Onder de helm

VALSE GETUIGENISSEN van hoofdpersonen in de zaak-Srebrenica, vernietigd bewijsmateriaal van oorlogsmisdaden, achtergehouden informatie, druk op medewerkers om de waarheid binnenskamers te houden: een doofpotaffaire. In een ingezonden artikel in NRC Handelsblad wordt het ministerie van Defensie met directe en indirecte beschuldigingen overladen door iemand die het kan weten: Bert Kreemers, jarenlang als voorlichter van Defensie verantwoordelijk voor de informatieverstrekking van zijn departement over Dutchbat en de val van Srebrenica.

De uitlatingen van Kreemers wekten beroering in de Tweede Kamer en vorige week donderdag werd besloten dat een beperkt parlementair onderzoek zal plaatsvinden naar de besluitvorming rond uitzending van Nederlandse troepen naar Srebrenica. Dat ging het CDA niet ver genoeg: de partij pleitte voor het houden van een parlementaire enquête, iets waar wijlen Maarten van Traa zich jarenlang voor heeft ingezet. Als het parlement zou besluiten na het korte onderzoek ook een parlementaire enquête over de zaak-Srebrenica te houden, wordt dat het vierde onderzoek naar de feiten rond de val van de enclave en de aan- en afloop ervan. Een intern onderzoek van de landmacht is afgerond en het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) zal rond medio 2000 een onderzoek afronden. Als het parlement besluit dat een enquête nodig is, rest echter de vraag wat er eigenlijk onderzocht moet worden. Vier hoofdvragen resteren in de zaak-Srebrenica; vragen omtrent het doofpotgehalte, het falen van Dutchbat, het uitblijven van luchtsteun en de politieke besluitvorming. Over het nut van het onderzoeken van de vragen verschillen deskundigen echter hartstochtelijk van mening. 72 UUR NA de val van de enclave, op 11 juli 1995, zitten twee Dutchbatters in Soesterberg met getuigenissen over de vele lichamen die ze hebben zien liggen op de wegen rond de enclave en over op moslims jagende Serviërs. Hun verhaal wordt stilgehouden omdat de meeste Nederlandse soldaten nog in Srebrenica gegijzeld worden gehouden. Als een dag daarop zeventien Nederlanders vrijgelaten worden, ondervraagt generaal Couzy hen in Zagreb. Hij vertelt de pers dat er nog niets kan worden gezegd over oorlogsmisdaden omdat de meeste Nederlandse soldaten nog in Servische handen zijn. Nadat ook zij vrijkomen houdt Couzy vol dat binnen het blikveld van Dutchbat eigenlijk niets is gebeurd. Niet alleen de pers, maar ook de Verenigde Naties worden onkundig gelaten van de waarnemingen van Dutchbat. Kofi Annan, binnen de VN verantwoordelijk voor vredesmissies, schrijft VN-gezant Akashi: ‘Ik heb niets over wreedheden van Serviërs gehoord van Dutchbat. De Nederlandse soldaten hebben de plicht om aan u te rapporteren wat ze gezien hebben.’ Het uiteindelijke debriefing-rapport van de landmacht verschijnt pas op 30 oktober. Ook in de nasleep van de affaire blijft het ministerie van Defensie uiterst omzichtig als het gaat om de waarnemingen van Dutchbat. De schijn van een doofpotaffaire wordt nog sterker als blijkt dat twee fotorolletjes met opnamen van Servische oorlogsmisdaden mislukken in een fotolab van Defensie, en ook een videoband met opnamen blijkt gewist. In februari van dit jaar spreekt Bert Kreemers als eerste insider van een doofpotaffaire bij het ministerie van Defensie. Frank Westerman, co-auteur van Srebrenica. Het zwartste scenario, was jarenlang een van Kreemers’ felste critici. Hij noemde Kreemers de spin doctor van Defensie, die informatie net zo lang verdraaide tot het gewenste resultaat bereikt was. Westerman: 'Ik kan de uitlatingen van Kreemers niet anders zien dan als een soort zelfbeschuldiging. Als er een doofpotaffaire is geweest, is de voorlichter daar hoe dan ook een centrale figuur in. Maar Kreemers zal denken dat hij er wel onderuit komt, omdat er mensen bij Defensie zijn die meer boter op hun hoofd hebben dan hij, dat mensen boven hem in de hiërarchie de