Egodocument: Raadselvader

Onder begeleiding naar school

In Raadselvader stelt Jolande Withuis zich de vraag wie haar vader, vooraanstaand schaker en hartstochtelijk lid van de CPN, nu echt was en beschrijft ze hoe het was om op te groeien in een communistisch gezin in de Koude Oorlog. Een voorpublicatie van fragmenten.

Medium anp 3800167
Het neerslaan van de Hongaarse opstand door Russische troepen in 1956 bracht vele verontwaardigde Amsterdammers ertoe de ruiten van Felix Meritis in te gooien © ANDRE VAN DEN HEUVEL / ANP

Vlegels

Voor een goed begrip van de situatie waarin de communisten, en dus ons gezin, tussen eind jaren veertig en eind jaren zestig belandden, moet ik hier kort de politieke ontwikkelingen schetsen. In de democratische staten van West-Europa heerste na mei 1945 de vrees dat de sovjets na hun victorie in Berlijn verder westwaarts zouden marcheren. De opstelling van de westerse communisten hielp niet die angst te temperen. Zij verdedigden de agressieve politiek van hun Oost-Europese broederpartijen en de ideologische gelijkschakeling in de Oost-Europese landen. Met haar steun aan de machtsgreep in Tsjechoslowakije van februari 1948 verspeelde de cpn ook de laatste restjes welwillendheid. De partij kwam alleen te staan tegenover alle andere politieke stromingen. ‘Praag 1948’ ontketende een ware strafexpeditie tegen de ‘antinationale vlegels’, zoals de latere premier De Quay de communisten in maart 1948 omschreef.

In Amsterdam werden de twee communistische wethouders afgezet, van wie de een onze latere huisarts Ben Polak was, die als joods verzetsman de oorlog had overleefd in de onderduik. De partij moest uit de belangrijkste Kamercommissies, haar moties werden ongeacht de inhoud door geen enkele andere partij gesteund. De zendtijd voor radio en later tv werd de ‘marionetten van Moskou’ ontnomen en er werd een beroepsverbod ingesteld.

Het vooroorlogse ambtenarenverbod had ook gegolden voor rechts-extremistische organisaties. Nu, in 1951, werden alleen de communisten uitgesloten van functies in overheidsdienst. De door enkelen pro forma naar voren gebrachte bezwaren van grondwettelijke aard werden door minister-president Willem Drees weersproken met het argument van de staatsveiligheid. Vervolgens verklaarden in het voetspoor van de overheid velerlei particuliere verenigingen (zoals het nvv, de voorloper van de fnv) hun lidmaatschap onverenigbaar met dat van de partij.

Het ‘communist’ zijn werd voor de wet ruim gedefinieerd. De lijst van verboden organisaties bevatte naast de cpn ook met de partij verbonden clubs als de vrouwenbeweging nvb, de jeugdbeweging anjv, Verenigd Verzet, comités van concentratiekampoverlevenden en culturele organisaties als de Vereniging Nederland-ussr. Dat de ‘Eenheidsvakcentrale’ (evc) uiteindelijk niet op de lijst werd gezet, was omdat in Amsterdam het lagere gemeentepersoneel in grote meerderheid lid was van de evc, zodat een verbod problemen dreigde op te leveren voor de continuïteit van de tram, de stadsreiniging en de elektriciteitsvoorziening.

De cpn hervatte in reactie op deze maatregelen haar ondergrondse routine. Voor leden die in verband met hun baan geen lid mochten zijn, werd een aantal ‘geheime’ partijgroepen ingesteld, zoals de ‘onderwijsgroep’. Abonnees die De Waarheid niet langer openlijk durfden te ontvangen, kregen de krant voortaan bezorgd in een kale bruine envelop, zonder adres en zonder afzender. De eens zo populaire krant was zo dun geworden dat hij opgevouwen in een envelop op briefkaartformaat paste. De vermomming zal de bvd niet om de tuin hebben geleid, al was het maar omdat de Dienst Waarheid-lopertjes af en toe van hun adressenboekje beroofde.

