Onbekende mogendheid

Op een dag lachen je borsten je uit. Gewoon, omdat ze niet meer de belofte in zich dragen functioneel te zijn. Zolang ze die belofte hebben, kan ze veel worden vergeven, zo niet alles. Hun omvang of het gebrek daaraan, hun vorm, hoe ze afgetopt worden met een tepel, alles is goed en geoorloofd. Je kunt ze een beetje buitenlucht gunnen, of een beetje boel, je kunt ze optasten als in een bonbonnière, je kunt ze verbergen als in een verbanddoos. Zacht, stevig, klein, groot, alle adjectieven kloppen, altijd, zoals bh’s zich wonderwel plooien, de boel laten vieren of juist beteugelen. Je kunt er eindeloos mee rennen, met je borsten, als in een schilderij van Picasso, je kunt ze met één hand onderstutten als ware je moeder Maria of Beyoncé, in verwachting van ’s werelds hoop.

‘Het lichaam bevat net zo goed onze levensgeschiedenis als onze geest’, schreef Edna O’Brien. Philip Roth gebruikte het als motto in zijn requiem voor de mooiste borsten ooit door een oude man aanschouwd, The Dying Animal.

Ik maak mezelf ziek ondertussen met dit geschrijf, want ik merk dat alles in mijn hoofd zit, dat ik moeiteloos visioenen kan oproepen, dat ik straks in tranen ben en ik ben niet eens ziek of zoiets, ik denk alleen maar aan mijn borsten die ik vanochtend opeens voelde als een onbekende mogendheid. Ik stond voor het raam naar buiten te kijken, ik dronk een kop thee, er was iets, ik denk dat ik de ene arm over de andere sloeg en opeens was er een onverwachte weerstand, alsof ik zelf niet meer wist waar ik begon en ophield. Van wie zijn deze borsten? Het is de schuld van Menno Wigman dat ik dan meteen ‘moegezwoegde boezem’ in mijn hoofd heb, en dat heeft hij niet eens in een gedicht staan waarin hij misschien nog op tolerante gedachten komt over zwoegen en waarvan je zoal moe kunt worden. Nee, hij had het gewoon in proza over pagekapsels en duifgrijze regenjassen, waar blijkbaar moegezwoegde boezems bij horen, en die drie-eenheid houdt van poëzie, ook dat nog. Waarom onthoud ik zoiets, ik hoef alleen maar te googelen op Wigman en moegezwoegde boezem, en ja, het staat er in een stuk van wel zestien jaar geleden.

Kijk hoe ze daar tussen die bureaus heupwiegend manoeuvreert, regeert over het administratief personeel

Ik weet niet hoe moe mijn boezem toen was, ik denk eigenlijk niet meer of minder dan vandaag, maar goed, het was ook als gisteren dat ik in bad lag, ik zal dertien zijn geweest, en constateerde dat aan één kant van mijn lichaam borstvorming aan het plaatsvinden was, ik zág het gebeuren terwijl het badwater lauw werd, er zat een wezentje onder mijn huid dat heel snel groter groeide. Het was niet naar of eng, het was niet feestelijk, het was wat het was, het enige wat ik kon hopen was dat die ander niet te lang op zich zou laten wachten. En op een dag zijn die twee wezentjes dus voldragen en lachen ze je uit.

Hou op, denk ik inmiddels. Denk aan Angelina Jolie. Die heeft ze weg moeten laten halen, stel jezelf dat eens voor, borstendraagster die je bent. Maar ik denk nooit aan Angelina Jolie, ik denk des te vaker aan Joan, in Mad Men, dat heerlijke slagschip ja, tits ’n ass zou de Golden Earring zeggen in lief Haags, maar daarmee heb je nog de reikwijdte van Joans voorkomen niet te pakken.

Sowieso is het gek hoe vaak ik nog aan Mad Men denk, aan Betty, hoe ze woedend aan haar sigaretten zoog, aan Don, hoe zijn kuif op zijn voorhoofd los sprong als hij dronken was, ze zijn er nog steeds in mijn hoofd terwijl de serie al lang zijn laatste seizoen heeft beleefd. Ik had het erover met de dvd-man in Concerto, platenzaak aan de Amsterdamse Utrechtsestraat, wiens lievelingsserie The Wire is, en dat ik dacht dat als je Mad Men kende je toch wel beter moet weten, maar nu denk ik dat het misschien een kwestie van volgtijdelijkheid is, zoiets als je eerste liefde.

Joan dus, even sexy als soeverein, voor een hele generatie kantoorpikkies onaantastbaar in haar vrouwelijkheid, kijk hoe ze daar tussen die bureaus heupwiegend manoeuvreert, regeert over het administratief personeel. Tot een nieuwe lichting zich aandient in de persoon van een of andere nobody, een onderknuppel laagste klas, met wie de hoffelijkheid verdwijnt en de barbarij zijn intrede doet. ‘Ieder kantoor heeft een Joan’, weet hij. Sterker nog: zijn eigenste moeder was een Joan. ‘She even wore a pen around her neck so people would stare at her tits.’ Dit is erger dan dat je borsten je uitlachen. Op een dag keren ze zich tegen je, of worden ze tegen je gebruikt, misschien is dat het.