Onbespreekbaar

HET DUIDELIJKE maar niet gemakkelijk te duiden plaatje dat hierbij staat afgedrukt, is een schilderij van Quint Buchholz, wiens werk vaak figureert op omslagen van de Duitse uitgeverij Hanser. In dat werk komen vaak boeken voor, dat bracht de uitgever op het idee een aantal auteurs te vragen iets bij een prent van hem te schrijven. Nu kun je je afvragen waarom zo'n gelegenheidsuitgave met het aanzien van een relatiegeschenk ook nog vertaald moet worden. Er verschijnen al zo veel boeken, te veel volgens sommigen.

Het gaat mij hier echter om een ander aspect: hoe maak je als bespreker je keuze uit de stroom van boeken die langskomt. Wat moet je over zo'n boek als dat van Quint Buchholz, BoekPrentenBoek, schrijven? Over dit plaatje en het bijschrift van Peter Híeg, trouwens de aardigste tekst uit het boek, valt wel wat te zeggen, maar hoe bespreek je zesenveertig tekstjes? Hoe bespreek je gebundelde verhalen, essaybundels, tijdschriftafleveringen, als die uit losse delen bestaan, of een bloemlezing van drie eeuwen Russische poëzie?
Er zijn boeken die zich eenvoudig niet (of niet eenvoudig) láten bespreken. Dat zegt weinig over de kwaliteit. Er zijn soms goede, juist heel goede boeken waarvan ik alleen maar kan zeggen dát ze goed zijn: lees het maar. Door mij uitverkoren - dat zou soms genoeg moeten zijn. Immers, wat te zeggen over de nieuwe Rabelais? Er bestond een schitterende oude vertaling van Sandfort. Onlangs zijn twee uitgeverijen los van elkaar begonnen met een nieuwe vertaling, in afleveringen. Bij Van Gennep is nu een deel met het Derde en Vierde Boek verschenen. Een bespreking heeft alleen zin wanneer alle vijf boeken er zijn. En dan nog, over zo'n klassiek boek valt niet gauw iets zinnigs, laat staan iets nieuws op te merken. Dat probleem doet zich vaker voor, bijvoorbeeld met verzamelde werken zoals nu een derde deel Boelgakov en Boenin.
IK HEB HET hier natuurlijk over het verschil tussen recensie en kritiek, tussen signaleren en bespreken. Afgezien van de inhoudelijke en functionele verschillen zijn er ook praktische. Van omvang bijvoorbeeld. In welke gevallen besluit een redactie een boek wel of niet te laten bespreken, en zo ja in welke vorm: die van een recensie of van een breder opgezette kritiek? De lezer weet niet of dit een besluit van de redactie of van de bespreker zelf is, terwijl die beslissing zelf al deel uitmaakt van de beoordeling. Zeker als een boek helemaal niet besproken wordt. Voor de redactie geen centje pijn: voor het ene boek tien andere. Zie het plaatje van Buchholz.
Maar laat ik mij beperken tot het besprekersleed. Ik noemde al de grote werken waar je eerbiedig omheen loopt. Maar het kan ook zijn dat je na een of twee keer over een auteur geschreven te hebben, niets nieuws meer te melden hebt. Of het gaat om herdrukken, soms van boeken die al sinds jaren niet meer te krijgen zijn. Zo komt een nieuwe uitgeverij uit Rotterdam, Aristos (die ook heel mooi een satire van Swift heeft uitgegeven, De boekenstrijd), met een herdruk van een van Coetzees vroegere boeken, In het hart van het land. Dat is mooi, temeer daar Coetzee het hier nooit goed heeft gedaan, hoewel hij trouw wordt uitgegeven, zij het nu eens door de een en dan weer door de ander. Maar ik heb net zijn nieuwste boek Jongensjaren besproken.
Een ander voorbeeld, de herdruk van een vertaling die mij indertijd moet zijn ontgaan. Een boek dat botweg Dagboek heet is ook weinig aantrekkelijk; nu heet het Het hoofdkussenboek van Sei Sh“nagon, op het buikbandje The pillow book - voor wie de film van Greenaway nog eens wil nalezen. Van dit dagboek van een Japanse hofdame uit de tiende eeuw is wel gezegd dat het als mengeling van genres een vroege moderne roman zou zijn geweest. In elk geval is het meer dan een curiositeit, meer dan een exotisch document ook.
