DE CONSTRUCTIE VAN DE KLASSIEKEN DOOR PLOUTARCHOS

Onbeteugeld praten

Ploutarchos staat bekend als de grootste geleerde van zijn tijd. Maar hoewel hij ongelooflijk veel weet, is hij een oppervlakkig denker. Toch is hij voor classici een belangrijke informatiebron.

tekening: PJ Roggeband

PLOUTARCHOS
BEROEMDE GRIEKEN
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 496 blz., € 45,-

Medium opening 1

Het verleden is er niet, evenmin als de toekomst. Het verschil tussen beide theoretische constructies ligt hierin dat we aannemen dat het verleden er ooit geweest is, terwijl we nooit zeker weten of er na nu nog iets komt. De toekomst hebben we nodig als reden om op de been te blijven, als een visioen van een beter leven. Om plannen te kunnen maken zijn we aangewezen op ervaringen uit het verleden, dat we reconstrueren met het oog op wat we willen bereiken. Geschiedenis is geen wetenschap, maar een vorm van literatuur die betekenis geeft aan de onbegrijpelijke levens die we leiden in een onkenbaar universum. Daarom wordt de geschiedenis traditioneel tot het domein van de letteren gerekend. Een geschiedwetenschap die slechts oog heeft voor aantoonbare feiten, verzaakt de taak die haar essentie is.
Een van de meest succesvolle reconstructies van een betekenisvol verleden is de ‘klassieke Oudheid’. Deze periodeaanduiding getuigt van diep ontzag voor wat al vijfhonderd jaar een ijkpunt van het Goede, Ware en Schone is. Parthenon en Capitool, Homeros en Vergilius, Thoukydides en Tacitus, de spreekwoordelijke soepelheid van het Grieks en de compactheid van het Latijn – wie er niet in thuis is, heeft geen recht van spreken waar het om cultuur gaat. Zo denken althans de meeste classici erover, en vreemd genoeg ook veel mensen die niet meer dan een glimp van de Oudheid hebben opgevangen. Waar komt die absurde status van mijn vak toch vandaan? Propaganda? Marketing? Krijgen kinderen die Grieks en Latijn leren een groter aandeel in inzicht, geluk, moreel besef en materiële rijkdom dan wie de wortelaoristus en de ablativus absolutus aan zich voorbij laat gaan? Dat is niet erg waarschijnlijk. Toch is het een feit dat de Oudheid goed verkoopt, wat niet het geval zou zijn als alle klassieke auteurs keizers zonder kleren waren (al verheugen met name ontklede keizers zich in een grote belangstelling). Het Hellas van Perikles en het Rome van Augustus mogen ingenieuze constructies van denkers, dichters en cineasten zijn, kennelijk hebben we ze nodig om te begrijpen wie we zijn.
Voor wie nadenkt over het concept van de klassieke beschaving is Ploutarchos (circa 46-120 na Christus) een interessant geval. Deze Griekse veelschrijver en – dacht hij zelf – filosoof, een tijdgenoot van Tacitus, woonde in een stoffig Grieks provincieplaatsje, waar hij een oeuvre van reusachtige omvang bij elkaar schreef. Van de meer dan tweehonderd boeken die hij geproduceerd zou hebben is ongeveer de helft verloren gegaan, maar wat we over hebben beslaat in de tweetalige Loeb-editie nog altijd 27 delen. Dat Ploutarchos bekendstaat als de grootste geleerde van zijn tijd is bepaald geen reclame voor die periode, want hoewel hij ongelooflijk veel weet, is hij een oppervlakkig denker zonder enig gevoel voor stijl en compositie. Veel van zijn boekjes zijn opsommingen van niet heel boeiende weetjes, doorgaans gelardeerd met ten minste twee irrelevante citaten per alinea. Die citeerlust maakt hem voor classici tot een onschatbare bron van informatie over filosofen en dichters wier geschriften niet zijn overgeleverd, maar spannende lectuur vormen Ploutarchos’ traktaten doorgaans niet.
Het meest leesbare project is de reeks Parallelle levens, een verzameling beknopte biografieën waarbij steeds een Griek aan een Romein is gekoppeld. Alkibiades en Coriolanus, Demosthenes en Cicero, Alexander de Grote en Caesar: het is een galerij van Grote Mannen, een museum van imposante borstbeelden, niet in de eerste plaats bedoeld als betrouwbare weergave van de geschiedenis, maar als reservoir van inspirerende dan wel afschrikwekkende voorbeelden. Ploutarchos’ historische methode blijkt uit een veelzeggende episode uit het leven van de Atheense wetgever Solon (begin zesde eeuw voor Christus), die een bezoek gebracht zou hebben aan de Lydische koning Croesus; het verhaal is vooral bekend geworden in de versie van Herodotos. ‘Van zijn ontmoeting met Croesus denken sommigen op basis van de chronologie aan te kunnen tonen dat ze verzonnen is. Maar ik vind het niet juist een verhaal dat zo beroemd is en zo veel getuigen heeft en, wat nog belangrijker is, zo goed bij het karakter van Solon past en zijn grote geest en wijsheid waard is, te verwerpen op grond van bepaalde zogenaamde chronologische tabellen, die tallozen tot op de dag van vandaag proberen te corrigeren zonder dat ze de tegenstrijdigheden ook maar enigszins met elkaar in overeenstemming kunnen brengen.’ Zo rangeert Ploutarchos de dorre wetenschap op een zijspoor om ruimte te scheppen voor een Groot Verhaal: hier zien we hoe aan het begin van de tweede eeuw de klassieke Oudheid doelbewust wordt geconstrueerd.
