«Vertel dit toch aan niemand»: Leven aan het hof

Onder Beatrix

Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra
«Vertel dit toch aan niemand»: Leven aan het hof
Mouria, 190 blz., 18,50

Hoe treurig kan een leven zijn – onderworpen, afhankelijk, eenzaam, sneu. Dat denk je onvermijdelijk als je leest over het leven van Henriëtte van de Poll, een negentiende-eeuwse freule die hofdame werd van koningin Emma. Een leven van zelfopoffering in een harde, koude omgeving. Veel zien, veel slikken en vooral zwijgen. Als jonge vrouw komt deze Henriëtte aan het Oranjehof en blijft er haar verdere leven, ongetrouwd, absoluut toegewijd, als een soort non. Ze ziet er de paleisterreur van Willem III, de schrik en de angst die hij inboezemt, ze beschrijft in haar brieven aan haar ouders wat er gebeurt aan het hof, het korset van het protocol en de rituelen, de gevoeligheden rond rangen en standen, het voortdurend bewaken van de eigen plaats in de rangorde, en dus de angst om de gunst van koning Gorilla en zijn echtgenote te verliezen. De brieven die Henriëtte naar huis schreef, vormen de basis van het boek van Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra over dit hofleven. Door hun sociologische behandeling van het materiaal wordt de lezer bijna door medelijden bevangen.

Hermans en Hooghiemstra beschrijven het hof als een gesloten systeem, een «totale institutie», waar doen en laten door de «dwangen» van dat systeem verklaard worden. De auteurs hebben zich duidelijk laten beïnvloeden door het werk van sociologen als Elias en Goffman. Henriëtte en de andere hovelingen wonen niet in paleizen omdat ze dat zelf zo leuk vinden, maar omdat de belangen van hun families daarmee gediend zijn. Ruimte om zelf iets te willen is er nauwelijks. Henriëtte is bescheiden en terughoudend, heeft een minder uitgesproken karakter dan een jonge barones die gelijktijdig haar intrede doet op het paleis. Volgens de auteurs is dit geen toevallig verschil: de baronale Van Ittersums zijn van oudere adel en zoiets geeft meer zekerheid. De zelfmoord van een broer van Henriëtte brengt niet alleen verdriet maar ook schande over haar familie. Dit doet haar besluiten aan het hof te blijven en verder niet in te gaan op avances van aristocraten die een oogje op haar hebben. Zo kan ze laten zien dat de Van de Polls in de gratie zijn gebleven. Loyaliteit aan de eigen en de koninklijke familie staat haar hele leven voorop, familieomstandigheden dwingen haar.

Het verhaal dat Hermans en Hooghiemstra over de freule vertellen, eindigt min of meer bij die dramatische gebeurtenis. Die maakt haar intrede in het Oranjeklooster definitief. Wat er daarna met haar gebeurt – als Emma regentes is en als Wilhelmina de troon bestijgt – wordt nogal afgeraffeld, terwijl Henriëtte dan nog decennia voor de boeg heeft. Erg bevredigend is dat niet, het beeld van de hoofdpersoon blijft nogal vlak. Was er nooit opstandigheid? Had ze nooit spijt van haar keuzes? Valt er niets meer te melden over al die jaren in de schaduw van de koningin-moeder?

Uit het nagelaten materiaal van de freule viel kennelijk geen volledige biografie te produceren. En ook de informatie over het Nederlandse hofleven die ons via freule Van de Poll bereikt is weinig verrassend. Dat Willem III een onberekenbare bruut was, erg gierig bovendien, is bekend. Dat zijn tweede echtgenote een aangenamer karakter had, maar nooit vergat dat ze vorstin was en bepaald geen gewoon mens, is ook niet nieuw. Nieuwe feiten over het reilen en zeilen van het hof, de relaties met de politiek, worden niet gepresenteerd. Anekdotes over ’s konings wandaden zijn op de vingers van een hand te tellen en zijn weinig schokkend. Hij bezuinigde zo op de verwarmingskosten in het paleis dat de hofdames zaten te bibberen, lezen we. Aan tafel wist hij het altijd beter. Als het over iets nieuws ging als elektrisch licht moest ook zijn Emma het niet wagen hem tegen te spreken.

