Once in eternity

Een fotootje op Twitter: een vrouw op een ambulancebrancard, verbonden aan slangen en apparaten, omringd door medisch personeel, in het Rijksmuseum, onder een laat zelfportret van Rembrandt, want dat wilde de stervende vrouw nog zien.

De tentoonstelling wordt in commercials aangekondigd als ‘once in a life time en misschien wel once in eternity’, dus ja, als je het ook in een volgend leven niet meer kan, dan moest die vrouw snel zijn.

Ik dacht aan Ben Lerners debuut Leaving the Atocha Station, waarin de verteller zich vrolijk maakt over mensen die een ‘profound experience of art’ nastreven. Zou deze vrouw bij deze late Rembrandt iets ervaren wat de gemiddelde selfiesticktoerist ontgaat?

Ik dacht aan Marcel Proust die in 1921 doodziek was en in Parijs, in een klein museum bij de Tuilerieën, Vermeers Gezicht op Delft zag en dat bijna niet na kon vertellen, maar gelukkig lukte dat op de valreep nog net: hij verwerkte zijn ervaring in De gevangene waar de terminale schrijver Bergotte onder het doek dood neerviel, nadat hij extatisch bij één geel muurvlak was blijven stilstaan dat hem in één slag duidelijk had gemaakt: ‘Zo had ik moeten schrijven!’

Met ‘zo’ bedoelde hij: met al die verschillende kleurvlakken over elkaar heen, lagen van herinnering en associatie waar je doorheen tuimelt en die toch één levend geheel vormen.

Ik dacht aan de toeristen met hun selfiesticks die ik vorige week in die Tuilerieën zag, en die samendromden in de krankzinnig lange slingerrijen voor het Louvre. Een beveiliger was in discussie met een Japanner die klaagde dat het te lang duurde. ‘If you don’t shut up, I will throw you out, sir.’

Ik had vooraf al kaarten gekocht, maar ook de rij voor die ingang was ontmoedigend lang. Wie eerst gemangeld is in metrostellen, omringd door al die afgematte gezichten, daarna een uur in een wachtrij heeft gestaan, tussen toeristen die allemaal even geïrriteerd en moe zijn, kan wel dag zeggen met z’n handje tegen die mooie profound experience of art.

Het Louvre lijkt op het Boekenbal: je passeert onwaarschijnlijk boeiende zielen maar echt contact maken doe je niet

Later in de middag was de rij verdwenen en konden we erin. Het Louvre lijkt op het Boekenbal: je passeert voortdurend allerlei onwaarschijnlijk boeiende zielen maar echt contact met ze maken doe je niet. Hooguit maak je een afspraak voor een later tête-à-tête. In het geval van die kunstwerken: je neemt je voor ze later eens te Google-Image’en om er langduriger naar te turen.

Met die diepgaande kunstbelevenis is het een beetje zoals in die Sjef van Oekel-strip, waarin de held een bordeel uit stapt en zijn gezelschapsdame meevraagt in de auto. Wijzend op zijn geslacht: ‘Klaarkomen doe ik liever thuis op m’n gemak. Houdt u hem zolang even aan de praat?’

Daarom ben ik ook niet vies van reproducties. Ik kocht laatst een Matisse-poster die boven de piano hangt en waar ik meer in gezien heb dan in alle doeken uit het Louvre en het Orsay samen. De replica is wezenlijker dan het origineel.

Ik dacht aan Schubert die vlak voor hij stierf een van de late strijkkwartetten van Beethoven wilde horen, opus 131, waarover hij zei: ‘Wat valt er hierna nog te schrijven?’ Tegenwoordig schuif je een cd’tje – in wezen ook een replica – in een la, maar in 1828 moest je drie violisten en een cellist optrommelen.

Ik was jaloers op de manier waarop mensen twee eeuwen geleden muziek of schilderijen ervaren moeten hebben. Ze kénden de werken vaak nog niet, waardoor kunstbeleving veel meer ontdekking was dan verificatie, en leefden bovendien in een wereld die nog geen visueel bombardement was van billboards, plasmaschermen en verkeerssignalen, een wereld zonder onophoudelijk machinaal gebonk en gedreun – waardoor de zintuiglijke impact veel intenser moet zijn geweest.

Voor een schilderij, een muziekstuk of een roman moet je jezelf eerst in de juiste mentale toestand brengen, en dat is een steeds moeilijkere opgave, zeker voor mensen die niet terminaal ziek zijn of in de bankjes van een crematorium zitten (de enige plaats in onze samenleving waar klassieke muziek nog een werkelijk betekenisvolle rol heeft).

’s Avonds luisterden we naar kamermuziek in de Opéra Bastille en ik merkte dat alleen de langzame delen me werkelijk iets deden. Daar kwam ik pas ‘in’ de muziek, in plaats van dat ik die van buitenaf bekeek. Zo is het ook met die Matisse boven mijn piano: daar kan ik ‘in’ komen terwijl ik bij de doeken en sculpturen in het Louvre een buitenstaander blijf.

‘In’ het kunstwerk zijn wil zeggen: de illusie hebben het zelf mee te componeren of te schilderen, als een huis dat je rondom opbouwt terwijl je op je stoel blijft zitten als een spin in het web. En tegen iedereen die geluid maakt wil je zeggen: ‘If you don’t shut up, I will throw you out.’