Ploutarchos heeft vanaf de zestiende eeuw een moeilijk te overschatten invloed uitgeoefend op ons beeld van de gezichtsbepalende figuren uit de Oudheid, doordat de Parallelle levens steeds in kort bestek een verzameling aansprekende anekdotes en saillante oneliners ten beste geven. Montaigne en Shakespeare, Rousseau en Goethe hebben er rijkelijk uit geput, en nog altijd komen Ploutarchos’ typeringen in vele schoolboeken en wetenschappelijke publicaties terug, niet zozeer omdat ze enige historische grond hebben, als wel omdat er vaak geen andere bronnen beschikbaar zijn.
Een mooi voorbeeld is de biografie van Lykourgos, een Spartaanse wetgever van wie we zelfs niet bij benadering weten wanneer hij geleefd heeft, gesteld dat hij überhaupt een historische figuur is en niet een mythische heros. De staatsinrichting van Sparta heeft altijd een gevaarlijke fascinatie opgeroepen bij politieke denkers als Plato, Cicero en Machiavelli. Dat het militaristische stadstaatje nog altijd tot de verbeelding spreekt, blijkt uit de karikaturale film 300 van Zack Snyder. Ploutarchos grijpt het fictieve leven van Lykourgos aan om zijn bewondering voor het Spartaanse leven te uiten. De wetgever vindt dat opgroeiende jongens spaarzaam met hun woorden moeten omgaan, want ‘zoals zaad van mannen die zich ongeremd aan seks overgeven meestal steriel en onvruchtbaar is, zo maakt onbeteugeld praten het gesprek leeg en inhoudsloos’. Hij ‘wende de burgers eraan om niet te verlangen naar een privé-leven en daar zelfs geen weet van te hebben, maar als bijen altijd vergroeid te zijn met de gemeenschap en, samendringend rond hun leider, bijna uitzinnig van enthousiasme en eerzucht, geheel en al aan het vaderland toe te behoren.’ De Spartanen hoeven niet te werken, want daar hebben ze ‘heloten’ voor, de geknechte inwoners van de Peloponnesos, die formeel als vijanden beschouwd worden en straffeloos gedood mogen worden. Buitenlanders zijn in Sparta niet welkom, want ‘tegelijk met vreemde mensen komen onvermijdelijk vreemde gedachten binnen, en nieuwe gedachten brengen nieuwe vormen van beoordeling met zich mee. Daaruit komen vanzelf weer veel gevoelens en voorkeuren voort die niet in harmonie zijn met de bestaande staatsinrichting. [Lykourgos] meende de stad dan ook eerder te moeten behoeden voor de binnenkomst en verspreiding van slechte gewoonten dan voor die van zieke mensen.’ Waar hebben we dat vaker gehoord?
Ronduit verbluffend is de inleiding tot de biografie van Demosthenes, een tamelijk foute man die terecht de naam heeft de grootste redenaar uit de Oudheid te zijn. Er bestaat geen Grieks proza dat vlammender, gemener en overrompelender is dan de redevoeringen van Demosthenes, maar Ploutarchos zegt daar niets zinnigs over. Dat is des te vreemder omdat hij het leven van Demosthenes heeft gecombineerd met dat van Cicero, eveneens een dubieus staatsman met talent voor opzwepend taalgebruik. Ploutarchos’ kennis van het Latijn hield echter niet over: ‘Pas laat, op gevorderde leeftijd, ben ik begonnen met het lezen van Romeinse literatuur. (…) Gevoel te ontwikkelen voor de schoonheid en snelheid van de Romeinse stijl en voor de metaforen en het ritme en de andere ornamenten van de taal lijkt me wel aantrekkelijk en niet zonder genoegens, maar de gedegen training daarvoor is geen eenvoudige opgave, en geschikter voor mensen met meer vrije tijd en op een leeftijd die zulke ambities nog toestaat.’ Wat Ploutarchos hier doet is kenmerkend voor een classicistische instelling: de grootheid bezingen van wat je niet kent en begrijpt, maar waarvan je hebt horen beweren dat het zo fantastisch is.
Het is nutteloos voor de mens, zegt Ploutarchos, ‘dingen te bekijken die hem niet tot navolging uitnodigen of vervoeren tot een verlangen en een impuls om hetzelfde te doen’. En zoals ‘voor het oog een kleur geschikt is die door frisheid en aantrekkelijkheid de blik stimuleert en voedt, zo moeten we het oog van onze geest richten op objecten die hem door hun charme uitnodigen tot wat bij uitstek goed voor hem is’. Hoewel op de frisheid van Ploutarchos’ proza veel valt af te dingen, is dit boek, in de uitstekende vertaling van Hedwig van Rooijen-Dijkman, de moeite van het lezen zeker waard, vooral waar hij exemplarische anekdotes vertelt. Maar naar psychologisch inzicht of een hechte structuur zal men tevergeefs zoeken. Na een niet ter zake doend detail over Perikles’ vriendin Aspasia zegt Ploutarchos: ‘Dit alles komt bij mij op onder het schrijven en het zou misschien onnatuurlijk zijn het te verdringen en over te slaan.’ Waarschijnlijk is dat tevens de makke van classici: anders dan de zwijgzame Spartanen weten ze niet wanneer ze hun mond moeten houden.