Een bezoek aan de Wiener Staatsoper

Onbeschaamd operahedonisme

Met vijftig voorstellingen per seizoen is het bij de Wiener Staatsoper niet altijd prijs. Gelukkig is er het publiek.

Na jaren van abstinentie – te weinig zangers, te weinig dirigenten – voert het toeval me terug naar de opera. Ik krijg een uitnodiging voor de première van Tsjaikovski’s Pique Dame bij de Wiener Staatsoper, in een nieuwe enscenering van Vera Nemirova. Seiji Ozawa op de bok; een cast met Neil Shicoff (Hermann), Markus Eiche (Jeletzki), Albert Dohmen (Tomski), Martina Serafin (Lisa) en met grande dame Anja Silja als gravin. Dat alles in een meesterwerk, naar Poesjkin.

Door een ander toeval ben ik een dag eerder ter plaatse. Wandelend over de Graben zie ik dat de Staatsoper die avond Strauss’ Elektra op de rol heeft, met Deborah Polaski en mijn zangheldin Agnes Baltsa als respectievelijk Elektra en Klytaemnestra. Dat is de zonzijde van een huis dat tijdens het seizoen zo’n beetje elke dag in touw is: vijftig opera’s per jaargang. De keerzijde: het is niet altijd prijs. De naam van de dirigent, Michael Boder, zegt me niets, maar je mag nooit uitsluiten dat je per ongeluk de nieuwe Karajan tegen het lijf loopt. Om zeven uur ’s avonds, een uur voor aanvang, sluit ik in de rij aan voor een kaartje. Er blijken alleen nog parketplaatsen te zijn voor het hilarische bedrag van 157 euro, en dat voor een voorstelling in de prijsklasse B, wat impliceert dat het nog erger kan.

Ik vind alles best, zolang het in de bak maar spookt en schittert. Helaas: Boder is niet de nieuwe Karajan. Hij doet veel nieuwe muziek, heeft de grote operahuizen van Duitsland bespeeld, in Covent Garden gestaan en is sinds 1995 een terugkerende gast in de Staatsoper. Zijn cv is, kortom, spannender dan zijn slag. Mensenkinderen, wat speelt dat orkest beroerd, al trekt het later bij en laat het met de moed der wanhoop hier en daar hoogcalorische vonken spatten, mits het hard mag. Ik zie het hoofd van de dirigent en vraag me af of hij beseft hoezeer de muze hem heeft laten barsten.

Gelukkig is er het publiek. Operabezoek is altijd antropologie, helemaal in Wenen, waar men zoveel fraaier onder ons is dan te onzent. Om een mislukte voorstelling lijkt het uitgaanswezen niet te malen; geen boegeroep kraakt Boders hoop dat hij er zijn mag. De bezoekers hebben vooral belangstelling voor elkaar. Men fotografeert. Het parket fotografeert de loges, de loges kieken het parket. Ik mag het graag zien. Stijl kan niet altijd stijlvol zijn.

Voor mij zit een vierkoppig gezin, haute bourgeoisie zoals je die in Oostenrijk en Duitsland nog wel tegenkomt. Het loert en flitst: het jongetje met een klein toestelletje, de vader met een groter. Een meisje, mooi en naar in wording, de moeder – met meeslepend haarlakpantser – het type dat bedienden treitert en grands crus laat terugsturen. De vader lacht een verbazingwekkend geforceerde lach naar een bekende in een loge. Het is een lach die kraakt in zijn voegen en die me langer zal bijblijven dan de machteloze, niet tegen het orkestgeweld opgewassen Elektra van Polaski of de fletse Klytaemnestra van mijn diep vereerde Baltsa.

Nu Pique Dame. Ik wist dat Ozawa, die ik alleen kende van zijn werk met het Boston Symphony, in 2002 Musikdirektor van de Staatsoper werd, en ik kon me nooit zo’n voorstelling van hem maken. Een vage grootheid: niet iemand die geschiedenis schreef met een onvergetelijke Beethoven-cyclus, een Falstaff van de eeuw of een grensverleggende Ring des Nibelungen. Ook geen typische operadirigent. Meer een ongelooflijk bekwame orkesttrainer die de orkestpartijen van Liszts slonzige pianoconcerten kan laten klinken alsof Maurice Ravel ze met bladgoud verguldde.

Deze Pique Dame is meesterlijk voorbereid. Is dit Russische muziek? Jeletzki’s beroemde en wanhopige liefdesaria in de tweede akte is het. Maar de entr’acte in de tweede akte: achttiende-eeuws, mozartiaans, de vrucht van Tsjaikovski’s levenslange voorliefde voor het preromantische. Ozawa ontroert niet. Geeft niet, dat doen de zangers wel voor hem. Maar hij maakt indruk met verfijning. De pizzicati zijn spatgelijk, de strijkers slank en elastisch. Het orkest klinkt als een klok. De theatrale presence van Anja Silja vergeet ik nooit meer, de toneelbeelden zijn van een Van den Ende-achtige perfectie en zelfs Nemirova’s brechtiaanse werkopvatting stoort me nauwelijks: niets staat een onbeschaamde avond operahedonisme in de weg. Ik besluit er in het operacafé na afloop maar een glas op te drinken, net als iedereen. Geweldig, de Staatsoper. A Night At The Opera. Net echt.

Cosotti/ Bacquier/ Armstrong/ Lanig - Verdi: Falstaff
28 oktober 2005
(€ 24.99)