Menno Hurenkamp

Onbemind of onbekend

Het Nipo constateerde in opdracht van de Volkskrant dat Nederlanders geen moslims kennen maar wel een hekel aan ze hebben. Het is de conclusie die eerder de commissie-Blok ook al trok: Nederlanders staan niet echt open voor nieuwkomers. «Onbekend maakt onbemind», haalt de krantenlezer zijn schouders op, «daar heb ik geen sociale wetenschap voor nodig. Je leest toch ook dat ze die gasten bij sollicitaties gaan screenen?» Verrassender is de energie waarmee de politiek deze wederzijdse onbekendheid wil aanpakken. Eén van de oplossingen die steevast van stal worden gehaald is het mengen van allochtonen en autochtonen in woonwijken.

Sloop de achterstandswijken, bouw er verschillende huizen door elkaar, stel inkomenseisen, geef belastingvoordelen aan huizenkopers en ondernemers, stuur arme mensen naar rijke buurgemeenten, zodat rijk en arm en wit en zwart weer door elkaar gaan wonen. Mooie ambities, waar inmiddels overbekende praktische bezwaren tegen bestaan. Zo gaat het (her)bouwen van huizen nog langzaam. Het hippe commentaar over allochtonen is dat hun drang om bommen te leggen elke dag groeit, dus het is de vraag of het mengen van mensen de oplossing is voor de onrust die de politiek beheerst. Opvang in de regio gaat sneller, maar werkt mondjesmaat. De randgemeenten van een stad als Rotterdam kunnen de komende tijd een paar duizend mensen plek geven. Dan blijven in Rotterdam nog tienduizenden probleemgevallen over.

Tot zo ver de lopende discussie. Waar nog geen aandacht voor is, is de onmondigheid in de achterstandswijken. Toen de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt tegen de vlakte moest vanwege een metro liepen artiesten en intellectuelen massaal en succesvol te hoop tegen de sloop van hun buurt. Ze waren wég van die volgens de gemeente verrotte huizen. De bewoners van de jaren-vijftigwijken die nu op de sloopnominatie staan, zijn minder bekend met het inspraakcircus. Hun gedachten zijn zo goed als onbekend. Misschien willen ze graag blijven waar ze zitten, maar dan zonder vuilnis op straat en met een extra kamer bij hun flat.

Een fundamenteler probleem is dat de afgelopen jaren de woningmarkt langzaam ontregeld is, maar dat de eisen die bewoners stellen uniformer zijn geworden. André Buys en Jan van der Schaar van Rigo Research en Advies schrijven in recent onderzoek dat de toegenomen keuzevrijheid op de woningmarkt niet tot meer differentiatie heeft geleid maar tot meer behoudzucht. In plaats van meer verschillende kwamen er meer dezelfde huizen. Mensen zoeken hun huis hardnekkig te midden van soortgenoten. Zelfs als gepensioneerden al verhuizen, doen ze dat binnen de buurt waar ze al woonden. Je moet dus diepgaand tegen de menselijke aard ingaan wil je hun vestigingsdrang veranderen. Waarom dus niet juist inspelen op die behoefte aan zekerheid die zo hardnekkig tentoongespreid wordt? Bijvoorbeeld door overal huismeesters aan te stellen die al die onpersoonlijke flats meer bewoonbaar maken? Waarom niet ook woningcorporaties verplichten de huizen die ze verhuren niet alleen aan veiligheidsvoorschriften te laten voldoen («kraan op 32,5 centimeter van stopcontact») maar ook aan welzijnseisen («dag en nacht aanspreekbare beheerder met ruime bevoegdheden»). Dat neemt het idee weg dat mensen (blank/zwart) die graag onder elkaar wonen fout zijn. Onbekend is dan niet meteen onbemind.