Ook mentaal hernam de partij haar illegale instelling. Zoals dat gaat in oorlogssituaties wapenden de communisten zich niet louter voor de strijd tegen externe vijanden. In eigen gelederen heerste een even gespannen en achterdochtige sfeer. Naarmate de vijandigheden van buitenaf toenamen, werden de rijen strakker gesloten en twijfelaars harder uitgestoten. Hoofdredacteur Koejemans werd ontslagen met het argument dat zijn politiek was beïnvloed door ‘kleinburgerlijke en wankelmoedige stemmingen’.

Huwelijkse voorwaarden

‘Kleinburgerlijke en wankelmoedige stemmingen’ werden in het gezin waarin ik even later mijn intrede zou doen, net zo min geaccepteerd. De overtuiging dat zij opnieuw in oorlog verkeerden en opnieuw doelwit waren van vervolging doordesemde het gezinsleven van de communisten. Hun is vaak paranoia verweten, en inderdaad gedijden sommige partijbestuurders in een klimaat van ziekelijke achterdocht, maar de maatregelen die de overheid deze jaren in petto had, gaven wel degelijk reden voor ongerustheid. De militante sfeer in de gezinnen van partijmedewerkers raakte vermengd met angst en wantrouwen.

Zo trouwden mijn ouders in april 1948 onder huwelijkse voorwaarden. Mijn moeder droeg een zelfgemaakt mantelpakje, mijn vader een geleend kostuum en nieuwe schoenen die hij in bruikleen had van een oom die schoenmaker was. In hun armoede verschilden ze niet van hun generatiegenoten. Wel afwijkend was dat ze niet in gemeenschap van goederen trouwden. Voor gewone mensen, die helemaal niets bezaten, was dat hoogst ongebruikelijk. Trouwen onder huwelijkse voorwaarden deden alleen de rijken – mensen die meer geld, huizen en spullen bezaten dan dat ene boekenkastje dat mijn moeder bij elkaar had gespaard van het salaris van haar eerste baan en waarop ze haar leven lang zo trots bleef dat ik het zeventig jaar later niet over mijn hart verkreeg dit erfstuk geen plek in mijn huis te gunnen.

Mijn vaders gereformeerde familie was onthutst dat er bij zijn huwelijk geen ‘ontvangdag’ zou zijn – mijn ouders hielden geen receptie – en dat de bruid geen witte jurk droeg en zelfs geen hoofdbedekking. Nog ongewoner en in de ogen van de familie zelfs abnormaal, was de regeling dat de schamele spullen en gelden die mijn ouders bezaten of in hun toekomstig leven zouden verwerven alle op naam zouden komen van mijn moeder. Gehuwde vrouwen waren anno 1948 niet ‘handelingsbekwaam’; zij mochten zonder toestemming van hun man geen financiële handelingen verrichten; dat recht kregen ze pas in 1956. Mijn tante en mijn oma spraken tegenover mij als kind dan ook schande van de huwelijksafspraken van mijn ouders. God had De Man nu eenmaal het Hoofd der Echtvereniging gemaakt, en bovendien, zeiden zij: ‘Als je echt van elkaar hield, dan deelde je alles.’

Dat laatste maakte toen ik een jaar of tien was wel indruk. Het bracht me aan het aarzelen. Bewees het arrangement waarop mijn ouders zo trots waren omdat dit hun geëmancipeerde instelling uitdrukte dat communisten inderdaad niet tot liefde in staat zijn? Dat was in die jaren de gangbare opvatting, de strekking ook van de talloze Amerikaanse B-films van het genre I Married a Communist, die ik toen natuurlijk nog niet kende, maar die goed illustreren dat het communisme in de hoogtijdagen van de Koude Oorlog gezinnen en families verscheurde. Communisten hadden niet louter afwijkende politieke opvattingen. Zij vertegenwoordigden het echte Kwaad.