Ondaatje is net als Coetzee een interessante auteur die het in Nederland voorheen niet goed deed. Na de verfilming van De Engelse patiënt maakt dan een herdruk van In de familie ook weer een kans. Een te goed boek om onvermeld te blijven, maar in een bespreking zou naar mijn smaak toch zeker ook het andere werk van Ondaatje betrokken moeten worden.
DAT GELDT zeker ook voor boeken die vertaald worden omdat ander werk van de auteur een succes is gebleken. Dat is ongetwijfeld het motief geweest om van de Noor Jostein Gaarder (De wereld van Sofie) en de Italiaan Allessandro Baricco bijboeken te vertalen. Van Gaarder Vita brevis, een ideetje: laat een jeugdliefde van de heilige Augustinus een brief aan de kerkvader schrijven, en laat de uitgever dat ‘een erotische liefdesgeschiedenis en een filosofisch traktaat in een’ noemen. Van Baricco, hier geannonceerd als Italiaans 'wonderkind’, verscheen een tot boek ('Internationale bestseller’) opgeklopt verhaal, Zijde, dat ik na een week al compleet vergeten ben. Over te veel gesproken.
Daar hoort wat mij betreft ook een belegen roman van de filmer Bergman bij, Vertrouwelijke gesprekken. Als voorlezer in deze krant ben ik geneigd dit soort uitgaven gewoon te negeren; een meer principiële reden is dat de aandacht daaraan besteed ten koste van andere boeken gaat. Dat geldt voor alle slechte boeken, bijvoorbeeld voor de stroom van meestal door vrouwen voor vrouwen geschreven kitschverhalen zoals Orlanda van Jacqueline Harpman: over een vrouw die Virginia Woolf leest op een station en prompt haar mannelijke helft bezit ziet nemen van een mooie blonde schuinsmarcheerder die ze toevallig ziet. De moed om zo'n draak ook nog Orlanda te noemen.
Van meer belang zijn de boeken die zich om inhoudelijke redenen niet zomaar laten bespreken, meestal wat genre aangaat moeilijk te plaatsen boeken, eerder van essayistische dan strikt theoretische aard. Voor het bespreken van studieboeken zijn er meestal wel specialisten te vinden. Dat zeg ik wel, maar wie kan nu nog Fenomenologie van de waarneming van Merleau-Ponty aan, na vijftig jaar eindelijk vertaald. Wie daarover wil schrijven, moet het ook nog eens over de fenomenologie in Nederland en een halve eeuw filosofiegeschiedenis hebben.
Nog later komt de vertaling van een ander beroemd boek, De morfologie van het toversprookje van Vladimir Propp. In een kritiek zou ik dan wel willen lezen wat de lotgevallen van het boek in die zeventig jaar zijn geweest sinds het voor het eerst verscheen, en wat deze studie na het structuralisme en de semiotiek nu nog waard is. Ik kan mij ook voorstellen dat iemand verschillende recente uitgaven op elkaar betrekt: Zin in verhalen, een niet zo erg originele reader van stukken over diverse verhaalvormen, ook op gebieden als natuurkunde en medicijnen; Van Aladdin tot Zwaan kleef aan, een lexicon van sprookjes in de onvolprezen Sun-reeks Van-Tot. Wie het in zo'n stuk over de verrassende actualiteit van het vertellen wil hebben, kan er ook nog de verzameling lezingen en opstellen van Ben Okri, Een vorm van vrijheid, bij betrekken. Wie durft dat aan? En wat is 'actualiteit’?
Waarschijnlijk blijven deze boeken onbespreekbaar, net als het zoveelste deel Op zoek naar de verloren tijd of boeken over Blanchot of over de Spaanse roman na 1975. Het zal minder van de individuele besprekers dan van het initiatief van letterenredacties afhangen of bepaalde boeken besproken (kunnen) worden of niet. Zoals ook van hun beleid afhangt of de kritiek definitief plaatsmaakt voor de journalistieke benadering: recensie of interview of vermelding of verzwijging. Nou ja definitief, in NRC Handelsblad lijkt de laatste tijd de kritiek juist weer meer ruimte te krijgen.