Onbestemdheid

‘Het weer is raar en onbestemd, wat natuurlijk betekent dat ik me volslagen onbestemd voel.’

Ik vind het raar weer vandaag. Grauw en vochtig, wind is er ook, aan de bomen langs de Ertshaven te zien waait die uit het westen. Ik stel me voor hoe het 350 kilometer verderop is, geholpen door de Weatherpro, die kostte 4,99 in de App Store, dus die hoort het heel goed te doen. Daar schijnt de zon, maar de temperatuur is ongeveer gelijk. Een graad of twintig. Het weer is raar en onbestemd, wat natuurlijk betekent dat ik me volslagen onbestemd voel. Ik zie in gedachten buurman Herbert en buurvrouw Christin bezig zijn met hun hek, een gigantisch project om de twee Alaska-malamutes binnen te houden. Aslan en Teti. ‘Steek gerust je vinger door het hek, ze zullen eraan likken’, zei Christin onlangs. Dat deed ik niet, omdat Christin me nog nooit binnen heeft gelaten, wat ik niet begrijp, als die honden zo zachtmoedig en lief zijn. Dat is wat ze altijd zegt. Ze is bezig met een trilogie over de honden, om alle mensen die niets begrijpen van Alaska-malamutes van repliek te dienen. Ik heb de eerste drie bladzijden gelezen, ze vroeg me of ik dat wilde doen, waarop ik ferm ‘Nein’ zei, maar toch had ik ze een paar minuten later in de hand. Stil zijn ze zeker, als er al eens geblaft wordt, kijk ik op: er moet dan écht iets aan de hand zijn. Herbert en Christin hebben vers haar. Dat van Herbert is van grijs kastanjebruin geworden, dat van Christin van grijs blond. ‘Ze wil een jonge man’, zei Herbert toen ik hem vroeg wat er in godsnaam met zijn haar gebeurd was. Herbert is 64, Christin is 77.

Buurman Werner Blamberg zal ook wel rond zijn huis aan het rommelen zijn. Ik stel me Hakki voor, de vuilnisbak met het grijze en het bruine oog, hij zit graag op de steile heuvel, waarbij hij een bal met zijn poot vasthoudt. Gewoon rustig zitten, de bal onder controle. Laatst was Werner een paar borden met tekst aan het beschilderen, onder aan de heuvel. Toen liet Hakki de bal ineens los. De bal rolde door de natte verf. ‘Ik kon hem vermoorden’, vertelde Werner. Dat zal hij niet doen, want Hakki is de lieve van zijn twee honden. De andere, een enorm zwart beest dat Happy heet, is een moordenares. Ik heb tot vorige week gedacht dat het dier Eppie heette, maar buurman Werner mist een paar tanden, ik heb het domweg jarenlang verkeerd verstaan. Als Happy een andere hond ziet, moet die andere hond dood. Voor mensen is ze lief, vreemd genoeg. Ik loop de laatste tijd regelmatig met Hakki. Het dier heet Hakki omdat hij in het begin niet de hondensnoepjes maar de vingers die die snoepjes vasthielden en aanboden aanbeet. Ik wil Hakki graag hebben. Hij is lief, gehoorzaam, heeft de juiste maat (een kilo of twintig). Door met hem te gaan lopen, hoop ik iets in gang te zetten, bij de hond zelf, bij mezelf (steeds meer liefde) en bij Werner.

Ik zie het weer, ik denk aan de Eifel, ik heb heimwee naar van alles en nog wat, naar vroeger ook, en dan heet heimwee weemoed; ik ga op reis. Dit is die ene onbestemde dag vóór een reis. Zo’n wachtdag, zo’n dag waarop ik me afvraag waaróm ik eigenlijk op reis ga. Nou ja, ik ga mijn schrijversplicht vervullen, in Norwich. Er is daar een internationaal schrijversseminar. Drie dagen lang twintig schrijvers bij elkaar die gaan praten over Why we write, op basis van een stuk van George Orwell uit de jaren dertig, waarin hij stelt dat elke schrijver schrijft tegen totalitarisme en voor een democratisch socialisme. Zonder publiek. Bizar. Nutteloos misschien ook wel, en alles wordt betaald, de reis, het verblijf, we krijgen een honorarium. We zitten met z’n allen in een hotel en na een hele dag praten over waarom we schrijven, eten we ’s avonds ook nog eens met elkaar. Op donderdagochtend is er een uitje, en dan praten we denk ik niet over waarom we schrijven. We gaan dan met een boot de Broads op, een landschap dat bestaat uit ‘waterwegen, kanalen, moerassen en laagland’. Een beetje zoals Nederland, dus. Omdat ik toch in Engeland ben, plak ik er nog een dag of vier Noord-Wales aan vast. Dat is dus de reis: met de Eurostar – voor een beter milieu – erheen, met de trein van hot naar her, Mount Snowdon beklimmen, en dan met de Eurostar weer terug. En ik vraag me dus af waaróm dat allemaal zo nodig moet.

Jarenlang heb ik dat niet gehad. Jarenlang slikte ik pillen die het leven gladstrijken, die mijn doen en laten langs een min of meer rechte lijn lieten verlopen, die zorgden voor rust en een bepaalde mate van tevredenheid. Was mijn nieuwe pillenloze bestaan er de reden van dat de dienstreis naar Montpellier een maand geleden mij zeer slecht bevallen is? Een dienstreis met dertig collega’s, en de tweede nacht lag ik slapeloos in de troosteloze hotelkamer en ik dacht: ‘Ik ga nu Bas Pauw van het Letterenfonds bellen, hij moet me redden.’ Ik probeer me geen voorstelling te maken van Norwich. Ik laat het allemaal maar op me af komen. Er zal een schreeuwer bij zitten, een braller, dat is altijd zo tijdens schrijversseminars, en dan is er een tegengasgever en die twee bepalen de sfeer en daar moet ik me niet door van de wijs laten brengen. Daar komt nog bij: ik heb geen flauw benul van het waarom van mijn schrijven. Maar goed, ik heb niet voor niets al 56 jaar geleefd, waardoor ik inmiddels weet dat dat óók een soort waarom is. Niets is ook iets. Al mijn boeken gaan geloof ik over niets in een poging iets te betekenen. Dat moet ik onthouden. Onthouden en ter plekke in het Engels vertalen. Eens zien of ze daar van terug hebben. En – hoe onbestemd ik me nu, vandaag, ook voel – over twee weken ben ik weer terug, bevind ik me weer tussen buurman Herbert en buurvrouw Christin, buurman Werner en Aslan, Teti, Happy en Hakki. Het kan die mensen en dieren geen ruk schelen waarom ik schrijf.