Communisten hadden niet louter afwijkende politieke opvattingen. Zij vertegen­woordigden het echte Kwaad

Het zat anders. De huwelijkse voorwaarden waren geen daad van liefdeloosheid maar juist van zorg, zij het zorg binnen het gegeven kader van mijn vaders communistische invulling van zijn leven. Mijn ouders gingen er, toen ze in het voorjaar van 1948 trouwden, van uit dat mijn vader in de toekomst wel eens kon worden opgepakt en dat dan zijn bezit zou worden geconfisqueerd; hij wilde zijn vrouw en eventuele kinderen niet berooid achterlaten. Mijn moeder was het er zonder twijfel mee eens. Hoog als zij opgaf van zelfstandigheid en realiteitsbesef wantrouwde zij elk romantisch vertrouwen in een prins op een wit paard die haar leven voortaan zou regelen. Zij week demonstratief af van het type vrouwen dat de door haar verafschuwde damesbladen als Libelle en Margriet las en bevolkte. Die kwamen er bij ons thuis niet in. Die bladen niet en die vrouwen bij voorkeur ook niet. Over gezinnen waar de vrouw wekelijks huishoudgeld kreeg toebedeeld en vaak niet eens wist hoe ze een giro moest invullen of hoeveel haar man verdiende, sprak mijn moeder neerbuigend. Niet zij ontving huishoudgeld, mijn vader kreeg zakgeld.

De financiële regeling, zoals mijn ouders die in 1948 hadden getroffen, is altijd gecontinueerd, omdat mijn vader altijd zijn handen heeft willen vrijhouden voor, zoals hij zei, ‘de revolutie’, en zich bovendien door de rechtsstaat nooit beschermd heeft geacht. ‘Het moderne staatsapparaat is slechts een comité dat de gemeenschappelijke zaken van de gehele bourgeoisie beheert’, schreven Marx en Engels, en zo zag hij dat. Met zijn wezenlijke gevoel van onveiligheid was ik van jongs af aan geïnfecteerd. Eens viel ik een gat in mijn hoofd bij het koppeltjeduikelen op een speelplaats in de buurt. Met mijn hand op de bloedende wond liep ik de lange straat uit naar huis, waar ik met besmeurde kleren aankwam. Niemand had onderweg geholpen of gevraagd wat er was gebeurd. Zelf had ik ook niemand aangeklampt. Ik was vijf en wist: wij zijn de vijand.

Medium p3 b 1947
Meppel 1947, de redactie van De Waarheid, Berry Withuis in het midden met hond © Uit Raadselvader / De Bezige Bij

Jongensdroom

Dankzij de bvd weet ik dat onze verhuizing naar Amsterdam plaatsvond op 27 november 1950, drie weken voor de geboorte van mijn broertje. Wij kwamen te wonen in een klein bovenhuis aan de mooie Willem de Zwijgerlaan in West. In de eerste naoorlogse jaren werkten op de Amsterdamse redactie van De Waarheid nogal wat kunstenaars en intellectuelen voor wie de partijdiscipline niet al te zwaar woog. Volgens voormalig hoofredacteur, later Tweede-Kamerlid Marcus Bakker (in 1983 in zijn memoires) had Koejemans ‘te veel gekeken naar literair-journalistieke kwaliteiten’, maar ‘daarmee redde je het niet in een tijd waarin kilheid en bitterheid gingen overheersen’; dan had je ‘vechtjassen’ nodig, die ‘gebouwd waren op scherpe keuzen’.

In 1950 was de sfeer van vrijheid-blijheid op de Waarheid-redactie wel verdwenen. Heeft mijn vader toen gehoopt dat de verwachtingsvolle romantiek van die eerste tijd zou terugkomen of heeft hij zich ingegraven in de ijzerenheinige communistische manier van reageren? Communisten cultiveerden een collectieve houding van onkwetsbaarheid, die tot uitdrukking kwam in uitspraken als: ‘Natuurlijk zijn ze altijd allemaal tegen ons; wij willen ze immers hun bezit afpakken.’ Op de politieke aanvallen reageerde mijn vader inderdaad meestal schouderophalend, soms verongelijkt. Sowieso was Nietzsche’s ‘Was mich nicht umbringt, macht mich stärker’ een van zijn lijfspreuken. De goedgemutste bohemien met zijn luide lach die mijn vader óók was, vond vermoedelijk grotendeels onderdak bij het Verenigd Amsterdams Schaakgenootschap, het vas, de club waarvoor hij vanaf 1950 in de vaderlandse ‘hoofdklasse’ speelde.

