Onbeschrijflijk stil

Zoals Goethe de rust verbeeldt en Jacob Smits de zwijgzaamheid, zo geeft Dick Cassée de stilte weer.

De stilte in prenten van Dick Cassée, zoals bijvoorbeeld het olijfgrijze Arcadia, is eigenlijk onbeschrijflijk. Misschien is dat een vreemde observatie – maar steeds weer als ik een prent onder ogen krijg fascineert mij de roerloosheid erin. Zo is er ook muziek, van Bach bijvoorbeeld, waarvan de klanken zo ijl zijn dat ze de vertoning zijn van de stilte zelf. Toch is alles ook helder: aan hoe de buigzame vormen in de witte ruimte van het blad verdeeld zijn kun je zien dat ze voortkomen uit lang en stil kijken naar het landschap. Cassée is daarbij veel aan het werk in kleine schetsboekjes waarin hij waarnemingen noteert – dat wil zeggen contouren en volumes van wat zijn aandacht trekt, en de dispositie in de ruimte. Omdat zijn idioom al zo’n zestig jaar dat van de abstractie is, is hij natuurlijk ook zo gaan kijken. Vanaf het moment dat een vorm hem opvalt, begint hij te tekenen en te abstraheren. Dat laten de schetsboekjes goed zien. Het maken daarna van een prent is een behoedzaam proces van verdere reductie waarbij de vormen ontdaan worden van elk visueel rumoer. Het is die manier van terughoudend formuleren die ik stilte noem. Het bekende gedicht van Goethe begint: Über allen Gipfeln/ ist Ruh. Dat is dus, in de eerste drie woorden, eerst een oplopende spanning – dan volgt Ruh met die langere, lagere klank als van wegstervend geluid. Zo ook beeldt Cassée stilte uit of de lome stemming van een warme namiddag of invallende schemering – zoals, bijvoorbeeld, in Arcadia.

Ik weet ook niet precies waar de figuratieve motieven daarin vandaan komen en hoef dat ook niet te weten. De vormen die de kunstenaar uiteindelijk in vinyl heeft gesneden hebben een kronkelende contour zoals die van lichtplekken in kabbelend water of anders van grillige schaduwen. Hij laat die vormen, zou ik zeggen, over aan onze verbeelding – en ook daarom zijn ze dubbelzinnig gehouden. Hier speelde ook de techniek een rol: het snijden van de vormen in vinyl is iets wat langzaam en voorzichtig gebeurt, zeker als de fragiele contouren zo buigen en kronkelen. Daarna worden de losse vormen in hun compositie neergelegd. Dat neerleggen (voor het drukken) is nog een verdere stap in de mooie beschouwelijkheid van grafiek: toen dat gebeurde ontstonden er in de verticale groepering van wiebelende grijze vormen beneden in het witte blad tegelijkertijd een paar tussenruimtes. Daar gaan wit en grijs onnavolgbaar heen en weer, net zo geheimzinnig als bewegend licht en daardoor bewegende schaduw.

De afstand van de eerste notities in het schetsboekje naar uiteindelijk de gedrukte prent (ook nog in spiegelbeeld) zorgt er ook voor dat prenten als Arcadia zo atmosferisch contemplatief zijn en onbeschrijflijk stil dus. De tijd die het kost om een prent te maken is ook de tijd, eigenlijk, die een kunstenaar heeft om naar de groei van het beeld te kijken. Ik ken bijvoorbeeld een klein landschap, Les deux arbres, van Jacob Smits (die in 1888 van Rotterdam naar de Antwerpse Kempen was verhuisd). Het lijkt een studie van een landschappelijk detail. Er zijn grotere en, zogezegd, completere schilderijen van hem – donkere interieurs van Kempische boerderijen met een boerenfamilie aan tafel, als in De aardappeleters van Van Gogh, maar met minder schilderdrama en zwijgzamer. Midden in de achterwand van zo’n interieur van Jacob Smits zit vaak een raam met daardoor een blik op een helder landschap – precies als wat we in het kleine schilderijtje zien. Een lage horizon, twee bomen rechtsvoor, bomen links aan de horizon en daartussen een bocht in een zandweg. Eenvoudiger, als een kijkdoos, kan niet.

Maar waar de schilder echt op werkte (omdat hij er schilderkunstig geen genoeg van kon krijgen) was op de lucht. Hij begon beneden, onmiddellijk boven de horizon die extra met een donkere lijn is aangezet om het eerste wit steviger te maken. Verder naar boven is het kolkend wit, maar in het wit zit ook heel licht grijs, iets roze zelfs. Van bovenaf zien we flarden en passages van lichtblauw wit. De intensiteit van dit licht in de lucht is onbeschrijflijk. De schilderwijze is korrelig. De textuur bestaat uit heel korte, warrige penseelstreken met vrij dikke verf – meer nog een wirwar van stippen en toetsen zodat de verschillende bijna gelijke kleuren (wit, grijs, lichtblauw) optimaal in elkaar verweven raken en door elkaar vloeien. Dat losse gebruik van dikke verf en het door en door intensiveren van kleur had Smits afgekeken bij Van Gogh die hij zeer bewonderde. Maar Van Gogh had talent voor drama. Denk maar aan zijn schaterend gele korenvelden. Jacob Smits was voor zulke wilde kleuren veel te schuchter en te ooggetrouw. Hij bleef bij wat hij zag. Door langer te blijven kijken (en zich niet te laten afleiden) begon hij, net als op zijn manier ook Dick Cassée, steeds meer te zien. Daarin beleven deze kunstenaars hun avontuur – dat ons meevoert naar wat wij ook nooit zo gezien hebben.


PS Voor Jacob Smits kunt u terecht in Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunst, en verder in het Jacob Smits Museum in Mol (B). Van de grafiek van Dick Cassée is onlangs een prachtig boek verschenen bij Peter Foolen Editions, Eindhoven: www.peterfoolen.blogspot.com