Onbegrijpelijke wijsheden

Je hebt soms van die boeken die zich niet láten bespreken, zo merkte ik hier vorige week op. Deze uitgave, De innerlijke geschriften, door een zekere Zhuang Zi in de vierde eeuw voor onze jaartelling in China opgetekend, is daarvan een sprekend voorbeeld. Voor de vertaling tekent Kristofer Schipper, van huis uit antropoloog en sinoloog, tot voor kort hoogleraar aan de Ecole Pratique des Hautes Etudes in Parijs.

Bekender dan deze geschriften is het Boek van de weg en zijn deugd, de Daode jing van Lao Zi, zoals de huidige spelling luidt. Het curieuze is nu dat in de Zhuangzi (het boek van Zhuang Zi) commentaar geleverd kon worden op het boek van Lao Zi, het klassieke boek van de Tao dat dateert van bijna twee eeuwen later; de Daode jing is dan ook een filosofische tekst - van niet meer dan vijfduizend woorden - waarin mondeling overgeleverde wijsheden van vele eeuwen werden bijeengebracht.
De teksten in de Zhuangzi zijn over het algemeen meer uitgewerkt, soms tot verhandelingen, gedichten of verhalen, maar er komen ook onbegrijpelijke spreuken en paradoxen in voor, bewust provocerende ongerijmdheden, die zo kenmerkend waren voor de Daode jing. ‘Het witte te kennen en het zwarte te behouden, dat is de vallei van de wereld zijn.’ Of: 'Wie kan het niet-zijn beschouwen als zijn borst, het leven als zijn ruggengraat, en de dood als zijn kont?’ Of de mooie, door Borges ooit geleende paradox van Zhuang Zhou die droomt dat hij een vlinder is en zich dan afvraagt of hij misschien een vlinder is die droomt dat hij Zhuang Zhou is.
Hoe moet je zulke teksten lezen? Als oude wijsheden, mooie verhalen, prikkelende nonsens? Waarom niet, mits men niet vergeet dat het filosofische teksten zijn, voortgekomen uit (volks)religieuze praktijken en een traditie van mysteriecultussen. Daaraan herinnert de vertaler in zijn 'Introductie’, waarin hij die hele geschiedenis van zowel de religie als de teksten schetst. Bijvoorbeeld de verhouding tot het confucianisme, dat in de Zhuangzi zowel gehekeld als gepersifleerd wordt, en daarin vooral de neiging tot zedenlessen en regelgeving. Zhuang zi sprak de taal van de vrijheid, die van het individu, het bijzondere, het hier en nu van de concrete ervaring, het lichaam, zo benadrukt Schipper. Alles hangt in deze geschriften af van de meerduidigheid van de woorden.
Neem de eerste zin van wat een scheppingsverhaal is: 'In de duistere wateren van het noorden was er een vis en zijn naam was Kun.’ Kun blijkt ook 'vissenei’ te betekenen, is dus tegelijk het grootste en het kleinste, en houdt ook nog eens verband met het woord voor 'chaos’. De laatste tekst vertelt hoe de god Onbesuisd en de god Onbezonnen iedere dag een gat in Chaos boren, want ieder mens heeft zeven openingen: 'Op de zevende dag, toen ging Chaos dood.’ Schipper heeft zo'n dertig pagina’s en vele noten nodig om de lezer enigszins wegwijs te maken. Maar het is geen luxe om daarnaast zijn grote boek, Tao: De levende religie van China, dat hij zelf in 1988 uit het Frans vertaalde, erbij te nemen. In dit verband een onmisbaar boek; ik vermeld het maar even.