Potige portiers

Tot de dag van vandaag laat het me niet onberoerd als ik de brede stenen treden bestijg naar de majestueuze voordeur van gebouw Felix Meritis, Keizersgracht 324, decennialang befaamd als hoofdkwartier van de cpn. Het telefoonnummer 62565 was het eerste dat ik uit mijn hoofd kende. De sfeervolle, imponerende tempel van de revolutie werd beschermd door potige portiers – meestal in de bokssport geoefende bouwvakkers of havenarbeiders. Een van hen, de man die tevens dienst deed als chauffeur van partijleider Paul de Groot, had, geheel in stijl, een ingeslagen boksneus. Het diepe ontzag waarvan ik bij binnenkomst van het enorme pand vervuld raakte, strekte zich uit over iedereen die in dit heiligdom werkte. Zij hadden immers het fascisme verslagen.

Gebouw Felix Meritis – ‘Gelukkig door Verdiensten’ – was eind achttiende eeuw ter bevordering van cultuur en wetenschap opgericht door een verlicht liberaal genootschap onder diezelfde Latijnse naam. De cpn had het in 1947 aangekocht via de stichting ‘Bepenak’, wat stond voor Behartiging Belangen Pers Nederlandse Arbeidersklasse.

Ondanks, maar ook wel dankzij alle tegenwind bloeide tussen 1950 en 1965 ‘op Felix’ een geheel eigen communistische cultuur, die werd beleefd als verheven, inspirerend en verbindend. Het qua inhoud eenduidige aanbod was in vorm gevarieerd. Op zondagochtend hield ‘Paul’ regelmatig een leerzame, opwekkende lezing. Hij werd gezien als een echte erudiet. Toen ik als studente zelf zulke lezingen van de leider mocht meemaken, ervoer ik hoe gulzig iedereen zijn uitleg van de wereld opzoog. Dat die altijd ons gelijk bevestigde en uitliep op onze uiteindelijke overwinning verzachtte de benarde realiteit. Op zaterdagmiddagen gaf een Russische grootmeester dan wel mijn vader soms een schaaksimultaan.

Op woensdag- en zaterdagmiddag werden er voor de kinderen Russische kinderfilms gedraaid, was er poppentheater of trad kindercircus Elleboog op. Hun ouders konden genieten van oude en nieuwe sovjetklassiekers zoals Sergej Eisensteins stomme Pantserkruiser Potemkin over de Russische soldatenopstand van 1905, uit 1925, en het liefdesdrama uit de Tweede Wereldoorlog Als de kraanvogels overvliegen, uit 1957. Er was cabaret van Uut en Ber Hulsing met hun ‘Ballade van de schoonmaakster’, en arbeiderszangvereniging Morgenrood voerde de Stalincantate uit en zong communistische evergreens als het concentratiekamplied ‘Wir sind die Moorsoldaten’ en het Russische Partizanenlied:

Slechts die bukkend voor de slagen
en berustend in ’t gareel
alle smaad en hoon verdragen
blijft de slavernij ten deel.
*

Het partijbestaan bood een even gevuld als gecontroleerd sociaal leven dat het leeuwendeel van de toch al niet overvloedige vrije tijd van de leden opslorpte. Een papieren cpn-lidmaatschap was niet goed denkbaar. Altijd waren er campagnes, demonstraties, scholingsavonden, ledenvergaderingen, conferenties en congressen, waar je niet zomaar kon wegblijven. Altijd moest er geld bij elkaar worden gebedeld voor ‘partij en krant’. Voor Kerst en Pasen en aan het begin van de zomer, wanneer de ‘werkers’ hun vakantiegeld ontvingen, werd er bij de krant een envelop ingestoken. Die ‘Kerstenvelop’, ‘Paasenvelop’ of ‘Vakantie-envelop’, gevuld met kwartjes, dubbeltjes en een hoogst enkele keer papiergeld, moesten de partijleden vervolgens gaan ophalen. Nauwgezet werd geregistreerd van welke adressen de gevulde envelop nog niet binnen was; daar moest worden ‘nagerooid’. Waren alle enveloppen binnen, dan werd de opbrengst geteld op een gezellige avond met tombola in het ‘afdelingsgebouwtje’, waarbij de spanning erin werd gehouden met tussenstanden. Het eindbedrag werd door een afgevaardigde naar Felix overgebracht, waar men de landelijke campagnestand bijhield.

