Deel #11 Nachtwandelen door Beirut

Onbewuste vooroordelen

In een zoektocht naar creativiteit, humanisme en vooruitgang loopt filosoof Ralf Bodelier dit jaar een omgekeerde kruistocht van Jeruzalem in Israël naar Bouillon in de Belgische Ardennen. In deel 11: nachtwandelen door Beirut.

De lezer heeft het allang door: in deze blogs wandel ik nog onbekommerd door het Midden-Oosten terwijl de regio al wekenlang op slot zit. Inderdaad schrijf ik deze stukken half maart en op dat moment ben ik nog maar amper met corona bezig. Dat gaat me nog lelijk opbreken.

Het valt me natuurlijk op dat elk land dat ik verlaat op slot gaat; maar in het land waar ik vervolgens weer rondwandel, is nog niets aan de hand. Israël gaat zo ongeveer dicht op het moment dat ik in Tel Aviv het vliegtuig neem naar Cyprus. Cyprus kondigt maatregelen af wanneer ik opstijg richting Libanon.

In deze blog verlaat ik Libanon richting Turkije. Feitelijk loopt de route via Syrië. Omdat ook kruisvaarder Godfried van Bouillon in 1098 door Syrië trok, overwoog ik diezelfde route, zij het dan in omgekeerde richting. Maar Godfried was een ruige ridder en reisde met een heel leger door een op dat moment vredige streek. Ik ben een brave burgerman en zou met enkel een rugzak door een oorlogsland wandelen. Daarom vlieg ik maar om Syrië heen. En nu is het middernacht. Ik ben op weg van de wijk Mar Mitr in het centrum van Beiroet naar de Rafic Hariri-luchthaven in het zuiden van de stad.

Zelden werden mijn vooroordelen bij een land zo op de proef gesteld als in Libanon. Het waren, zoals dat meestal gaat, onbewuste vooroordelen. Mijn beeld van Libanon bleek volledig bepaald door scenes uit de Libanese burgeroorlog (1975-1990). Later werden ze aangevuld met beelden uit de bezetting van Libanon door Syrië (1976-2005). Vervolgens waren er televisiebeelden van de oorlog tussen Hezbollah en Israël (2006) die in zuid-Libanon werd uitgevochten. Libanon was een van de vele moslimlanden waar het altijd heibel is, waar een Kalasjnikov onder ieders bed ligt en waar maar weinig nodig is om het kruitvat te laten ontploffen.

Kortom, Libanon lag dan wel op mijn route, maar hoe plezierig zou het zijn om rond te reizen in een land waar mensen elkaar zo onbekommerd afslachtten? Waar straatarme vluchtelingen weinig te verliezen hebben? Tel daarbij op dat Libanon economisch aan de grond zit, dat het land onbestuurbaar lijkt door politiek en religieus sektarisme en dat de regering tot op het bot corrupt is; en je vraagt je af of het niet beter is om, net als Syrië ook Libanon over te slaan.

Eenmaal in Beiroet volgen ingrijpende correcties. Bij een kop koffie met Ana van Es, Volkskrantcorrespondente voor het Midden-Oosten, wordt mijn beeld van een gevaarlijke stad meteen geruimd. ‘Ja, de stad zit nog onder de kogelgaten’, zegt Ana. ‘Maar vandaag is Beiroet simpelweg veilig.’ Zelf wandelt Ana, vrouw, jong en tenger, ook ’s nachts door de Libanese hoofdstad. ‘In Amsterdam is dat lastiger. ‘s Nachts heb je daar altijd gedoetjes. In Beiroet laat iedereen je met rust.’

Niet veel later dringt het tot me door dat in dit Arabische land veertig procent van de bevolking christelijk is. In het oosten van Beiroet vind je heel wat meer Mariakapelletjes vol brandende kaarsen dan in Limburg. Libanon blijkt een religieus mozaïek met alleen al achttien officieel erkende religies, waaronder het jodendom, de Druzen, vier islamitische varianten en maar liefst twaalf christelijke stromingen.

Vervolgens opent Amin mijn ogen. Bij Amin, handelaar in landbouwproducten, huur ik een kamer. En hoewel zélf moslim, studeert Amin ’s avonds in The Story of the Jews van Simon Schama. Eerder las hij Fields of Blood. Religion and the History of Violence van de voormalige katholieke non Karin Armstrong. Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik een dergelijke interesse niet verwachtte. Niet bij Nederlandse moslims en al helemaal niet bij Libanese. Amin vertelt dat Libanon in religieus opzicht tolerant is. Reden ook, waarom het land als een toevluchtsoord fungeert voor vervolgde minderheden, waaronder Assyriërs en Koerden uit Irak of Kopten uit Egypte. Vandaag is maar liefst één op de drie inwoners van Libanon vluchteling. Kom er eens om in Nederland waar één op de zestig mensen een vluchtelingenstatus heeft.

