Ger Groot

Onbehagen en ambitie

Wanneer Julius Caesar in 44 v.Chr. in de Romeinse senaat vermoord is, ontspint zich tussen Brutus en Marcus Antonius een woordensteekspel dat door Shakespeare later adembenemend is herschapen. Verwonderlijk is niet het retorische geweld waarmee die laatste de eerste de baas wordt, maar het argumentatieve spel dat zich daarin afspeelt. Brutus verwijt Caesar zijn machtshonger. Maar zijn tegenstander keert dit onbetwistbare gelijk met snijdend sarcasme binnenstebuiten. For Brutus says he was ambitious/ And sure he is an honourable man. Dat is een argumentatie die we niet meer vaak zullen horen. Ambitie was ook voor Marcus Antonius een ondeugd en zijn hele strategie was erp gericht Caesars terughoudendheid te onderstrepen. Die was daar zelf nog maar kort daarvoor aan herinnerd. De rituele waarschuwing sic transit gloria mundi moest iedere Romein die militair boven het maaiveld uitstak inprenten dat aardse glans al net zo snel in rook opgaat als het hem voorgehouden bosje stro. De antieke cultuur bestond bij gratie van het evenwicht en de middenweg. Machtszucht en ambitie konden slechts besmuikt worden gevolgd. Tot onvoorwaardelijke deugd werden zij pas in de moderne tijd, die ongeveer met Shakespeare begon. En zelfs toen duurde het nog eeuwen voordat hun heerschappij de oude schroom had overwonnen en «ambitie» bij sollicitatiegesprekken en op cv’s als aanprijzing kon worden opgevoerd.

Die ontketening van de appetijt heeft de westerse wereld zoveel voorspoed en rijkdom opgeleverd dat de Bernard van Mandeville een eeuw later al kon vaststellen hoe gemakkelijk private ondeugden konden omslaan in publieke deugden. Van de weeromstuit sloeg dat ook op het private terug en werd de zucht naar méér ook een persoonlijk pluspunt. Zo kwam de late moderniteit te staan onder het teken van een alomvattende Mobilmachung, waarin het individu én de samenleving geacht werden zichzelf én elkaar steeds verder op te stuwen tot een constante vooruitgang.

Die laatste is het enige wat deze culturele revolutie aan zekerheid nog toelaat. Ter wille van de voorwaartse beweging moest – zoals het in het Communistisch manifest heet – alles wat solide was in rook opgaan, totdat alleen de vector naar de toekomst nog houvast bood. Zonder problemen is dat niet gebleven. De toekomst bleek voortdurend uit het heden weg te wijken. De beloften die zij voorspiegelde mochten geen werkelijkheid worden, omdat vervulling daarvan meteen haarzelf zou hebben afgeschaft.

Het paradijs dat Marx zag aanbreken nadat het productieproces eenmaal netjes was geregeld, is er dan ook niet gekomen. Productie is er in overvloed, maar ook de arbeidsbeschikbaarheid is zich inmiddels flexibel gaan uitstrekken tot de 24 uur per etmaal. De tijd om van de rijkdom te genieten ziet zich daarmee constant gekort door de tijd die het kost om deze te produceren_._

Geluk is het enige wat hardnekkig weigert zich te schikken naar deze economie. Zoals de antieke wereld beter wist, is het een glibberig artikel dat zich niet laat dwingen en verschijnt op de meest onverwachte plaatsen en momenten. Voor een moderne cultuur die zichzelf zozeer in eigen hand genomen heeft, is die onmacht niet alleen maar onheilspellend. Wanneer zij ook hiertegenover naar de belofte van de toekomst wijst, versterkt zij even terloops als handig de grondslag van haar eigen machinerie. Zo vormen ambitie, vooruitgang en onbehagen de ijzersterke driepoot van een cultuur die geen halt meer kan houden omdat zij vergeten is hoe zij dat moet doen. Bezorgd en zelfs ontzet ziet zij hoe oververmoeidheid, lusteloosheid en depressie zich nestelen in het hart van haar eigen overvloed, die steeds minder mensen voldoeding of genieting lijkt te gunnen. In plaats daarvan stijgt de kribbigheid tot wederzijdse ongezeglijkheid en mondt uit in een openbare cultus van agressie, omdat het kuddedier mens nu eenmaal niet gebouwd is op fundamentele onzekerheid en constante druk.

De tragedie van de moderniteit is niet alleen dat zij slechts kan bestaan dankzij haar eigen onbehagen. Ze ligt vooral in de ironische miscalculatie waarmee ze het beste in de mens naar boven meent te halen door te insisteren op wat alleen zijzelf als diens deugden aanmerkt. Voor haar is iedere middenweg een aanfluiting, het maaiveld iets verachtelijks en tevredenheid iets voor de «leegen». Zij zweert bij een ambitie die slechts denken kan in superlatieven en die zichzelf alleen als voortdurende beweging, uitdaging, wedijver en incentive weet te motiveren.

Zelfs in haar vrije tijd – als zij tegen de zomer rijp is voor depressie en burn-out – zoekt zij de overtreffende trap van een nóg exotischer vakantie, opdat het jaar daarop op zijn beurt wederom rendabeler en productiever zal zijn. Van de weeromstuit wordt vooruitgang zo een vlucht vooruit: het speelterrein van de ambitie – tot de toekomst plotseling niets meer belooft. In het depressieve nu-moment waarin zij eindigt bereikt zij eindelijk de stilstand van het heden, maar in plaats van een vervulling treft zij er naargeestigheid. De laatste ironie van de ambitie is dat zij opbrandt in ontgoocheling: de hoop die haar altijd is voorgehouden en nu niets meer hopen durft.