Onbeschaamde verwerkingscolumn

Ik lig in de tuin. Op een heel zware, houten ligstoel, die door mijn broer hier is neergezet.

Ik mag namelijk niet tillen of met zware dingen slepen. Het waait hard. Mij vallen allerlei dingen op. Bijvoorbeeld dit: als je onder een bruine beuk zit, zie je niet dat hij bruin is. Het kan net zo goed een groene beuk zijn. Ik hoor de kippetjes van mijn vader zachte geluidjes maken in hun ren, diep in de tuin. Daar waar het altijd donker is, door veel te ver doorgeschoten lindes. Lindes waarover iemand onlangs tegen mijn vader zei dat ze op de monumentenlijst zouden moeten. Dat lijkt me stug, die lindes zijn zeker vijf jaar jonger dan ik, misschien wel tien. Ik vraag aan mijn moeder of kippetjes niet van zon houden. ‘Volgens mij wel’, zegt ze. ‘Maar ja, die krijgen ze nooit te zien.’ Ze leggen goed, hoewel de eieren klein zijn. Twee van die eieren heb ik al gegeten. Het is dus niet mijn eigen tuin waarin ik lig. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit gelegen heb in mijn eigen tuin. Bovendien lig ik hier in deze tuin – achter het huis, weg van de meedogenloze westenwind – omdat het moet, of ik elk geval op dit moment gewenst is.

Gisteravond, na het eten, lag ik hier ook. Ook toen waaide het, harder nog dan vandaag en het was een stuk kouder. Ik had een klein dekbedje over me heen getrokken. En ik dacht bij mezelf hoe verrekte lekker het is om zomaar onder een warm dekbedje in een koele, door woest takkengezwiep overhuifde tuin te liggen. Ik deed verder niets. Ik geloof dat ik een dutje wilde doen, maar daar kwam het niet van. Ik keek om me heen en vooral naar boven. Daar buitelden meeuwen door de lucht, schoten duiven als kanonskogels voorbij en werden gierzwaluwen ruw door de wind achteruit geblazen. De eenzame conifeer ving over het huis heen nog wat zon, de lindebladeren achter in de tuin wisselden razendsnel van lichtgroen naar grijs en terug. En ik dacht na. Ik dacht dat het woord ‘mijmeren’ een betere omschrijving was. Ik mijmerde over de nieuwe keuken die ik in de Eifel wil. Nu helemaal. Nadat er iets onverwachts in je leven gebeurd is, zeker iets wat met ziekenhuizen en gevaarlijke operaties en je-weet-nooit-of-je-wel-uit-de-narcose-komt te maken heeft – zo mijmerde ik – maak je je niet zo druk of zo'n nieuwe keuken vijfduizend of tienduizend euro kost. Ik besloot ter plekke, de wind kreeg net vat op de hanging basket met vrolijk gekleurde zomerbloemen, niet knijperig of moeilijk te gaan doen bij de aanschaf van die keuken. Ik schoot vol omdat ik ineens aan Dakdekker Rudi moest denken, in zijn koude graf in Lasel, waar nu de bloemen wel vanaf zullen zijn, en aansluitend aan Jasper en hondje Lure van Tuinmaat Han en Trijntje, die gisteren een spuitje gekregen heeft en tussen al dat mijmeren door stuurde ik vriend Henk een berichtje: Wat gebeurt er toch veel in een mensenleven! Iets later, ik mijmerde alweer, kreeg ik bericht terug dat Henk – die net een erge begrafenis had bezocht – het met me eens was. Ik mijmer nooit. Dat kan ik niet, of ik sta het mezelf niet toe. Ik vond het lekker. Er scheet een vogel op mijn kop, het zal een meesje geweest zijn, het was een heel klein kwakje. Ik gebaarde door de ruit van de schuifpui heen naar mijn vader dat er een vogel op mijn kop gescheten had, maar hij begreep het niet. Het is – zonder woorden – best moeilijk iemand duidelijk te maken dat er een vogel op je kop gescheten heeft. Daarover mijmerde ik. Dat is mijmeren misschien wel: heel belangrijke dingen verwaaien als de bladeren van een uitgebloeide roos op een voor de tijd van het jaar uitzonderlijk harde wind terwijl kleine, onbeduidende zaken een gewicht krijgen dat je nooit voor mogelijk had gehouden. Dat er erge en minder erge en niet erge begrafenissen bestaan bijvoorbeeld. Alles afhankelijk van leeftijd, mate van liefde en nabijheid, de oneerlijkheid van de noodzaak van sommige begrafenissen en waarschijnlijk nog wel een paar factoren. Had ik nooit bij stilgestaan. Er waaide een dikke tak van een populier. Gelukkig kwam die niet op mij terecht. Dat je als je op het erf van mijn broer staat pas ziet dat er een machtige bruine beuk in de achtertuin van mijn vader en moeder staat, terwijl ik er nu, pal eronder, met de beste wil van de wereld geen bruine beuk in kan herkennen.

Mijn moeder brengt me een kopje thee. Ik moet zeker vandaag goed letten op mijn drinken, ik heb diarree. Dat is niet de bedoeling, maar ik kan het verklaren: ik at vanochtend té gretig twee magnesiumpillen terwijl ik die helemaal niet nodig had en ineens schiet iets wat een verpleegster me zei me te binnen: ‘Slik die magnesiumpillen als u nog morfine neemt, maar het mag niet doorschieten in diarree.’ Ik heb geen morfine meer en ik poepte goed, dus waarom dan toch die magnesiumpillen slikken? Het is mijn eigen schuld. En een andere verpleegster zei tegen me dat mijn saturatie verbazingwekkend goed was voor een roker. Aha, dacht ik toen bij mezelf, stug doorroken. Zo mijmer ik van het een naar het ander, heb ik ondertussen de hele dynamiek van dit huis verstoord, maar niemand lijkt het erg te vinden. Inmiddels staat de tv binnen al weer aan, de renners verlaten vandaag de Pyreneeën. Ik zal nooit de engelachtige vrouw in de verkoeverruimte van het OLVG vergeten. Nooit. Ik mijmer veel over haar (mijmeren is natuurlijk ook goed om dingen die je overkomen zijn te verwerken en een plek te geven), mogelijk ook in een poging dingen terug te halen, mogelijk om de chirurg die mijn darmen uit de buikholte schepte toe te kunnen voegen aan mijn herinneringen, vooral nadat vanochtend mijn zus zei dat het een schande was dat ik die chirurg nooit meer gezien of gesproken had en ik medelijden met hem kreeg, omdat ik hem dus misschien wel straal ben vergeten. Mijmeren. Die engel in de uitslaapruimte sprak Nederlands tegen me. Waarom praat die mevrouw geen Duits? dacht ik steeds. Spreek toch gewoon Duits! En ook dacht ik: is dit dus een operatie? Eerst de hel, dan word je in één klap weggemaakt en je komt in een soort limbo weer bij, een ontstellend fijne limbo, waar alles piept en zingt en merkwaardigerwijs geen Duits spreekt. Ik heb me aan de rokken van de engel vastgeklampt toen men me naar de zaal reed. ‘Loslaten nu, meneer Bakker’, zei iemand, ik weet niet wie. Mijmeren. Loslaten. Nieuwe keuken. Vogelpoep en afgerukte populierentak. Wat kan er toch ongelofelijk veel gebeuren in een mensenleven.