijk omdat hij helemaal niets van zijn (erg vervelende) roman wenst terug te nemen. W.F. Hermans schreef naar aanleiding van recensies over zijn roman Ik heb altijd gelijk (1951) in Mandarijnen op zwavelzuur een prima essay waarin hij zijn schatplichtigheid aan Freud overtuigend etaleerde en uiteraard het ongelijk van de critici aantoonde.

Er zijn uitzonderingen. Stendhal schreef een keer in de Edinburgh Review een stuk over Le rouge et le noir waarin hij naast lof toch ook kritiek formuleerde. Simon Vestdijk schreef onder de melige schuilnaam P.S.E. Udo een kritische recensie over zijn roman De nadagen van Pilatus. Titel: ‘Hoofdfiguren, die het niet zijn’. Hij tekende niet alleen bezwaar aan tegen de merkwaardig grote rol van bijfiguren in de roman, maar vond ook dat de schrijver te veel werkte met allerlei tussenzinnetjes, die het geheel niet verder brachten. Dit alles in een artikel dat vol staat met tussenzinnetjes. Ironie! Het kan dus wel, maar gewoon is het niet.

We moeten er ons maar niet meer tegen verzetten, er zit niks anders op. Selfies, egotrips, narcisme. Hier moeten we het mee doen. En laten we ons als lezer niet maar al te graag meeslepen door de belevenissen van de Ander? Zij wel en ik niet? Genieten van het succes of de ondergang van een ander? Houdt dit niet ons eigen verlangen naar het Buitengewone in stand? Zelf narcist worden? Is dat niet het grote doel? Of zijn we het al? Tenzij er natuurlijk een stroming in de letteren en de kunst opkomt waarin we ter ere van anderen moeten schrijven. Van de godheid, van de koning, van de natuur. En niet van onszelf.

Maar dat zal niet snel gebeuren. Maak uw borst maar nat, het zal alleen maar toenemen. ‘Echtheid’ wordt, nee is, hierbij het nieuwe sleutelwoord. Niks geen verschuilen meer achter fictie, die tijd is voorbij. Alles zelf meegemaakt. Echt gebeurd? Ja, echt gebeurd. Verdriet gehad? Ja, enorm. Waarom zou niet iedereen een boek mogen schrijven over het sterfbed van zijn ouders, het verraad van een geliefde of het verongelukken van een naaste? Iedereen heeft het recht met zijn verdriet in het centrum van de wereld te staan. Ik en de wereld, de wereld en ik. Niet langer meer alleen op de wereld. Maar samen. Of zoiets. Met jezelf als schrijver belangeloos en bescheiden glimlachend in het centrum van je hele emotionele huishouding.