(onbekend)

In de keuken stond vanmorgen (sinds kort weet ik dat elk gefundeerd stuk tekst met plaats- en tijdsbepaling hoort te beginnen) nog een lullig linzebeetje. Dat was natuurlijk gauw weg, met zeventien tegelijk gleden de kleintjes uit Puy de trap af, gesapt en gesopt als ze waren in olie en azijn, bieslook en komkommer.

Hoewel de mooiste verhalen die zijn waar je het toeval, smeuig vastgeplakt in het poeziealbum van de werkelijkheid, ook een kans geeft. Zoals van: ‘Kijk, daar is mijn muze met het tweede kopje koffie!’ Ik ken schilders die hun altijd hongerig talent daar dagelijks mee opluisteren. Zegt hun vrouw: 'Schat, wil je een of twee klontjes?’, schilderen ze gauw een of twee klontjes op hun schilderij. En vergis je niet: zo is de grootste kunst ontstaan. Vastgeplakt aan iets eetbaars.
Vergeet uw Amsterdams cynisme voor een paar uur, neem uw vakantiegeld op en loop naar de markt. Koop de grote vis die kabeljauw heet, van kop tot en met staart. Om eten en kunst te maken. Snij het vlees uit de vis, als biefstukken zo groot, en bak ze zo achteloos als maar kan in een hele bol (dit keer lukraak dun gesneden maar in de pan voortdurend in beweging gehouden) verse knoflook en olijfolie. Strooi er grof zeezout en nauwelijk gemalen zwarte peper op. Leg de gebraden vis op gekookte en gestampte aardappelen. Giet er alsnog rauwe maar warme olijfolie uit het kleine kuikengele blik van Puget over. Eet lekker. En drink. Complimenteer uw vrouw met haar halslijn, maak aantekeningen daarvan voor een leuk kort verhaal en ga met haar naar bed. Wacht met opstaan tot de volgende morgen en kook het op de tast teruggevonden karkas van de vis met kop en al tot de laatste flarden van de graat zijn gevallen. De rest is bouillon.
Bewonder het skelet van de vis. Zet het op uw hoofd en laat moeder een foto maken. Is bijna kunst.