Raadselvader

Sociologe en schrijfster Jolande Withuis (1949) is de dochter van de bekende schaakjournalist Berry Withuis (1920-2009). Hij groeide op in een gereformeerd gezin en ontwikkelde zich tot overtuigd communist en redacteur van dagblad De Waarheid. Zij werd grootgebracht met haar vaders politieke overtuiging, maar werd als volwassene een vermaard critica van het communisme. In Raadselvader: Kind in de Koude Oorlog (De Bezige Bij, 256 blz., € 19,99), dat deze week verschijnt, reconstrueert ze zijn levensgeschiedenis

Was er geen campagne voor geld, dan moesten de partijleden lange lijsten adressen aflopen met het verzoek of iemand zijn of haar naam onder een verklaring of oproep wilde zetten. Er waren handtekeningenlijsten tegen de gratiëring van oorlogsmisdadiger Willy Lages, voor de herdenking van de Februaristaking, om cpn te stemmen, enzovoort. Zo’n handtekening zetten was niet gratuit. Veelal werden zulke namenlijsten gepubliceerd in De Waarheid, waarmee de ondertekenaar publiek te boek stond als communist of fellow traveller – met alle schadelijke gevolgen van dien. In de lijn van Lenins concept ‘nuttige idioten’ – naïeve sympathisanten die Lenin kon inzetten en manipuleren om misstanden in de jonge Sovjet-Unie te vergoelijken – werd door partijgenoten onderling over dergelijke welwillende buitenstaanders met weinig respect gesproken.

Verder moesten er altijd wel brochures aan de man worden gebracht over actuele en historische onderwerpen, en kaarten worden verkocht voor evenementen als lezingen, verkiezingsavonden en het Waarheid-Zomerfeest, waar mijn vader wederom simultaan speelde. Christelijke feestdagen vierden communisten in het algemeen niet. Zij hadden eigen feest- en gedenkdagen: op 8 maart Internationale Vrouwendag, op 1 mei de Dag van de Arbeid. Of de Russische Revolutie werd herdacht hing af van de partijlijn van dat moment en was derhalve onvoorspelbaar.

‘Het kan toch niet, mevrouw Timman, dat die Withuis met uw zoon Jan meegaat. Die man is een communist’

De belangrijkste data op de communistische kalender waren de oorlogsherdenkingen. Naast 4 en 5 mei waren dat de herdenking van de Februaristaking, van de herbegrafenis van Hannie Schaft in november, en van de bevrijding van de kampen Auschwitz in januari en Buchenwald, Ravensbrück en Sachsenhausen eind april. De bevrijding van Dachau viel buiten de plechtigheden, aangezien het Dachaucomité niet in handen was van partijleden en dus als anticommunistisch werd beschouwd.

Anders dan de christelijke feestdagen werden communistische feesten en herdenkingen niet binnen de afzonderlijke gezinnen gevierd maar collectief. Als gezin vielen wij enigszins tussen wal en schip, want aan christelijke feestdagen deden we niet, maar aan de collectieve communistische festiviteiten net zo min. Mijn ouders hielden niet van feesten. Ze ‘hadden wel wat beters te doen’. Mijn vader onttrok zich aan directe betrokkenheid bij de cpn-massa door bij partijevenementen simultaan te spelen. Mijn moeder hield zich helemaal verre van kermisachtige massa-aangelegenheden als de Zomerfeesten. Zij was afkomstig uit de vooroorlogse Arbeidersjeugdcentrale, waarmee ze rond 1935 op zondagen demonstratief in korte broek door het zwaar christelijke Staphorst had gemarcheerd. In de sociaal-democratische ajc had ze genoten van het volksdansen, kamperen, zingen en mandoline spelen. Ideologisch gezien stond ze ver links van de pvda en paste ze bij de cpn, maar ze had een hekel aan de proletarische Jordaancultuur die, naast de meer verheven politieke cultuur, in het Amsterdamse partijdistrict de toon zette. Met haar seksegenoten in de cpn, die vaak huisvrouw waren of hun haar toupeerden, had ze evenmin affiniteit.

Gemalen peper

De Koude Oorlog tussen de communisten en de rest van Nederland bereikte zijn climax in 1956. In dat jaar brak voor mijn ouders een echte warme oorlog uit.