En dan is er nog het moment waarop ik me realiseer hoe lang het alweer geleden is dat er burgeroorlog was in Libanon. Meer dan de hélft van de Libanese bevolking heeft geen actieve herinnering aan die oorlog. Dat kwartje valt in een praatje met de 18-jarige Rebecca. Vanzelfsprekend weet ze waarover ik het heb. Maar zíj is nooit beschoten. Rebecca hoefde nooit hoeven weg te duiken, zij is nooit bedreigd.

Rebecca doet dit jaar haar eindexamen, gaat uit, maakt selfies voor haar Instagram en verwijst me voor meer informatie naar haar vijftigjarige moeder Marie-Antoinette die 20 was toen de burgeroorlog eindigde. Voor Rebecca is de oorlog geschiedenis, zoals ze geschiedenis is voor iedere Libanees van onder de dertig.

En nu zit Libanon er weer op. Het is middernacht en ik sjouw dwars door Beiroet naar de luchthaven. Mijn vlucht naar Turkije vertrekt om half vier in de ochtend en tegen half twee hoop ik op het vliegveld te zijn. Een volle maand zwervend, vragend en studerend door Libanon geeft me voldoende vertrouwen om ook door de wijken te lopen die op alle kaartjes gevaarlijk rood oplichten. Wijken die allemaal Palestijnse vluchtelingkampen blijken te zijn, waaronder Sabra, Sjatila en Burj El-Barajneh.

De lenteavond is zo warm dat mijn trui en fleecejack in de rugzak blijven. Het is een tocht van amper tien kilometer en hij slingert door oude en nieuwe wijken. Vervallen panden vol granaatgaten staan dommig naast frisse en ranke gebouwen uit aluminium en ragfijn beton. In hun kwetsbaarheid ontroeren ze me. Hun ontwerpers gingen optimistisch uit van een Libanon zonder kogels en mortieren.

Het is aardedonker, maar de stad ademt intens. In werkplaatsen wordt gelast, gefreesd en getimmerd. Terrassen zitten vol, uit eettenten drijft de geur van kebap en manakish. In stadsparken zie ik de contouren van stelletjes, verstrengeld op bankjes. Ik loop langs autokerkhoven en winkelcentra, passeer check points en gevechtswagens van het leger, trek langs groen uitgelichte moskeeën en kerken met kruisen van knipperend neon.

Ik doorkruis Sabra en Sjatila, de Palestijnse kampen waar christelijke milities, gedoogd door Israël, in 1982 een bloedbad aanrichtten. Tegen de muren hangen enorme afbeeldingen van voormalig PLO-chef Yasser Arafat en Hezbollah-leider Nasrallah. Enkele kilometers verder, voor de ingang van vluchtelingenkamp Burj al Barajneh, hebben Palestijnen enorme foto’s neergezet van breed lachende strijders met machinegeweren. Burj al Barajneh is niet alleen het meest deplorabele kamp in Beirut, het geldt ook als bolwerk van Hezbollah. Nu is het vooral een drukke nachtmarkt, met af en aan rijdende busjes en bromfietsen.

Overal maak ik foto’s. In het duister van de nacht lijkt niemand me op te op te merken. Nog een volle kilometer en ik ben al op het vliegveld. Langs de kant van deze weg staan plots bestelbussen met open achterklep. Aan die klep klemmen lampen die licht werpen op forse koffiezetapparaten. Doorlopend stoppen automobilisten. Voor minder dan een euro nemen ze een bekertje koffie en een flesje water mee.

Ook ik ben aan koffie toe. De bemanning van deze rijdende koffietent bestaat uit drie Syrische vluchtelingen. Jongens uit Aleppo, twee broers en een neef. Ze hebben familie in Nederland en via Google Translate wisselen we ervaringen uit. De jongens staan erop dat ik, reiziger uit het gastvrije Nederland, niets voor de koffie en het water betaal. Ze moesten eens weten. Hun geste raakt me. Maar ditmaal weiger ik. Al te vaak ben ik in Libanon in de watten gelegd door mensen die vrijwel niets te besteden hebben. We omhelzen elkaar.

Wanneer ik even later het vliegveld binnenloop, tonen grote televisieschermen het bericht dat in Libanon een ‘medische noodtoestand’ wordt afgekondigd. Over drie dagen gaat ook dit vliegveld op slot. Ik zal het niet meemaken. Morgen ben ik in Turkije. En daar is van Covid-19 geen sprake.