De achterkant van de vooruitgang

Onbehagen in tijden van overvloed

Iedereen is rijk, gezond en gelukkig. Nou ja, bijna iedereen. De vooruitgang heeft ons veel gebracht, niet in de laatste plaats armoede, onrechtvaardigheid en ziektes. Laten we ophouden met onnadenkend groeien.

Nederland is af. Op zo ongeveer alle internationale ranglijstjes staan we bovenaan. Beste gezondheidszorg, veiligste verkeer, hoge inkomens, grote pensioenpotten, dalende criminaliteit, schone straten – als je een middeleeuwer zou vragen hoe het paradijs eruitziet, dan zou Nederland hoge ogen gooien.

En toch klopt er iets niet. Het is niet te verkroppen dat een land af is. Soms lijkt het wel alsof de mens leeft bij de gratie van tegenslag en we zonder wezenlijke ellende alleen nog kunnen klagen over de vooruitgang zelf. Over de torenhoge kosten van die beste gezondheidszorg, over de files in dat veiligste verkeer, over de trage groei van die hoge inkomens, over de verdeling van die grote pensioenpotten, over onze groeiende gevoelens van onveiligheid in een steeds veiligere wereld of – desnoods – over hondenpoep.

Ik behoor tot de eerste generatie in tweehonderd jaar tijd die het niet beter zal hebben dan haar ouders. Niet omdat we het slecht zullen hebben, integendeel, maar omdat we niet weten hoe het beter moet. Kunnen we eigenlijk wel zonder de vooruitgang, de religie van dit seculiere tijdperk? Groei is de hoeksteen van het moderne denken. De gedachte dat er ooit een einde aan komt – bijvoorbeeld omdat we al rijk genoeg zijn, of omdat de aarde onleefbaar wordt – is voorlopig nog ketterij.

Politici die zich op het ene moment zorgen maken over de uitstoot van broeikasgassen pleiten op het andere voor een economische ‘groeiagenda’. In de ene zin maken ziekenhuisbestuurders zich druk over de stijgende zorguitgaven, in de volgende pochen ze over hun gestegen omzet. Banken doen er alles aan om de grootste te worden, om later te kniezen dat ze ‘too big to fail’ zijn. Iedereen met een vinger in de pap, van de Nederlandse regering tot de Chinese partijleiding, van het Internationaal Monetair Fonds tot het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, zegt: blijf groeien, blijf consumeren. Juist in tijden van crisis.

Het lijkt wel alsof het kopen van spullen die we niet nodig hebben de definiërende activiteit van het moderne bestaan is geworden. Groei is de enige zingeving die we nog over hebben, maar wezenlijke vooruitgang kan het ons niet meer bieden. Al decennia is er geen verband meer tussen groei en geluk. In 1980 peilde het cbs dat 87 procent van de bevolking gelukkig was. Toen het onderzoek in 2010 werd herhaald – we waren inmiddels meer dan anderhalf keer zo rijk – bleek dat nog steeds 87 procent te zijn.

Natuurlijk, gelukscijfers zeggen niet alles. Het aantal depressies, burn-outs en suïcides is alleen maar toegenomen. Dit is dan ook het moment, meer dan ooit, om ons te bezinnen op de geschiedenis van de vooruitgang. Laten we beginnen met het tellen van onze zegeningen, want die zijn niet gering. De huidige ‘crisis’ is slechts een zuchtje in een wervelwind van groei. Om te zien wat die ons gebracht heeft, volstaan wat bij elkaar gesprokkelde feiten:

Rijkdom. De meeste landen waren in het jaar 1800 even arm als in het jaar 180. Maar vandaag is het wereldwijde reële inkomen negen keer zo hoog als in 1800 en drie maal zo hoog als in 1955. Volgens het imf zal het in 2050 nóg eens drie tot vier keer zo hoog zijn. Hoewel de wereldbevolking na de Tweede Wereldoorlog meer dan verdubbelde, is het percentage dat in extreme armoede leeft gedaald tot onder de twintig. Nog maar dertig jaar geleden was dat 52 procent.

En wat is armoede? De Nederlandse armoedegrens zit onder de duizend euro per maand, maar ver boven het modale inkomen van 1955. Ook het modale inkomen van de wereldburger zit ver onder de Nederlandse armoedegrens, terwijl een Nederlander met een bijstandsuitkering nog net niet tot de rijkste tien procent behoort. Zelfs een Nederlander met een daklozenuitkering zit er, in globaal en historisch opzicht, warmpjes bij.

Gezondheid. Sinds 1800 is de wereldwijde levensverwachting verdubbeld. Na 1955 is alleen in Rusland, Swaziland en Zimbabwe de levensverwachting gedaald. De levensverwachting van heel Afrika bereikte in 2012 de 55 jaar. Tien jaar eerder was dat nog vijftig, wat betekent dat Afrikanen er ieder jaar een half jaar bij krijgen. Daar steken Nederlanders, die er ieder jaar een kwartaal bij krijgen, nog schril bij af. Niet langer zijn cholera en pokken volksziektes nummer één en twee, maar obesitas en depressie. In de vorm van vergrijzing is onze gezondheid zelf ons grootste luxeprobleem geworden.

Veiligheid. In de hele wereldgeschiedenis is er bijna geen veiliger plekje te vinden dan Nederland, aan het begin van de 21ste eeuw. Het moordcijfer lag in de Middeleeuwen dertig keer hoger dan nu, en daalt nog altijd. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog heerst er een vrede die ongeëvenaard is in de menselijke geschiedenis. Het jaarlijkse aantal oorlogsslachtoffers is sinds 1946 met maar liefst negentig procent afgenomen. En in Nederland nemen sinds de eeuwwisseling vrijwel alle vormen van criminaliteit af. De kans op woninginbraak is gehalveerd, de kans op een auto-inbraak ligt een kwart lager, bedreiging komt een derde minder voor en ook de gevallen van mishandeling zijn gedaald.

Overvloed. 870 miljoen mensen leden in 2012 nog chronisch honger, maar hun aantal neemt sneller af dan verwacht. Zelfs in ontwikkelingslanden wordt obesitas de nieuwe honger. Wereldwijd sterven er meer mensen aan de gevolgen van overvoeding dan aan ondervoeding. In de woorden van landbouwkundige Louise Fresco: ‘Veel mensen weten niet hoe bevoorrecht ze zijn dat ze de godganse dag kunnen eten.’

Maar als we het zo goed hebben, waar komt ons onbehagen dan nog vandaan? Ik denk dat het de vooruitgang zelf is. Vrijwel alle overgebleven problemen worden immers daardoor veroorzaakt. Dat we steeds dikker worden komt door de overbevrediging van onze behoefte aan voedsel. De opwarming van de aarde wordt veroorzaakt door de overbevrediging van onze behoefte aan rommel. En als we gestresster zijn dan ooit, dan houdt dat direct verband met de toenemende werkdruk en keuzestress.

Toch kan niemand ontkennen dat het kapitalisme ons verder heeft gebracht dan wie ook in 1800 had durven vermoeden. Maar deze klassieke motor van vooruitgang is opgebrand. In z’n eentje kan de koopman het leven niet langer beter maken. De tijd is dan ook aangebroken om nieuwe collectieve doelen te stellen.

‘Er is geen alternatief’, werd Margaret Thatcher nooit moe te herhalen. Als mensen denken dat er geen alternatieven zijn, dan zijn die er ook niet. Dus moeten we weer beginnen met denken. Denken over hoe het beter kan: gigantische stappen in duurzaamheid, een forse verkorting van de werkweek en een grootschalige uitbouw van het onderwijs, waardoor er meer en vooral ook breder geleerd kan worden.

Onderwijs en duurzaamheid zijn nu alleen interessant als aanjagers van groei. Een ‘Green Deal’ noemen ze duurzaamheid bij GroenLinks. ‘Een motor van nieuwe welvaart en economische groei’ noemen ze onderwijs bij d66. Ik pleit daarentegen voor een duurzaamheidsmodel dat niet fungeert als eufemisme voor groei, maar ervan uitgaat dat we op te grote voet hebben geleefd.

Ik pleit voor onderwijs dat niet alleen de economie, maar ook de menselijke geest verrijkt. Geen plofstudenten die na vier jaar een hyperflexibele arbeidsmarkt op worden gejaagd. Geen ondernemers die nog nooit van Aristoteles en Kant hebben gehoord. Geen bankiers zonder kennis van de moderne klimaatwetenschap, de vaderlandse geschiedenis en liefst nog een paar Russische romans. Onderwijs kortom, dat een fundamentele verbinding legt tussen kennis en idealen, nut en nutteloosheid. Bildung noemden ze het ooit.

Benjamin Franklin, de Amerikaanse Founding Father, dacht tweehonderd jaar geleden dat vier uur arbeid ooit genoeg moest zijn. De rest van de dag zou dan uit ‘leisure and pleasure’ bestaan. De aartsvader van het liberalisme, John Stuart Mill, droomde in 1848 van een uiteindelijk ‘stationaire toestand van bevolking en rijkdom’. Dat hoefde volgens Mill niet ‘te betekenen dat er in menselijk opzicht geen vooruitgang is’. Sterker nog: ‘Er zou zeker zoveel ruimte zijn om de kunst van het leven te verfijnen en een veel grotere kans dat deze verfijnd zal worden.’ In 1930 keek de econoom Keynes vooruit naar een wereld waarin ‘we eens te meer waarde zullen hechten aan doel boven middel en aan het goede boven het nuttige’. Hij dacht dat de werkweek in 2030 nog maar vijftien uur zou tellen. Een van de grootste denkers van de twintigste eeuw, de Engelse filosoof Bertrand Russell, rekende net als Franklin op een werkdag van vier uur. Hij schreef: ‘Voorheen was er een gevoeligheid voor luchthartigheid en speelsheid die de kop is ingedrukt door de cultus van efficiëntie.’

Franklin, Mill, Keynes en Russell droomden van een tijdperk waarin vrijwel iedereen rijk, veilig en gezond zou zijn. Dan zouden we werkelijk gaan genieten van het leven: van kunst, wetenschap, sport, koken en muziek. We zouden meer dan genoeg tijd hebben voor onze ouderen en kinderen, voor de buurt en de vereniging. We zouden werken om onszelf te vervullen en ons te verwonderen, niet meer uit angst voor de concurrentie, of in gespannen afwachting van het einde van de maand. Zonder enige twijfel zouden Franklin, Mill, Keynes en Russell nu zeggen: jullie zijn het, de eerste generatie die klaar is voor dat tijdperk.

Wat dan nog rest, ís de rest. Er zijn meer dan 1,4 miljard mensen die proberen te overleven van een euro per dag. Armer worden ze niet, dan gaan ze dood. ‘Hulp helpt niet’, zeggen de kenners dan. En dus besteden we het aan andere dingen die niet helpen. Zo is in een paar jaar Irak – waar de kenners nog zo’n voorstander van waren – twee keer zo veel over de balk gegooid als heel Afrika sinds de Tweede Wereldoorlog heeft ontvangen. Die 1,4 miljard allerarmsten verdienen ongeveer evenveel als er wereldwijd aan reclame wordt besteed.

Let wel: de meeste landen hebben het evangelie van groei nog hard nodig. Zij smachten naar de zegeningen van vrijhandel, die nu nog worden geblokkeerd door het belastingparadijs Nederland en de landbouwlobby die ook wel Europese Unie wordt genoemd. En ook de vruchten van ons nieuwe vooruitgangsgeloof kunnen de achterblijvers goed gebruiken. Daarin wordt het surplus dat we nu gebruiken om troep aan te schaffen ingezet om internationale gelijkheid en rechtvaardigheid te bevorderen. Want de cijfers zijn nog altijd ontstellend: tien procent van de wereldbevolking verdient 58 procent van al het inkomen. Ze heeft 85 procent van alle rijkdom in handen.

En ja, de Nederlandse weekbladlezer hoort daar met gemak bij.

Als we nadenken over morgen slaan we nu nog de catalogus van vandaag open. Maar het oude repertoire biedt slechts harder werken (rechts), meer schulden (links) en meer koopkracht (iedereen). Of we er nu in geloven of niet, de grenzen van dat oude vooruitgangsgeloof zijn in zicht. Mill schreef 150 jaar geleden: ‘Ik hoop oprecht dat, ter wille van het nageslacht, de mensheid tevreden zal zijn met een stationaire toestand, lang voordat de noodzaak hen er toe dwingt.’

Stuiten we niet op de grenzen van de aarde, dan stuiten we op de grenzen van onszelf – van ons vermogen zin te geven aan het leven. Het enige wat dan nog rest, is klagen over ons armzalige lot.

Rutger Bregman is historicus en schrijver. Dit stuk is gebaseerd op het boek De geschiedenis van de vooruitgang, dat deze week verschijnt bij De Bezige Bij. Op 4 april wordt het gepresenteerd in Crea (Amsterdam), waarbij ook Rob Wijnberg zal spreken