Max, bijna zes, en ik, zeven, mochten sedert de grote vakantie de route van huis naar school en terug zelfstandig afleggen. Hij naar de kleuterschool, ik naar de tweede klas van de lagere school. Aan het eind van de Willem de Zwijgerlaan moesten we linksaf, de Jan van Galenstraat in, waar naast elkaar onze scholen lagen. Zo konden we die met slechts één oversteek veilig bereiken. Maar in november mocht dat opeens niet meer. Mijn moeder ging ons weer brengen en halen. Achteraf heb ik begrepen waarom. Het was niet omdat we bij het oversteken van de Reinier Claeszenstraat niet netjes eerst links en dan rechts en dan weer links hadden gekeken. Het was omdat communistische gezinnen werden bedreigd. 1956 was een cruciaal jaar – in de wereld, voor de cpn en voor ons gezin. Het begon eind februari toen de Russische partijleider Nikita Chroesjtsjov in een geheime rede op het twintigste cpsu-congres de massamoorden en decennialange terreur van Stalin onthulde – precies de verhalen die waren aangezien voor vijandelijke laster. Triomfantelijk verspreidde de Amsterdamse pvda de tekst huis aan huis.

Omdat de cpn bij de besloten beraadslagingen op het congres niet was genood, kon men zich nog even vastklampen aan de hoop dat Chroesjtsjov dit niet werkelijk had gezegd. Maar het was waar en in de westerse communistische partijen sloeg de crisis toe. Het aantal Waarheid-abonnees zakte tussen 1955 en 1960 van 50.000 naar 29.000. Leden zegden op of eisten discussie: wat betekende dit voor de marxistisch-leninistische leer? En voor de onvoorwaardelijke trouw aan de Sovjet-Unie, het land waar het socialisme was verwezenlijkt? Hoe mijn vader zich hierin bewoog, weet ik niet. Hij had de vertaling van Chroesjtsjovs rede in elk geval in zijn bezit.

Alsof die onthullingen voor één jaar nog niet genoeg ellende waren, vielen op 4 november troepen vanuit de Warschaupactlanden Hongarije binnen. Eind oktober was de Hongaarse bevolking in opstand gekomen tegen het communistische bewind. Een nieuwe, meer democratische regering, onder leiding van Imre Nagy, trad uit het Warschaupact. Nagy werd gearresteerd (en in 1958 geëxecuteerd), demonstranten werden gevangengezet, er vielen honderden doden. Hongaren ontvluchtten massaal hun land. In Nederland ontving koningin Juliana de vluchtelingen en doorbrak verzetskoningin Wilhelmina voor het eerst sedert haar aftreden haar strikte afzondering op paleis Het Loo.

De cpn omarmde de Russische bewering dat in Hongarije het fascisme de kop weer had opgestoken en stond derhalve achter het militaire ingrijpen. Daarmee riep ze een enorme volkswoede over zich af, die zich ook richtte tegen individuele communisten. Gezinnen van bekende communisten doken onder of kregen vanuit de partij bewaking. Horden mannen en jongens trokken protesterend op naar de partijgebouwtjes in den lande en in Amsterdam naar het partijbolwerk. ‘Felix op slot, de cpn kapot’, riep de meute strijdvaardig. De politie liet gewelddadige jongeren lang hun gang gaan. De ramen van de buitenlandredactie werden zelfs beschoten. Partijgenoten snelden van her en der toe om gebouwen, redacteuren en parlementariërs te verdedigen – stevige mannen genoeg in de cpn. De zachtmoedige André Roelofs gaf als ‘dakcommandant’ bevel een loodzware plaat draadglas op het plaveisel van de Keizersgracht te laten kletteren. ‘Een enorme klap en een afgrijselijk gegil. Het publiek is afgedropen, het gebouw werd ontzet. (…) We zouden zijn afgemaakt als het ze gelukt was binnen te komen’, vertelde hij veertig jaar later aan Volkskrant-verslaggever Jan Tromp (13 juli 1996).

