Architectuur

Onbezwaard door ideologie

Architectuur: het oeuvre van Van Ravesteyn

Sybold van Ravesteyn (1889-1983) zat als architect tussen twee stoelen. De ideologische gevechten van eerdere generaties doen achteraf onwaarschijnlijk en soms een beetje komisch aan. Zo ook de strijd tussen het «nieuwe» en het «traditionele» bouwen in het Nederland van de vorige eeuw. Waar ging het ook weer over? Iets met puntdaken versus platte daken en baksteen tegenover beton. Wie maalt er nog om? Toch was het destijds geen goed idee een eigen weg te gaan tussen beide kampen in, zoals Van Ravesteyn deed. Dubbele hoon was zijn deel. Er is de afstand der jaren voor nodig om zijn verdiensten objectief te kunnen bekijken.

Dat kan nu, dankzij het oeuvre-overzicht dat de stichting Bonas, gelieerd aan het Nederlands Architectuur Instituut in Rotterdam, onlangs publiceerde. Het is een handzaam cahier dat aan de hand van vele foto’s met bijbehorende sobere objectbeschrijvingen Van Ravesteyns werk in kaart brengt. Werk dat hoofdzakelijk bestond uit utiliteitsarchitectuur: kantoren, stations, seinhuizen, elektriciteitscentrales, benzinepompen en garages. Een kolfje naar de hand van de ingenieur die Van Rave steyn was, maar hij was méér. Een goede architect moest volgens hem ook kunstenaar zijn en niet louter functionaliteit nastreven. Het oog wilde ook wat. En zo, na een aantal streng zakelijke bouwwerken, ontstond het interieur van de Utrechtse mecenas en bibliofiel Radermacher Schorer (1927), waarin hij gekromde wanden aanbracht in een rechthoekige ruimte, deuropeningen van boven afrondde en die omlijstte met sierlijke messingstrips. Een geheel van koele elegantie, even functioneel als mooi.

In de jaren dertig, die wel zijn «barokke» periode worden genoemd, greep Van Ravesteyn terug op de vormentaal van de zeventiende en achttiende eeuw, waarmee hij de eerste postmoderne architect in Nederland werd. Het interieur van schouwburg Kunstmin in Dordrecht (1939) is niet zozeer gebouwd als wel geboetseerd, met golvende lijnen, geschulpte plafonds en trappen die als cascades uitvloeien. Een droom- en feestarchitectuur, een paleis der illusie waardig. Een zelfde hang naar het theatrale kenmerkt Diergaarde Blijdorp in Rotterdam (1940), met zijn berentheater en leeuwenterras, waar de dieren als acteurs tussen fantastische betonnen coulissen paraderen.

Wonderlijk is dat Van Rave steyn ook in zijn meest uitbundige jaren een aantal puur functionele gebouwen als seinhuizen en stroomcentrales ontwierp, waarbij het decoratieve is teruggebracht tot een enkele gebogen vorm, een rond raam of een strook glazen stenen. Juist dat kameleontische, onbezwaard door ideologie, maakte hem verdacht bij meer rechtzinnigen.

Voor zijn laatste meesterwerk, het Centraal Station in Rotterdam (1941-1953) vond Van Ravesteyn opnieuw inspiratie in zijn geliefde Italië, dit keer bij het modernisme. De luie bocht waarmee het ge bouw het stationsplein afsluit, de geraffineerde gevelopbouw met veel aandacht voor licht- en schaduwwerking, de monumentale lege hal met zijn schalenplafond, de sierlijke betonnen perron overkappingen, het heeft allemaal een on-Nederlandse zwier. Of beter: dat had het. Binnenkort zal er niets meer van over zijn.

Hoe inventief Van Ravesteyn ook in het kleine was blijkt uit de benzinestations die hij in de jaren vijftig voor Purfina ontwierp. Al deze nederige gebouwtjes zijn verschillend, maar in hun frisheid stralen ze eenzelfde aanstekelijk optimisme uit. Ook zij zijn voor het merendeel afgebroken, zoals zo veel van het werk van Van Ra vesteyn. Het maakt dit boek extra kostbaar, als een herinnering aan de rol van durf en plezier in de architectuur.

Meike Scharlemann en Jan-Derk Koudijs: S. van Ravesteyn (1889-1983). Stichting Bonas, e 18,-