hand hadden in het onder de pet houden van gegevens. Een van de kwalijkste dingen van de hele zaak-Srebrenica is dat er zo ontzettend verkrampt is gereageerd op meldingen door Nederlandse soldaten dat er oorlogsmisdaden werden gepleegd. Als VN-er heb je de plicht om oorlogsmisdaden te melden, als er nog de mogelijkheid bestaat die tegen te houden. De VN hadden kunnen eisen dat zij de mannen, die Dutchbat weggeleid had zien worden, weer terug wilden zien. Het melden van de Servische misdaden is stelselmatig niet gebeurd en de defensietop is daaraan schuldig: Meijling, Couzy, Voorhoeve en Van den Bremen, chef defensiestaf. Toen zij inzicht kregen in de omvang van de Servische oorlogsmisdaden, werd door hen besloten dat niet aan de grote klok te hangen. Daar krijg ik koude rillingen van.’ Jan Willem Honig, co-auteur van Srebrenica. Reconstructie van een oorlogsmisdaad, lacht als het woord valt. 'Een doofpot? Ach nee, dat meen je toch niet. Het ministerie van Defensie is wellicht het meest open ministerie van het land. Het ministerie is juist uitermate open geweest en heeft veel feiten naar buiten gebracht die eigen fouten lieten zien. Het is moeilijk vol te houden dat op het ministerie of in de defensietop een cultuur van zwijgzaamheid bestaat.’ Frank Westerman heeft toch veel gepubliceerd over het zwijgen van de defensietop, ook naar de VN toe, nadat de eerste tekenen van Servische oorlogsmisdaden naar buiten kwamen. Honig: 'Er is inderdaad door de militaire leiding weinig aandacht besteed aan de verhalen over oorlogsmisdaden in de eerste dagen na de val van de enclave. Maar volgens mij hadden de Dutchbatters zelf en hun leiding niet door wat er gebeurde en op welke schaal. Ze gaven dat dus niet goed door. Dat is dom en laakbaar, maar niet meer dan dat.’ Ook Bart Tromp, auteur van Verraad op de Balkan. Een kroniek, ziet de gebrekkige informatievoorziening door Defensie eerder als het gevolg van fouten dan van opzet. En daardoor is het niet interessant als onderwerp voor een parlementaire enquête. 'De fouten zijn niet waar het werkelijk om gaat in deze zaak. Bij elke grote organisatie gaat van alles mis en als een onderzoek zich daarop gaat concentreren, krijg je een verkeerd beeld van waarom de zaken werkelijk mis gingen. Het was na het rapport-Van Kemenade duidelijk dat er fouten waren gemaakt. Maar vervang in dat rapport het woord “Defensie” door “Schiphol” of “Justitie” en het klopt ook. Dat soort fouten zijn niet het belangrijkste bij een onderzoek naar de val van Srebrenica.’ ALS SERVISCHE troepen de enclave innemen, vluchten rond de 25.000 mensen naar de Nederlandse basis in Potocari, dat even buiten Srebrenica ligt. Even later arriveren de Serviërs, die onder het oog van Dutchbat, en volgens hardnekkige geruchten met hulp van de Nederlanders, de mannen van de vrouwen en kinderen scheiden. De Nederlanders tekenen geen protest aan. De vrouwen worden op de bus gezet naar moslimgebied, de mannen worden teruggevonden in stinkende massagraven. Karremans zou later zeggen: 'Niemand in het bataljon heeft ooit het vermoeden gehad wat er met de mannen uit Srebrenica zou gebeuren.’ Nalatigheid is niet het enige wat Dutchbat wordt verweten. Volgens een intern rapport hebben Nederlandse pantserwagens tijdens hun vlucht voor oprukkende Serviërs zo'n twintig moslims overreden. Een onderzoek naar het gedrag van de Dutchbatters is echter bij de Srebrenica-deskundigen niet erg populair. Jan Willem Honig ziet niets in een onderzoek naar het 'OP-Mike-incident’. 