De sociale uitstoting, die in 1948 was begonnen, werd in 1956 met dubbele kracht voortgezet. Tot speeltuinverenigingen en korfbalclubs aan toe werden communisten uit besturen en teams gezet. Dat lukte niet altijd. Zo meldde Trouw op 3 december 1956 dat het bestuur van het Verenigd Amsterdams Schaakgenootschap was afgetreden wegens ‘onenigheid over een schaker’. Het vas was in de jaren vijftig vermaard; het eerste tiental was tussen 1948 en 1965 twaalf maal landskampioen. Mijn vader speelde in dat kampioensteam. Half november had het bestuur van de club ‘in verband met de gebeurtenissen in Hongarije’ besloten hem niet meer op te stellen. Hierop weigerden, aldus Trouw, de overige spelers van het tiental ‘aan de competitieverplichtingen te voldoen’. Waarop het bestuur, teneinde ‘scheuring in de vereniging te voorkomen’, zijn maatregel introk en zijn ontslag aanbood.

Daarnaast werd in het schaakhuis een ‘dramatische vergadering’ gehouden over de door mijn vader opgezette jeugdtraining. De vraag was: ‘Wat doen we met Withuis. Kan een communist nog wel met onze jeugd in contact blijven?’ Ik weet dit dankzij een brief van een voormalig jeugdlid van het vas naar aanleiding van Zomergasten. In 1956 was hij zestien. Hij schreef verder: ‘lk weet nog dat daar zeer emotioneel over werd gesproken. lk kan mij niet herinneren of Uw vader daarbij aanwezig was, of hij onder druk gezet werd om de Russische inval te veroordelen. Maar op een gegeven moment stond Cortlever op, een grote, indrukwekkende man, een man met veel gezag in de vereniging. Hij sprak en toen werd het weer rustig. lk weet ook niet meer wat het eindoordeel was, maar achteraf gezien moet dit voor Uw vader, die het op de vereniging, voor zover ik weet, nooit over politiek had, een heel pijnlijke ervaring zijn geweest.’

Het spookidee dat het gevaarlijk was om kinderen bloot te stellen aan mijn vader waarde nog lang door Nederland. Elf jaar na ‘Hongarije’ zou de rijzende ster van het Nederlandse schaken, de zestienjarige Jan Timman, deelnemen aan het wereldjeugdkampioenschap in Israël. Er moest een schaakcoach tevens begeleider mee (het was net na de Zesdaagse Oorlog). De schaakbond stelde mijn vader voor en na een kennismakingsbezoek van Jan en zijn ouders werd daartoe inderdaad besloten. ‘Thuis in Delft’ veroorzaakte het bericht ‘enige ophef’, herinnerde Timman zich in 2009 in het schaaktijdschrift Matten. ‘Iemand uit de gegoede burgerij zei tegen mijn moeder: “Het kan toch niet, mevrouw Timman, dat die Withuis met uw zoon Jan meegaat. Die man is een communist.”’

Maar de ouders Timman betoonden zich ruimdenkender en de tijden waren aan het veranderen. Anno 1967, het jaar dat ik eindexamen deed, werd het politiek klimaat langzaamaan wat milder.

Of ik bang was, waar alle reden toe was aangezien niemand wist hoe het volksoproer zou aflopen, weet ik niet meer. Mijn vader was in de oorlogsdagen vanzelfsprekend ‘op Felix’. Hij vertelde later bitter-vrolijk hoe hij eropuit was geweest voor een reportage en onder begeleiding van agenten met getrokken pistool door de menigte heen het partijgebouw weer was ingeloodst. Zou dat waar zijn? Op het internet vind ik een onscherpe foto van mensen die met een politieman naast zich Felix verlaten. Een van hen zou mijn vader kunnen zijn, al maakt zijn stropdas dat minder aannemelijk. Die politiebegeleiding is er dus inderdaad wel geweest.

Mijn moeder weigerde manhaftig de door de Partij aangeboden beveiliging door een uit de kluiten gewassen arbeider. Haar gezin beschermen kon ze zelf wel. Ze had tenslotte in haar jeugd de vechtsport jiujitsu beoefend. Ze zette boven aan de trap onze metalen vuilnisbak en een zak gemalen peper klaar en eenieder die met kwaaie bedoelingen onze trap op kwam kon die vuilnisbak op zijn hoofd of de peper in zijn gezicht krijgen. Voorzover ik weet hebben wij, anders dan anderen, geen geweld ondervonden. Wel was op een ochtend de knop van de buitendeur met touw vastgebonden aan een andere deur, zodat mijn vader pas naar de krant kon toen de aan huis bezorgende melkboer ons had bevrijd.