(onbekend)

Notre-Dame-des-Fleurs (1943), Miracle de la rose (1946) en Journal du voleur (1949) zijn voor De Bezige Bij vertaald door C. N. Lijsen (Onze Lieve Vrouw van de Bloemen, 1966; Wonder van de roos, 1968; Dagboek van de dief, 1965). Pompes funebres (1947) is voor Arena vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer (Lijkbezorging, 1992).
De auteur is de vertaler van Genets Querelle de Brest (uitgeverij Arena, 1989).
Van de romans van Genet is bekend dat ze veel autobiografisch materiaal bevatten. Hoe moet een biograaf daarmee omgaan? Edmund White en de verlokkingen van een labyrint vol Droste-effecten.

TOEN JEAN GENET niet meer hoefde te stelen voor de kost, waren de gewoonten van de dief zijn tweede natuur geworden. Al zijn bezit paste in een valies en de goedkope hotels waar hij sliep, koos hij in de buurt van stations, zodat hij makkelijk spoorslags kon verdwijnen. Waar hij ook stond of ging, hij werd in de nek geblazen door zijn prive-voorraad hete adem. Iemands persoonlijke gegevens, zoals het adres, worden in het Frans wel ‘coordonnes’ genoemd - en zijn coo"rdinaten, dat is waaraan Jean Genet altijd heeft willen ontsnappen. Door niet thuis te geven maakt hij zich ongrijpbaar. Biografen kunnen dan ook alleen maar zijn tegenstander zijn, want wat een biograaf wil is nu juist de beschrevene vastprikken op zijn coo"rdinaten. Daar begint hij mee, dat vormt zijn stramien: chronologisch vastleggen waar zijn onderwerp zich bevindt. Dat onderwerp kan zich maar op een plaats tegelijk bevinden. Het kan niet hier zijn en tegelijk ergens anders. Als de betrokken persoon volgens de ene bron hier is en volgens de andere daar, klopt er iets niet. De biograaf trekt alibi’s na.
Edmund White opent zijn biografie van Genet met een lang citaat uit Onze Lieve Vrouw van de Bloemen. Het is een gouden citaat om een biografie mee te openen, de herinnering van de 'ik’ aan de eindeloze uren die hij als kind dagdromend doorbracht op het gemak achter in een tuin met verregende groente en een geur van vlier. De beschrijving is van een proustiaanse intensiteit.
Zoals een goed biograaf betaamt, is Edmund White afgereisd naar Alligny-en-Morvan om Genets jongenswereld met eigen ogen te aanschouwen. Het huis van het pleeggezin dat het kleine voogdijkind opnam, staat er nog. Het heeft een leien dak, wat een teken is van de betrekkelijke welstand van het pleeggezin; de vader was timmerman, de moeder hield een winkeltje, allemaal feiten die volstaan om enkele van Sartres speculaties over de wording van 'Sint Genet’ te ontkrachten. Aan net zo'n dak, het leisteen van zo'n dak, is in Onze Lieve Vrouw het huis te herkennen waar de jongen Culafroy woont. En in de tuin van het leisteenhuis staat de wc waar de 'ik’ zit te dromen. De 'ik’ zit op de wc van het personage Culafroy, dat verder meestal met 'hij’ wordt aangeduid. 'Ik’ versmelt met 'hij’, en dat is een procede waarvan Genet bijvoorbeeld in zijn latere Lijkbezorging tot in het extreme gebruik maakt. 'Ik’ kan op meer plaatsen tegelijk zijn.
{DE VERTELLER die zich in Onze Lieve Vrouw in de eerste persoon de jeugd van een personage herinnert, heet in het boek Jean Genet. Deze zit in de gevangenis en de herinnering wordt bij hem opgeroepen door de geur van de verstopte wc ('overstromend van stront en geel water’) die hem op zijn brits bereikt. Op de vleugels van de geur wordt hij verplaatst naar het hokje bij het huis van Culafroy. Het woord dat Genet voor dat hokje gebruikt is 'cellule’, en de verteller keert terug naar de werkelijkheid van de gevangenis (als hij er ooit is weg geweest) op het moment dat er wordt doorgetrokken 'dans la cellule a cote’. In de vertaling van C. N. Lijsen is dat: 'in het hokje ernaast’, alsof we nog in de tuin van de herinnering zijn en daar meer wc’s naast elkaar staan; maar 'cellule’ betekent ook gevangeniscel. De plaats waar Genet op twee plaatsen tegelijk kan zijn, is de taal. Tussen de verschillende betekenissen van het ene woord maakt hij instant-reizen door ruimte en tijd, in de woordcel kan hij uit de gevangenis ontsnappen waar hij bromt.
Wanneer White, citerend uit Genets debuutroman, het leien dak uit het dorp van Culafroy laat samenvallen met dat in Alligny dat hij met eigen ogen heeft gezien, doet hij in zekere zin hetzelfde als de Nederlandse vertaler. Zoals bij de laatste het ene woord geen schakelaar meer is tussen twee plaatsen, althans niet zo duidelijk als 'cellule’ in het Frans, maar de betekenis sterker aan vaste coo"rdinaten is geklonken, zo beperkt White de vrijheid van zijn auteur om heen en weer te schakelen tussen identiteiten, zich te verdubbelen, elders te zijn. Is dat fout? Nee, White doet wat hem te doen stond. Alleen gaat het project van de biograaf lijnrecht in tegen dat van de schrijver.
{DE GENET VAN Edmund White is de eerste biografie van Genet die die naam verdient. Maar helemaal uit de lucht komen vallen is ze niet. Ten eerste bestond er de zeer uitgebreide bibliografie van Richard en Suzanne Webb, waarin zelfs kleine 'gemengde’ berichten uit de pers zijn opgenomen, en die voor een deel de enorme verscheidenheid van Whites bronnen kan verklaren. Om maar een indruk van de omvang van Whites belezenheid geven: hij citeert een paar keer, in Engelse vertaling, uit een interview dat Genets Amerikaanse vertaler Frechtman met de auteur had, dat alleen in een Nederlands tijdschrift is gepubliceerd, Literair Paspoort. Daarin staat onder andere deze wat raadselachtige uitspraak, die ik hier aanhaal uit de Nederlandse brontekst, waarin ze niet zonder moeite is terug te vinden: 'Sceptici mogen het hoofd boven water houden en dichters hun hart - bepaalde gebieden van hun gevoel moeten wel bevriezen door de aanraking met het sociale element.’
Ten tweede moet Albert Dichy worden genoemd, de beheerder van een Genet-bibliotheek met een grote collectie manuscripten, die regelmatig nieuwe publikaties van nagelaten werk bezorgt. Samen met Pascal Fouche heeft Dichy een chronologie opgesteld van de eerste vierendertig jaar van Genets leven (1910-1944), en aan de feiten van die door hen gelichte doopceel kan White er niet veel toevoegen. Met feiten bedoel ik dan gedocumenteerde feiten: de officie"le Jean Genet, 'Genet on the dotted line’ (zoals Nabokovs Lolita: 'She was Dolores on the dotted line’), ingevuld op het papier van allerlei administratieve apparaten die registratie in hokjes als voornaamste functie hebben.
Zijn eerste opwachting in zo'n hokje maakt hij wanneer 'grossesse’ (zwangerschap) wordt ingevuld als reden voor opname van zijn moeder in de kraamkliniek waar hij geboren zal worden. De tweede keer wordt hij in de administratie van die kliniek opgevoerd als 'non denomme’ (niet genaamd), de gehanteerde formule wanneer de naam van de vader niet is opgegeven. En na de geboorteakte trekt in de Chronologie een lange reeks documenten aan het oog van de lezer voorbij: van het 'livret de pupille’, het boekje dat over de pupil Jean werd bijgehouden door de kinderbescherming, waaraan zijn moeder hem minder dan een jaar na zijn geboorte had afgestaan, via een reeks medische en psychiatrische rapporten, tot aan de processen-verbaal en rechterlijke uitspraken die de opsluiting van de drager van de opgeschreven naam, Jean Genet, betekenden: in een cellule in een tuchtkolonie voor jongens en in diverse gevangenissen.
MET DE DOTTED LINE, de stippellijn van het officie"le papier, is de grens gemarkeerd waarachter het geheim van een mens begint, en die is tegelijk een grens voor de biograaf. De archieven geven bijvoorbeeld uitsluitsel over het vergrijp (landloperij en zwartrijden) waarvoor Genet in de 'open’ kolonie van Mettray ('er waren geen muren, maar laurierheggen en bloembedden’; zie Wonder van de roos) werd opgesloten. Zo wordt de versie uit Wonder van de roos, waarin de 'ik’ een jongen het linkeroog heeft uitgestoken, als fictie ontmaskerd. Maar wanneer White met betrekking tot het uitsteken van ogen, een constant motief in Genets werk, stelt: 'De buiten-literaire bewijzen tonen aan dat Genet nooit zo'n misdrijf heeft begaan of ook maar geprobeerd’, gaat hij buiten zijn boekje. Het ontbreken van bewijs voor het feit is niet hetzelfde als bewijs voor het ontbreken van het feit. Het slachtoffer is in elk geval geen ooggetuige meer.
Ik wil het leven van Genet niet sensationeler maken dan het al was, maar ik denk dat het voorbeeld laat zien welke precaire rol een biograaf speelt die de autobiografische elementen in Genets boeken uit hun verdichting wil isoleren. Verschillende tot in details beschreven inbraken waarover de verteller opschept in Wonder van de roos en Dagboek van de dief hebben geen 'buiten-literaire’ sporen nagelaten in de vorm van juridische dossiers. Gesteld nu dat White onweerlegbaar bewijs had gevonden voor de autobiografische getrouwheid van deze inbraakscenes, dan zou zijn speurwerk materiaal te over hebben opgeleverd om Genet na zijn dood het 'levenslang’ te bezorgen waarvoor hij bij leven ternauwernood werd behoed. Zijn research is die van de rechercheur. De biograaf staat, of hij wil of niet, aan de kant van de flics, de smerissen, en niet aan die van de voyous, de boeven, waar Genet stond. En die positie is nergens met grotere luciditeit voorzien dan door Genet zelf, in Onze Lieve Vrouw: 'Hoeveel agenten, inspecteurs die op hun tandvlees lopen, zoals dat zo mooi heet, hebben niet al dagen en nachten aaneen verbeten pogingen gedaan een raadsel te ontwarren waarvoor ik ze had gesteld? En ik dacht dat de zaak was afgedaan, terwijl zij nog altijd zochten en zich, zonder dat ik er iets van wist, met mij bezighielden, werkend aan de materie Genet, het fosforescerende spoor van de gebaren Genet, op me zwoegend in het donker.’
IK DENK DAT Edmund White zich terdege bewust is geweest van die rechercheurskant van zijn onderneming en zich er ongemakkelijk over heeft gevoeld. Hij wijst herhaaldelijk op Genets verzet tegen het idee van een biografie. En hij heeft een merkbaar kwaad geweten wanneer hij, niet minder dankbaar, profiteert van de informatieve waarde van 'signalementen van de politie’ of 'antropometrische rapporten’, die hij in extenso overneemt. Wat hij zo citeert, is de tekst van het 'openbaar lichaam’ Genet, dat een 'strafbaar lichaam’ is: opgemeten en in kaart gebracht volgens het classificatiesysteem waarmee de autoriteiten de openbare orde handhaven. Onder valse namen, met gestolen papieren is het Genet vaak gelukt om zelfs voor de meest vasthoudende biograaf uit beeld te verdwijnen ('Op dit punt aangekomen, verdwijnt hij vijfeneenhalve maand uit het zicht’, moet White dan bijvoorbeeld schrijven), tussen de mazen door te glippen, zich van zijn coo"rdinaten los te rukken, vooral tijdens zijn zwerftochten door het vooroorlogse Europa.
De koppeling aan zijn ware 'coordonnes’, bij een arrestatie, kan op zichzelf voldoende reden zijn voor verzekerde bewaring, zoals die keer in 1937, toen hij onder andere wegens diefstal van een paspoort werd veroordeeld, terwijl de bestolene, zoals White weet te melden, eveneens terechtstond, omdat zijn papieren vervalst bleken. Door zo'n blik op een opeenstapeling van ontvreemde identiteiten, van vals op vals, voert de biografie de lezer plotseling het universum van Genets fictie binnen. De bastaard, het onechte kind, dat de naam van de moeder droeg, fragmenteert zich schrijvenderwijze in bijnamen, alter ego’s, afsplitsingen, dubbelgangers; de eeuwige heler van zijn identiteit kan niet anders dan die in stukken breken; het pleegkind is pleger van woordbreuk en fingeert zijn afstammingen ('Jean Genet, onechte graaf van Tillancourt’, had de 'ik’ in Onze Lieve Vrouw op zijn visitekaartjes willen zetten).
In dat boek laat Genet ook zelf signalementen van zijn helden uitgaan, en als Whites kwade geweten terecht is, heeft hij alleen al door een van die signalementen over te nemen, te midden van alle echte van de politie, veel goed gemaakt. De uiterlijke kenmerken van romanheld Lieverd (gezicht ovaal, gelaatskleur mat, tanden gaaf, neusbeen recht) lijken minder tot taak te hebben de beschrevene te kenmerken dan hem zo inwisselbaar mogelijk te maken. Maar op een andrometrisch punt (door Genet weggelaten toen zijn werk 'boven de toonbank’ bij Gallimard ging verschijnen, en dus ook niet in de Nederlandse vertaling te vinden) munt het signalement dat de schrijver-boef van zijn personage verstrekt uit door precisie. Dat punt is het lid: 'lengte in opgerichte staat 0,24 m., omtrek 0,11 m.’ In de clandestiniteit van de fictie maakt de tekst van het strafbare lichaam plaats voor die van het lustlichaam.
Op de laatste bladzijde van Onze Lieve Vrouw schrijft Lieverd uit de gevangenis aan Divine: 'Je moet raden wat die stippellijn voorstelt. En geef er een zoen op.’ Die stippellijn - als het ware het negatief, de andere kant van de dotted line van de documenten - is het silhouet van Lieverd z'n stijve, omgetrokken op een vel papier.
Als Genet zo wars is van biografie, hoe staat het dan met het dagboekkarakter van wat als zijn meest autobiografische boek wordt beschouwd, zijn Dagboek van de dief?
Op de vraag wat hij bij het lezen van Sartres omvangrijke analyse, Saint Genet, uit 1952, had ondergaan, heeft Genet eens geantwoord: 'Een soort weerzin omdat ik me naakt zag, en dan uitgekleed door iemand anders dan ik zelf. In al mijn boeken geef ik me bloot, maar tegelijk vermom ik me (je me travestis) met woorden, door keuzes en houdingen, door feeerie. Ik zorg ervoor niet al te grote averij op te lopen.’
Het Dagboek van de dief is overwegend in de eerste persoon gesteld, maar die eerste persoon kan zich plotseling terugtrekken, en dan begint een alinea zo: 'Na vele malen in gevangenissen te hebben gezeten verliet de dief Frankrijk.’
In minstens even grote mate als een persoonlijk relaas is het Dagboek van de dief het relaas van de naam dief en de idee dief. Genet schrijft aan zijn legende, vooral in de etymologische betekenis van 'dat wat te lezen staat’. De woorden transformeren het leven in een leesbaar leven, waarvan de 'leesbaarheid’ onverlet blijft: het is nooit al gelezen, nooit uit, maar moet altijd nog gelezen worden.
Net zo'n transformatie als die van de 'ik’ in 'de dief’ van wie het Dagboek de vlucht uitstippelt ('voler’ betekent stelen en vliegen), ondergaan ook de geliefden van de dief. Hun beminbaarheid vereist inwisselbaarheid, het soort signalement waaraan Lieverd beantwoordt. Neem Armand. Armand is zijn armen, niets dan. Over elkaar geslagen kronkelen ze voor zijn tors als kabels. Op zijn ene heeft hij een kleine tatoeage van een moskee met koepel en minaret, en een palm die buigt in de samoem. Onder de blik van de dief wordt de tatoeage beeldvullend: tegen de palm bij de moskee staat een legionair geleund, soeverein en een toonbeeld van onverschilligheid, net als Armand. Heeft hij ook een tatoeage op zijn arm? Genet schrijft het niet, maar ik zou het zweren. Op die tatoeage staat dan weer een legionair, et cetera, en Armand wordt familie van de Droste-zuster (het procede van het cacaobusje, dat in het Frans mise en abyme heet, past Genet heel vaak toe).
MET DE ONVERBIDDELIJKE legionair die Genet door blow-up uit de tatoeage laat verrijzen, is in het Dagboek van de dief de herinnering aan een liefde in de tuinen van Meknes verbonden: 'Zonder dat hij een stap verzette (…) gaf ik hem het genot dat hij begeerde, trok dan mijn kleren recht en verdween.’ White, die het Dagboek niet anders dan als 'fiction’ of 'novel’ aanduidt, baseert zich niettemin op deze passage om Genet, in een periode van grote feitenschaarste (1931- 1933, de tijd dat hij in Marokko in het koloniale leger diende), van een 'sex partner’ te voorzien; hoewel hij niet over andere bronnen beschikt, noemt hij de episode een 'real memory’.
Heeft hij gelijk? Ik zou het niet kunnen zeggen, maar in ieder geval brengt de vermomming in woorden, die travestie, met zich mee dat de waarheid van het Dagboek een andere is. De armen die het pars pro toto voor Armand zijn, beschrijft Genet als een 'cusson’ (wapenschild), als zijn 'armes’ (wapens, ook in heraldische zin) - dat de klankovereenkomst waardoor de naam van het personage al naar zijn embleem verwijst, zich in het Nederlands tegelijk herhaalt en verplaatst, is een van de wonderlijke toevalligheden van vertaling.
De Franse term voor het Droste-effect, mise en abyme, is ontleend aan de heraldiek en verwijst naar het verschijnsel dat een wapen een miniatuurschild in zijn schild voert. Door de tatoeage van zijn armes, het schild waarachter hij schuil gaat, heeft Armand een blazoen, een afstamming. De legionair behoort tot zijn geslacht. De geliefde van de dief is de laatste in een genealogie van ideale ploerten, die teruggaat naar een middeleeuwse vechtjas, en nog verder: een archetype, een sterrenbeeld, een zuivere Idee. Daarvan is het blazoen de abstractie: Armand wordt herleid tot een geometrie. Zijn strengheid is de strengheid van een som, zijn coordinaten geven het onontkoombare antwoord.