Onder de huid

Allard Schröder
De Econome
De Bezige Bij, 240 blz., € 18,90

Waanzin voelbaar maken is een heikele onderneming. Ons ingebakken verlangen naar logica maakt dat we ons als vanzelf verzetten tegen een uiteenvallende werkelijkheid – of we nu willen of niet. Er moet een schijnbaar coherent en redelijk logisch verhaal verteld worden waarbij je als lezer het doordraaiende personage gelooft, of in ieder geval wilt geloven – hoe atypisch het zich ook begint te gedragen.

In De econome doet Allard Schröder, auteur van zes romans, twee verhalenbundels en een essaybundel, hiertoe een poging door middel van een verhaal waarin Wagners Walküre doorklinkt. Linde is bij Schröder een jonge econome die het snelle leven leeft van een alleenstaande, veel verdienende, grootstedelijke dertiger. Ze pikt mannen op, bedient zich van ‘hun faciliteiten’, waarna ze hen weer op straat zet.

Een reeks schijnbaar weinig betekenisvolle gebeurtenissen wijzigt de koers van haar leven drastisch. Ze neemt een lifter mee tot wie ze zich op een vreemde manier aangetrokken voelt. Ze raakt plots geroerd door de manier waarop het zonlicht in honderden kantoorramen weerkaatst wordt waardoor de betonnen laan – die normaal gesproken een treurige aanblik biedt – opeens van een overdonderende schoonheid is. Haar werk lijkt ineens zinloos, evenals de met alcohol doordrenkte avonden in het café.

Niet alleen wordt Linde getergd door existentiële twijfels, ook kan ze de geheimzinnige lifter niet vergeten. Haar oppervlakkige leven moe besluit ze te vertrekken. Naar Duitsland. Met een bevrijd gevoel schiet ze in haar zilveren Mercedes over de Autobahn. Vanaf dat moment betreden we een andere werkelijkheid. Linde checkt in bij een hotel waar ze reeds wordt verwacht, spreekt met een oude vrouw die zegt van haar vader te hebben gehouden, er is een man met een zonnebril en drie honden die haar vagelijk doet denken aan de lifter. De oude vrouw vertelt haar dat ze zich in een wachtkamer bevinden, Linde ziet zichzelf vrijen met de man met de honden. En dan is er dat filmpje waar een ongeluk op te zien is – is dat haar auto?

Linde ontwaakt in een ziekenhuis. Ze blijkt iets meer dan drie weken in coma te hebben gelegen na te zijn gevonden in een Duitse berm. Ze herstelt, maar dan slaat het noodlot nóg harder toe: ze blijkt een aangeboren hartafwijking te hebben, de prognose is slecht. Haar appartement is leeggeroofd en haar arbeidscontract is afgelopen. Ondertussen heeft ze ook nog de stekker uit de beademingsapparatuur getrokken van de oude vrouw die van haar vader zei te hebben gehouden. Ten einde raad trekt ze in bij de lifter, Silbering, die in een soort loods op een afgelegen bedrijventerrein woont.

Nu niet alleen met de dood maar ook met de politie op haar hielen, verliest Linde meer en meer haar greep op de werkelijkheid. Haar waanzin is zo tastbaar dat ze zelfs wordt verzocht te vertrekken van een feestje omdat ze de vrouwen bang maakt en een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de mannen uitoefent. De apotheose vindt plaats in een houten vakantiebungalow waar de lifter samenvalt met Lindes eerste jeugdliefde. Een cursief gedrukt stukje geeft de feiten weer en maakt daarmee duidelijk wat de grens is tussen Lindes beleving en de werkelijkheid.

De vraag is of Schröder erin is geslaagd de lezer ertoe te verleiden zich te laten meevoeren in de ontregeling. Voor deze lezer is het antwoord dat dat gedeeltelijk gelukt is, en dan vooral in het eerste deel van de roman. Daar weet Schröder een verstikkende wereld neer te zetten waarin mensen de gevangenen zijn van hun leven. Een wereld waar het moeilijk ademen is door de hitte en de smog en waar mensen elkaar niet echt aankijken. Een cynische houellebecqiaanse wereld – ook bij Linde is al haar seks op porno gaan lijken.

Wanneer Linde schoonheid begint te ontwaren en zich afkeert van haar alledaagse bestaan, kun je dat lezen als een voorbode van haar dood. De subtiele verschuivingen in haar gemoed en de onrust die daarmee gepaard gaat, gaan de lezer onder de huid zitten. Dat heeft vooral te maken met Schröders stilistisch talent: zijn taal en stijl maken dat het onheil al vanaf de eerste passages in de roman besloten ligt. ‘Ook al was de zon nog niet onder, in de verte lokten hier en daar al de eerste koortsig vonkende lichten van de stad.’

Vanaf het moment dat Linde zich in het Duitse hotel bevindt, onttrekken de gebeurtenissen zich steeds verder aan de wetten der logica. Dat geeft niets, maar wat wél geeft is dat het steeds moeilijker wordt om haar te volgen. Wanneer ze is weggestuurd van het feest, kleedt ze zich thuis uit en trekt vervolgens weer haar jurk aan. Dan lacht ze vrolijk. Iets verderop staat: ‘Op zulke momenten wilde ze iets kapotmaken en ondertussen hard en onverschillig lachen.’

Omdat haar gekte steeds minder van binnenuit wordt beleefd, keer je je als lezer onwillekeurig van haar af en raak je de rode draad – want die is er zeker – van haar verstoorde belevingswereld kwijt. En daardoor laat de hermetische werkelijkheid die in het begin van de roman zo knap wordt neergezet en waarin het onlogische logisch wordt, op het eind te veel ruimte voor vragen en twijfel.