Wat het boek van Hermans en Hooghiemstra bijzonder maakt is vooral het tweede deel, waarin huidige nazaten van collega’s van de freule aan het woord komen over het hofleven onder Beatrix. Dat is ruim honderd jaar later. Wat is er gebeurd met de adel aan het Nederlandse hof? Zijn daar nog steeds aristocratische figuren als de trouwe Henriëtte, uit familieplicht dienend en door en door toegewijd aan de Oranjes? Hoe denkt men tegenwoordig in dat adellijke milieu over Oranje? Hoe verplicht voelt men zich? Op zoek naar antwoorden volgden de auteurs een mooi idee en kozen een schilderij als uitgangspunt. Het staat afgebeeld op het uitklapbare omslag: Wilhelmina met haar moeder bij haar inhuldiging, omringd door hovelingen, onder wie Henriëtte van de Poll. Van de nazaten van de 38 afgebeelde aristocraten wisten de auteurs vijftien personen te traceren, van wie de meesten bereid waren mee te werken.

Rechtstreekse banden met het hof zijn er nauwelijks. De huidige vorstin laat zich niet exclusief door adel omringen. Zoals bekend heeft zij haar hof al direct bij aantreden hervormd en gemoderniseerd. Er is tegenwoordig weinig adel meer aan het hof. Verdwenen zijn de dragers van de oude namen niet, maar het is niet te vergelijken met wat het was onder Emma of Wilhelmina. Uit de gesprekken die de auteurs in de adellijke wereld hielden, blijkt dat die verwijdering met gemengde gevoelens bezien wordt. De geïnterviewden hebben over het algemeen wel begrip voor de doorgevoerde democratisering ten koste van hun families, maar regelmatig klinkt ook teleurstelling en soms bitterheid. «Het is ons milieu niet meer.» Als het dan per se zoveel democratischer moet, waarom dan al die nieuwe adellijke titels? Prinses Mabel, prinses Laurentien – de partnerkeuze vindt men niet gelukkig en die verheffingen licht belachelijk. Dit is zo ongeveer de hardste kritiek die uit de adellijke monden komt, verder blijft het allemaal heel discreet en voorzichtig wat er over de Oranjes gezegd wordt. Die terughoudendheid komt interessant genoeg soms ook voort uit angst, want een paar keer blijkt dat Beatrix en haar familieleden heel lelijk kunnen doen tegen getrouwen – zeker als zij uit de school klappen. Voorbeelden van zulk vorstelijk «uit de slof schieten» worden overigens niet gegeven. En dat zegt iets over de greep van de Oranjes op het oude establishment. Maar of het verlies van de bevoorrechte posities van weleer nu in de levens van deze adellijke dames en heren zo’n blijvend verdriet teweeggebracht heeft – nee, die indruk krijg je niet.

Over het adellijk milieu in Nederland is niet veel bekend. Daar is zo langzamerhand wel wat verandering in aan het komen, onder meer door het pleidooi van de socioloog Jaap Dronkers voor meer wetenschappelijke aandacht, maar veel serieuze pogingen om deze wereld te beschrijven en te begrijpen heeft dit nog niet opgeleverd. Met Vertel dit toch aan niemand wordt weer iets van die wereld ontsluierd, ook al is het niet zo erg veel. Het verhaal is vaardig geschreven, maar of het een representatief portret van de hedendaagse adel in Nederland is, weet ik niet.

Het beeld rijst van een enigszins mokkende verzameling dames en heren, veelal woonachtig op een flatje, geen vetpot meer, herinneringen ophalend aan een jeugd in kastelen met personeel voor van alles en nog wat, beschaafd zwijgzaam over alles wat intiem is en zich met moeite maar monter door het harde leven slaand. Declassering en statusverlies. Een onttroond milieu. Maar of dat een juiste typering van de Nederlandse adel is, valt te betwijfelen. Afgaande op wat Jaap Dronkers laat zien, is de maatschappelijke positie van dit milieu nog altijd buitengewoon sterk, in ieder geval sterker dan je zou verwachten. De adel van Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra beantwoordt – door hun selectie, manier van bevragen of redigeren – iets te veel aan het clichébeeld.

Als stut van de troon heeft de Nederlandse adel afgedaan, niet uit eigen onwil maar door het maatschappelijk aanpassingsgedrag van de Oranjes. Adel hoeft niet te moderniseren, Oranje wel. In Nederland is de adel een historisch instituut waarvan de wetgever vindt dat het mag verdwijnen, in tegenstelling tot het koningschap. Dat dwingt Beatrix «modern» te zijn. Overigens onderhielden haar voorouders al in de Republiek een precaire relatie met de Hollandse aristocraten. De al dan niet geadelde patriciërs vormden een bedreiging voor de vorstelijke ambities en moesten via coalities met het gemene volk op afstand gehouden worden. De huidige vorstin is niet de eerste «principaal» van het Oranjehuis die, als het om elites gaat, heel goed weet waar haar belangen liggen.