Op de puinhopen van de crisis #7: Belén Barreiro

‘Onder de jongeren hier heerst veel frustratie’

Volgens de Spaanse socioloog Belén Barreiro is Spanje na Griekenland in Europa het hardst getroffen door de crisis. De bevolking, eerst ronduit gelukkig, voelt zich nu down. Toch blijft extreem-rechts klein.

‘Aan materiële zaken zijn de Spanjaarden minder belang gaan hechten; aan ontastbare waarden, zoals wederzijdse hulp, juist veel meer’ © GERARD JULIEN / AFP / ANP

Weinig landen hebben tijdens de voorbije crisis zo in de schijnwerpers gestaan als Spanje. Dat heeft zo zijn logica. Want als de derde economie van de eurozone zou vallen, zou de euro instorten en zou de omvang van de wereldwijde ramp niet te overzien zijn, was de heersende gedachte. Uiteindelijk bleef Spanje overeind en werd de val van het financiële en politieke systeem voorkomen. Maar welke prijs hebben de Spanjaarden daarvoor moeten betalen?

Belén Barreiro heeft langdurig empirisch onderzoek gedaan naar de gevolgen van de crisis voor de Spaanse samenleving. In haar boek La sociedad que seremos (‘De samenleving die ons wacht’, 2017) zet de Madrileense sociologe haar bevindingen uiteen. Het boek is de weerslag van haar werk van de afgelopen jaren, waarin Barreiro leiding gaf aan vooraanstaande onderzoeksinstellingen als het Centrum voor Sociologisch Onderzoek en de Fundación Alternativas. Deze laatste stichting, gelieerd aan de sociaal-democratische psoe, verliet Barreiro om zich volledig te kunnen wijden aan haar eigen onderzoeksbureau MyWord. Daar legt zij zich toe op sociaal en marktonderzoek.

De crisis heeft diepe sporen getrokken in de Spaanse samenleving, stelt Barreiro vast in haar sobere hoofdkwartier in het hart van Madrid. Dat blijkt in de eerste plaats uit de koele statistieken van het ine, het Spaanse cbs: explosieve groei van de werkloosheid, dramatische toename van de ongelijkheid en de armoedegraad. De tol van de crisis – en van de manier waarop de Spaanse regering die heeft willen bestrijden – kwam in het bijzonder terecht op de schouders van kwetsbare groepen en jongeren.

Barreiro vroeg elk jaar van de crisis of de mensen vonden of ze gedaald waren op de sociale ladder. Een subjectieve indicator, zeker. Maar die is wél van grote invloed, bijvoorbeeld op het consumptiegedrag. Angst voor wat gaat komen remt de uitgaven.

De resultaten waren veelzeggend. De helft van de bevolking tussen 18 en 65 was naar eigen zeggen in een lagere sociale klasse terechtgekomen. