(onbekend)

Francis Fukuyama was even in Nederland. Zijn nieuwe boek gaat over `vertrouwen’ en de rol van tijdloze passies als trots, schaamte een verontwaardiging iin de politieke economie. Een gesprek.
Francis Fukuyama, Trust: The Social Virtues and the Creation of Prosperity, Hamish Hamilton; Welvaart: De grondslagen van het economisch handelen, uitgeverij Contact.
ENIGSZINS VERMOEID wandelt Francis Fukuyama (44) de lobby van zijn Amsterdamse hotel binnen. De presentatie van zijn boek Trust: The Social Virtues and the Creation of Prosperity verloopt voorspoedig, maar de tournee door Engeland was afmattend. De volle zalen, de Schotse regen en de zondagsdenkers die hem nog eens over het einde van de geschiedenis wilden doorzagen, hebben hun sporen nagelaten.

De schrijver van het meest provocerende boek van de afgelopen tien jaar spreekt opvallend ingetogen. ‘Eigenlijk is The End of History het best begrepen door marxisten’, zegt hij bedachtzaam. 'De redactie van de New Left Review heeft er zelfs een heel nummer aan gewijd. Ze zijn het er niet mee eens, maar ze hebben de intellectuele bagage om de verwijzingen naar Hegels antropologie te waarderen: de strijd om erkenning, de dialectiek van meester en slaaf. Ze zien het verband dat ik leg tussen produktiviteit en democratie. Veel lezers dachten dat ik alleen maar de vrije-marktideologie verdedigde.’
Ook in ons land hebben de columnisten hun propjes op Fukuyama geschoten. In de Volkskrant werd geopperd dat hij voor de CIA werkte, in Het Parool werd hij afgeschilderd als een charlatan die 'zoveel geleerde belezenheid’ in zijn teksten stopte. Het slachtoffer glimlacht beleefd: 'Het hardnekkigste misverstand is dat ik een conflictloze toekomst, een soort eeuwige vrede zou voorspellen. Maar ik constateer slechts dat de ideeenstrijd over de beste samenlevingsvorm beslecht is. Overal ter wereld wordt tegenwoordig de kapitalistische democratie als maatgevend beschouwd. Zelfs het theocratische Iran en de nationalisten in voormalig Joegoslavie hebben een parlement en willen integreren in de wereldmarkt. Het islamitisch fundamentalisme wordt nog wel eens ten onrechte opgevoerd als een nieuwe ideologie. Het is een reactie op het mislukken van de moderniteit. Het eerste wat islamitische heersers doen zodra ze aan de macht komen, is hun land moderniseren. De kapitalistische democratie kanaliseert de diepste drijfveren van de mens nu eenmaal het best, in de vorm van economische wedijver. Gewapende verovering en onderdrukking worden steeds duurder en zinlozer.’
Fukuyama’s grote voorbeeld, de Franse hegeliaan Alexander Kojeve, kwam al in de jaren vijftig tot deze slotsom. Hij hing de filosofie aan de wilgen en stelde de rest van zijn werkzame leven in dienst van de EEG. Na The End of History lag het voor de hand dat Fukuyama zich eveneens op de economie zou storten, maar de goed gesorteerde bibliotheek van zijn overleden vader, de godsdienstsocioloog Yoshia Fukuyama, drukte hem met zijn neus op de autonome krachten van de traditie en de godsdienst. In Trust rekent hij om te beginnen af met de neoklassieke economie, die alle maatschappelijke verschijnselen vanuit de rationele-keuzetheorie wil verklaren. 'De mens mag dan voor tachtig procent voldoen aan het neoklassieke profiel van de rationeel calculerende burger, maar zijn gedrag blijft voor twintig procent eigenmachtig en in economische termen irrationeel. Waarom rennen mensen een brandend huis binnen om een ander te redden? Waarom zijn ze bereid om te sterven voor een beginsel? Die ontbrekende twintig procent, zoals ik het noem, is het domein van cultuur en politiek, waar de nutsmaximalisatie moet wijken voor tijdloze passies als trots, schaamte en verontwaardiging.’
In het stemhokje bijvoorbeeld laten mensen zich leiden door godsdienstige gevoelens of door overwegingen van rechtvaardigheid of prestige. Ook het economisch gedrag van kapitaalbezitters is maar al te vaak in strijd met de rationele verwachtingen van de neoklassieke school. Economen als Veblen en Heilbroner hebben er in het verleden al op gewezen dat investeerders en managers soms worden gedreven door dezelfde almachtsfantasieen als Romeinse consuls of middeleeuwse vorsten. In Trust gaat Fukuyama nog een stap verder: zonder het samenspel van deze irrationele drijfveren zou de vrije markt niet eens kunnen functioneren. Wat is bijvoorbeeld de waarde van een contract als het niet wordt ondersteund door de ethische gewoonten en verwachtingen van de ondertekenaars? Alle handelingen van de homo economicus zijn zinloos als ze niet zijn ingebed in een dominant ethos, dat wortelt in de cultuur. In een reuzenzwaai die aan Marx’ behandeling van Hegel herinnert, draait Fukuyama de neoklassieke economie honderdtachtig graden om en zet haar met beide benen op de grond: niet de marktwerking bepaalt de cultuur, maar de traditionele cultuur van een land bepaalt hoe de markt er functioneert.
UITGANGSPUNT VAN Trust is de stelling dat welzijn en concurrentievermogen van een land afhangen van een overheersend aspect van de cultuur, namelijk de mate van onderling vertrouwen tussen de burgers. Dat vertrouwen komt tot uiting in het recht en in de gezagsverhoudingen in een land, maar vooral in de spontaniteit waarmee de burgers tot wederzijds voordeel relaties aanknopen, door Fukuyama het 'spontane associatievermogen’ gedoopt. De mate waarin burgers spontaan samenwerken voor een gemeenschappelijk doel is beslissend voor de omvang en structuur van de bedrijven, de noodzaak tot staatsinterventie en de flexibiliteit van de economie. De socioloog James Coleman heeft dit vermogen ook wel het 'sociale kapitaal’ van een land genoemd, om te benadrukken dat het een afzonderlijke produktiefactor is naast arbeid, kapitaal en grondstoffen.
Volgens fukuyama is de vertrouwensgraad een erfenis uit de premoderne tijd: 'Neem de specifieke structuur van het Japanse bedrijfsleven. Een keiretsu - een Japans concern - met zijn horizontale en verticale netwerken, zijn financiers en onderaannemers, berust volledig op onderling vertrouwen. Elke werknemer kan aan een belkoord trekken en de hele produktielijn stilleggen. Dat vertrouwen is een erfenis van de middeleeuwse rijsteconomie in het dichtbevolkte Japan, die een wijdvertakt netwerk van vertrouwensrelaties noodzakelijk maakte. In het zuiden van Italie vertrouwt men daarentegen van oudsher niemand buiten de eigen familie. Het familisme is daar zo extreem dat men zich niet eens inspant voor openbare voorzieningen als onderwijs of de aanleg van wegen, laat staan voor het opzetten van middelgrote of grote bedrijven. Daarom exporteert Japan high-tech-produkten en Zuid-Italie ambachtelijke produkten. Indirect beinvloedt de premoderne erfenis dus de positie die een land inneemt in de wereldeconomie.’
Door de cultuur en de economische structuur van een tiental landen tegen elkaar af te zetten, komt Fukuyama tot een indeling die volkomen afwijkt van de gebruikelijke tegenstelling tussen westerse en Aziatische economieen. Hij stelt high-trust societies als Japan en Duitsland tegenover low-trust societies als China en Frankrijk. In de eerste groep ontstonden al in de vorige eeuw grote bedrijven, nam de industrie een hoge vlucht en onthield de staat zich van directe inmenging. In deze groep springt Nederland eruit met de hoogste graad van industriele concentratie in verhouding tot het aantal inwoners. Fukuyama schrijft dit toe aan het Nederlandse consensusmodel: 'Ik had daar graag een apart hoofdstuk aan gewijd. Het is uitzonderlijk omdat het een zeer groot maatschappelijk vertrouwen weet te verbinden met vrije-marktwerking.’
De low-trust societies worden aangevoerd door China, waar de staat sinds de vorige eeuw de industrialisatie voor zijn rekening nam; de tweede plaats wordt gedeeld door Frankrijk en Italie. De sleutel tot het verschil tussen low-trust en high-trust societies is volgens Fukuyama het reeds genoemde familisme. Door de hechte familiebanden deden familiebedrijven het in die landen altijd goed, maar werd de overgang naar grote, anonieme ondernemingen juist belemmerd, zodat de staat het voortouw moest nemen. De Chinese samenleving hangt in zijn visie zelfs als 'los zand’ aan elkaar, omdat het confucianisme het aangaan van vertrouwensrelaties buiten de familiekring in de weg staat. In een low-trust society komen daarom groepsverbanden en maatschappelijke organisaties moeilijk tot bloei. Staatsinterventie biedt op den duur geen uitkomst, zoals blijkt uit de regionale opdeling van Italie, het verstikkende Franse dirigisme en de chaotische ontwikkeling van de Chinese economie.
In Oost-Europa, waar de communistische eenheidsstaat alle initiatief afstrafte, is het maatschappelijk vertrouwen zo gedaald dat de civil society niet van de grond komt. 'De staat kan het maatschappelijk middenveld dus wel kapot maken’, zegt Fukuyama, 'maar het niet op bevel weer oprichten. Naarmate samenlevingen complexer worden, is social engeneering een steeds hachelijker onderneming, en het opbouwen van spontane vertrouwensrelaties is voor de overheid per definitie onbegonnen werk. Dat blijkt wel in de Verenigde Staten, waar ondanks dertig jaar sociale programma’s een steeds grotere maatschappelijke vertrouwenscrisis is ontstaan.’
DE AMERIKANEN ZIJN een geval apart. Hun zelfbeeld is in feite in strijd met hun maatschappelijk gedrag. Fukuyama: 'In weerwil van de nationale mythologie, die de nadruk legt op het taaie individualisme van de pioniers, zijn de Verenigde Staten altijd een high-trust society geweest met een hoge graad van sociale organisatie, onafhankelijk van de overheid. De protestantse sekten vormen van oudsher de ruggegraat van het Amerikaanse zakenleven, dat gebaseerd is op een strikte ethiek van persoonlijke verantwoordelijkheid, maar ook van talloze sociale initiatieven. Zo droegen ze bij tot een groot maatschappelijk vertrouwen en een hechte civil society met sterke vakbonden, talloze politieke bewegingen en een bloeiend verenigingsleven.
De Amerikanen schrikken juist van dat keiharde individualisme, zoals zich dat uit in de toename van de criminaliteit en de civiele procedures voor schadevergoeding, het uiteenvallen van gezinnen, de corruptie, het isolement van grote groepen burgers en het wapenbezit. De culturele oorzaak is de te ver doorgeschoten burgerrechtenrevolutie, die de mens voorstelt als een sociaal atoom, een individu met alleen maar rechten en geen plichten. Niemand wil zijn recht meer inperken ten bate van de gemeenschap, er staat een beloning op asociaal gedrag. Niet voor niets gaan de culture wars in Amerika gelijk op met een groeiend verzet tegen immigratie, vanouds het levensbloed van de natie.
Ik weet niet wat de overheid kan doen om het sociale middenveld in stand te houden, behalve misschien het scheppen van voorwaarden voor nieuwe gemeenschapsvormen. Jack Kemp, de vroegere minister van woningbouw, probeerde het met gerichte subsidiering van het eigen-woningbezit en eigen bedrijfjes in afbraakbuurten, maar hij kreeg te weinig ruimte van de regering-Bush. Het ongedaan maken van de rechtenrevolutie heeft geen zin, dat zet alleen maar meer kwaad bloed. En van het herstel van de gezinswaarden, waar heel Amerika de mond van vol heeft, verwacht ik heel weinig. In mijn boek toon ik aan dat versterking van de gezinsbanden ten koste kan gaan van de grotere sociale verbanden waarin het sociale kapitaal wordt gegenereerd.’
LINKSE ECONOMEN en filosofen zullen tegenwerpen dat het maatschappelijk vertrouwen in de Verenigde Staten juist wordt ondermijnd door het nietsontziende economische rationalisme dat sinds de jaren tachtig over het land raast. Waar de markt penetreert in alle uithoeken van de cultuur en de laatste overblijfselen van premoderne solidariteit uitroeit, is een vertrouwenscrisis niet verwonderlijk. Marx had er zelfs een term voor: de Verdinglichung van de samenleving. Fukuyama stelt daar tegenover dat de vertrouwensbreuk vooral aan de orde is in de Verenigde Staten en niet in andere kapitalistische landen, waar het economisch leven soms veel hardvochtiger is. 'Bovendien is die vertrouwenscrisis in Amerika iets van de laatste dertig jaar, terwijl het land al twee eeuwen kapitalistisch is. Dat geeft toch te denken. De vrije markt heeft de sociale verhoudingen in de Verenigde Staten tweehonderd jaar lang door elkaar geschud zonder het maatschappelijk vertrouwen aan te tasten. Waarom zou dat nu opeens wel het geval zijn?’
Omdat de markt nu ook de laatste premoderne instellingen in uw land ontmantelt. Uitgerekend de protestantse sekten, die volgens u de pijlers van het maatschappelijk vertrouwen zijn, worden met de dag materialistischer. Ik denk aan de televisie-dominees, de Jezus-industrie, de lawaaipredikanten die roepen dat je vanzelf rijk wordt als je maar in God gelooft.
'Dat is een typisch Europees misverstand. De protestantse sekten in Amerika hebben altijd die materialistische component gehad. De huidige opleving van fundamentalisme sluit aan bij een lange traditie van religieuze vernieuwing. De doctrine is sinds de eerste Puriteinen niet wezenlijk veranderd, alleen de vorm past zich aan bij de veranderende omstandigheden. En veel meer dan in Europa treden mensen in Amerika tot zulke sekten toe vanuit een diepe overtuiging. Het is een complete manier van leven. Het opmerkelijkst vind ik het succes van de protestantse zending vanuit de Verenigde Staten. In sommige Latijns-Amerikaanse landen is inmiddels twintig procent van de bevolking bekeerd, waardoor een veel gunstiger klimaat is ontstaan voor het bedrijfsleven. In die gebieden is ook het niveau van voorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg opvallend gestegen. Dat hangt ongetwijfeld samen met de protestantse ethiek van sparen, werken en vertrouwen op jezelf en je medemens. De socioloog Peter Berger, die hier uitvoerig onderzoek naar heeft gedaan, schrijft ergens dat Max Weber springlevend is en in Guatemala woont.’
Kan Weber niets doen voor Amerika’s veelgeplaagde zwarten?
'Ik ben bang van niet. In Amerika zijn er twee manieren voor minderheden om hun lot te verbeteren. De ene is die van de joden, Aziaten en andere groepen met een grote sociale cohesie. Zij konden zich overeind houden door middel van eigen bedrijven, het ondersteunen van de achterblijvers en het verzekeren van goed onderwijs voor de volgende generatie. De andere is die van de Afro-Amerikanen, Ieren en tegenwoordig ook de Hispanics, die zich politiek organiseerden om overheidssteun af te dwingen. Het bijkomende probleem van de zwarten is dat de cohesie van de Afrikaanse gemeenschappen van herkomst door de slavernij, armoede en tegenwoordig ook door de drugseconomie is tenietgedaan. De overheid kan dat gebrek aan cohesie nooit compenseren.’
FUKUYAMA WIJST overheidsingrijpen heel beslist af. Na lang aandringen maakt hij een uitzondering voor staatsonderwijs op Franse leest. 'Een onderwijshervorming in de richting van algemeen, verplicht en homogeen onderwijs voor iedereen zou het maatschappelijk vertrouwen kunnen verhogen, het gemeenschappelijk ethos versterken, waardoor de culture wars tot bedaren worden gebracht.’ Hij heeft geen aanvechtingen om in de politiek te gaan: 'Kojeve is ook niet in de politiek gegaan, hij koos voor de bureaucratie en had er vrede mee dat zijn invloed marginaal was. Voor mij geldt na het schrijven van Trust hetzelfde. Ik heb vastgesteld dat de hedendaagse problemen van culturele aard zijn, dus beperk ik mij tot deelname aan de hedendaagse cultuur door te spreken, boeken te schrijven en mijn kinderen op te voeden.
Ik bestudeer momenteel voor een particuliere opdrachtgever de gevolgen van de informatietechnologie voor de internationale betrekkingen. Ik geloof eerlijk gezegd niet in de huidige Internet-hype. Het belangrijkste aspect is dat computernetwerken - anders dan het eenrichtingsverkeer via radio of televisie - voor het eerst communicatie mogelijk maken tussen groepen mensen. Er zullen nieuwe groepsvormen en uiteindelijk nieuwe transculturele instellingen ontstaan. Helaas zit daar geen nieuw boek in; de opdrachtgever wil de resultaten in eerste instantie voor zichzelf houden. Maar een groot artikel sluit ik niet uit.’