'Ach, die twintig doden. Nederland is een gek land. Het is absurd dat men zich zo druk maakt over die eventuele slachtoffers. Als je mensen in het buitenland vertelt over die Nederlandse wroeging, schudden ze meewarig het hoofd. Nederlanders hebben geen idee wat oorlog voorstelt, wat er gebeurt in een gevechtssituatie, en wat een oorlogsmisdaad inhoudt. De jongens van Dutchbat hadden alle recht en volgden alle voorschriften door zich uit de voeten te maken. Als die moslims dan niet voor de wagens weg willen gaan, is dat niet zozeer het probleem van de Nederlandse soldaten, maar van die moslims. Als je de zaak-Srebrenica onderzoekt, kom je er snel achter dat van misdaden van Dutchbat geen sprake was. De intentie was er niet. Het is allemaal laakbaar en een beetje dom hoe de Dutchbatters zich hebben gedragen. Ze hadden moeten weten wat ze te wachten stond, en zich daarop voor moeten bereiden. Maar strafbaar is het niet.’ Ook Tromp en Westerman verwachten niet dat nieuwe feiten over strafbaar gedrag door Dutchbatters naar boven zullen komen. Tromp: 'Ik twijfelde al, maar door de Bijlmerenquête ben ik er zeker van dat iets nieuws over gedrag van Dutchbat niet boven water zal komen door een parlementair onderzoek.’ Westerman: 'Dat Dutchbat grote fouten heeft gemaakt, is al lang boven twijfel verheven. Het enige dat nog ontdekt kan worden is dat de fouten nog groter zijn dan we al weten.’ Wim Dijkema, die deel uitmaakte van Dutchbat tijdens de val van Srebrenica, vreest een onderzoek naar het gedrag van zijn bataljon niet. 'De mensen van Dutchbat deden wat ze in die omstandigheden goed achtten. Over de precieze betekenis van de Conventie van Genève verschillen zelfs juristen. En wij moesten in drie seconden beslissen wat we moesten doen. Ik heb in de vluchtelingenstroom gestaan in de wetenschap dat de wereld die mensen in de steek had gelaten. Het enige wat we wilden doen, was zorgen dat die mensen goed weg konden komen.’ 'WAAROM GOOIEN ze het hoofdkwartier van Janvier niet plat’, zou Karremans gemompeld hebben na de zoveelste weigering van de Franse generaal om luchtsteun te geven. Zes keer zou Karremans om air strikes hebben verzocht en telkens kreeg hij nul op het rekest. Een deal met Serviërs, mompelden Nederlandse militairen: uitblijven van luchtsteun in ruil voor het vrijlaten van Franse soldaten, die na de eerste Navo-luchtaanvallen door Serviërs waren gegijzeld. Bob van Laerhoven, auteur van Srebrenica. Getuigen van een massamoord, zal het niet verbazen als er een deal was gesloten. 'Het zal niet de eerste keer in de militaire geschiedenis zijn dat pionnen worden geofferd voor het hogere doel. Of dat een vuil zaakje is, hangt van het perspectief af. De beslissingsnemers wisten dat na de val van Srebrenica de weg open zou liggen voor onderhandelingen, die vrede konden brengen in Bosnië.’ Bedoelt u met 'beslissingsnemers’ mensen op het niveau-Janvier of het niveau-Chirac? Van Laerhoven: 'Het lijkt me logisch dat een dergelijke beslissing gemaakt is op de hogere politieke niveaus.’ Voor Bart Tromp is de besluitvorming rond het uitblijven van luchtsteun de grootste onduidelijkheid die rest na de val van Srebrenica. Maar een parlementaire enquête zal daarbij niet helpen: 'De problemen liggen in het achterhalen van de besluitvorming bij de VN en het hoofdkwartier van Unprofor in Zagreb. Op het hoofdkwartier van Unprofor is generaal Janvier tegen het unanieme advies van zijn staf ingegaan, en heeft besloten geen luchtaanvallen uit te voeren. Een enquête kan echter alleen Nederlanders ontbieden.’ Gelooft u in een overeenkomst tussen de Fransen en de Serviërs? Tromp: 'Het hoeft geen complot te zijn: niets doen was al voldoende. De Nederlandse militairen hebben zich laten gebruiken als Joris Goedbloed. Als er Franse of Engelse eenheden gelegerd waren geweest, was het nooit zo gelopen. Mladic had dat niet aangedurfd. Officieel is slechts de VN-structuur belangrijk, maar in werkelijkheid is de nationaliteit van de soldaten van cruciaal belang. Bengaalse soldaten die in de enclave Bihac zaten zijn ook in de steek gelaten.’ Jan Willem Honig: 'Er is geen bewijsmateriaal voor dat de Fransen een deal met de Serviërs hebben gesloten. Het is een curieuze beschuldiging en het is ook fout om steeds achter de Franse rol aan te jagen. Het enige effect daarvan is dat de Nederlandse verantwoordelijkheden uit het oog worden verloren. Daarbij kan een Franse generaal nooit worden gedaagd door een Nederlandse commissie, dus er zal via die weg nooit bewijs komen voor vermoedens.’ Volgens Magda van der Ende, lid van de werkgroep Nederland-Srebrenica, kan een parlementaire enquête echter wel bewijzen verkrijgen die aantonen dat de VN niet ingreep terwijl zij wist wat de enclave te wachten stond. 'Er zijn satellietfoto’s van Srebrenica, gemaakt in de weken voor de Servische aanval. Daarop moet een troepenconcentratie te zien zijn geweest. Defensie weigert ons die luchtfoto’s te verschaffen, met het excuus dat de CIA ze niet wil afstaan. Maar er is in Nederland een aantal niet-publieke dossiers over Srebrenica, waarvan ik vermoed dat de foto’s er in zitten. Minister De Grave weigert echter die aan ons te verstrekken.’ 'IK BEN HET helemaal met jullie bezwaren eens, maar ik heb met het kabinet en de Tweede Kamer te maken’, schrijft minister van Defensie Ter Beek in mei 1993 naar generaal Couzy en stafchef Van der Vlis. Unaniem steunde de Kamer een motie om de luchtmobiele brigade op te leiden voor uitzending naar Bosnië, maar na de smadelijke val van de enclave is de jacht geopend op degene die verantwoordelijk was voor het uitzenden van Nederlandse jongens naar een onmogelijke opdracht. Uit het doolhof aan papier van de Haagse bureaucratie dampt de onomstotelijke schuld echter niet op, en dus blijft de roep aanhouden om een onderzoek dat de verantwoordelijkheden duidelijk aangeeft. Ed. van Thijn, waarnemer tijdens de Bosnische verkiezingen en co-auteur van De sorry-democratie, ziet het onderzoeken van de besluitvorming als belangrijkste taak van een enquête-commissie. 'Wat moet worden onderzocht is niet het besluit om uitzending zelf, daar heeft de Kamer om gevraagd. Maar uitzending naar de lokatie Srebrenica was geen kamerbesluit. De val van de enclave zat er al maanden aan te komen en het was ook bekend dat de enclave zou worden “uitgeruild”. Desondanks waren er geen beleidsscenario’s en iedereen raakte bij de val van de enclave in paniek.’ Ook volgens Jan Willem Honig moet de besluitvorming onderzocht worden. 'Het is dezelfde vraag waar het Niod nu mee bezig is: hoe is de besluitvorming in Nederland gegaan.’ Onzin, volgens Bart Tromp: 'Over de politieke besluitvorming in Nederland valt niets te ontdekken. Alle belangrijke politieke handelingen zijn openbaar.’ OVER HET NUT van een parlementaire enquête zijn de deskundigen al even verdeeld als over de te onderzoeken vragen. Het Niod is immers al met een onderzoek bezig en dat zou worden gehinderd door een parlementaire enquête. Toch moet een enquête doorgang vinden, meent Frank Westerman: 'Het is belangrijk om te weten hoe alles precies in zijn werk is gegaan. Daarvoor moet je mensen onder ede verhoren, en het Niod heeft daar niet de bevoegdheid toe. Een parlementaire enquête is een stuk beter dan een groep wetenschappelijke onderzoekers zonder die bevoegdheid het bos in sturen.’ Jan Willem Honig: 'Hoeveel onderzoek is er al niet geweest, hoeveel boeken zijn er niet geschreven? De hoofdlijnen zijn bekend. Het Niod zal de puntjes op de i zetten, maar of het veel verder gaat dan dat weet ik niet. Zo'n enquête had veel eerder moeten plaatsvinden. Niod is al een tijd bezig. Een enquêtecommissie zal het Niod in de weg zitten. Er zal ook heel wat tijd verstrijken voordat ze met conclusies komt.’ Volgens Bob van Laerhoven is het vinden van nieuwe feiten of de tijdsduur echter niet het belangrijkste aan een parlementair onderzoek. 'Als je ziet hoe de Nederlanders in hun maag zitten met de zaak-Srebrenica is een parlementaire enquête alleen al vanwege de symboolwaarde belangrijk. Wij Belgen kijken half geamuseerd, half jaloers naar Nederland, dat zo vasthoudend bezig is met de schuldvraag. In België zou zo'n schandaal, dat zo ver van ons bed ligt, allang vergeten zijn. De Nederlanders laten de zaak maar niet rusten.’