(onbekend)

Toen mijn ouders in 1952 terug waren in Nederland, schaamden zij zich voor hun Indische verleden. Over hun tijd in de oorlog was het namelijk ‘not done’ te praten; men (vrienden en ouders) vond de Duitse bezetting erger dan wat de Jappen hadden gedaan.

De Indische keuken was lekker, maar het stonk wel altijd in je huis als je het klaarmaakte.
Mijn grootmoeder vroeg, toen ik al een jaar of tien was, nog steeds aan mijn vader ‘in welke kampong’ hij nu eigenlijk was geboren.
Het 'mandin’ - het met water overgieten - vond mijn vader prettiger dan 'baden’, want hygienischer, maar hij begreep wel dat 'men’ het achterlijk vond in een huis dat een groot bad had.
Toen we Indie hadden verloren, verloren mijn ouders hun trots. Nu is trots ook niets, en mijn vader begreep dat.
Hij zou ons zo Nederlands als maar kon opvoeden. Met een uitzondering: hij zou ons niet naar een kerk laten gaan, ofschoon hij zelf gereformeerd was opgevoed. Hij had de schijnheiligheid van het geloof in het kamp tot volle bloei zien komen en wilde daar toen niets meer mee te maken hebben.
We aten afwisselend Indisch en Nederlands. We lazen de moderne Nederlandse literatuur, we gingen naar musea, toneelvoorstellingen, het Concertgebouw. Mijn ouders waren niet arm; mijn vader was jurist bij de Nederlandsche Bank en verdiende redelijk.
Kortom: ik heb een volkomen Nederlandse opvoeding gehad. Ik heb geen behoefte aan een 'gezoek’ naar mijn identiteit. En ik begrijp ook niet wat Marokkanen, Turken et cetera bedoelen als ze het hebben over 'identiteit’. Als je die niet hebt, is het een probleem dat hoogstens een generatie hoeft te duren.
Ik kan me voorstellen dat als je hier komt, je je verlaten en eenzaam voelt en je niet weet bij wie je hoort. Daar moet je dan iets aan doen.
Ondertussen denk ik dat ik mijn eigen volk goed ken. Mijn volk verandert steeds. In de jaren zestig was mijn volk nog steeds gespleten. Onze ouders leefden nog in de jaren veertig en vijftig, terwijl de jeugd al graag in de jaren zeventig en tachtig wilde wonen. Er kwam een generatieconflict.
In die tijd kwamen de eerste 'gastarbeiders’, hun kinderen hebben dat generatieconflict nu.
Mijn volk was eigenlijk een burgerlijk volk. Met dorpse opvattingen en provinciaalse uitstraling. Een kleine elitaire groep is iets wijzer geworden, maar de grote groep is nog steeds angstig, conservatief, kleingeestig, streng gelovig. Het is net of ze de hele dag de tv aan hebben, maar met het geluid uit. Zo zien ze wel wat er gebeurt, maar weten ze niet waar en hoe of waarom. Global Village? Onzin. Bosnie ligt in de Tuinstraat en het Witte Huis staat op de Brink.
En onze antieke boerenzoon die op de markt z'n prijzen ziet dalen, z'n koeien niet meer kwijt kan omdat men ze goedkoper uit het andere dorp haalt, en die merkt dat de zwarte kooplui de mogelijkheid hebben om geld te verdienen ofschoon ze nog schoenpoetsertjes zijn, heet Hans Janmaat.
Hans is de werkelijke stem van mijn volk: niet welbespraakt, niet ideeenrijk, maar angstig, dorps, provinciaals, paranoide, egoistisch. Hij is aandoenlijk, want hij kan maar een oplossing bedenken: een hek zonder poort. Hoe hij zijn eigen melk moet verkopen, ja, hoe hij zelf naar de markt moet, daarvan heeft hij geen idee.
Een hek of een muur. Een treffender metafoor voor wat de man met zijn hersens heeft gedaan, is niet te geven.
Een muur eromheen.
Hij adviseert ons volk ook om een muur neer te zetten.
Soms zijn de Janmaten wel creatief, dat moet gezegd: die muren kun je namelijk erg goed gebruiken om mensen tegenaan te zetten die door het hek gekropen zijn.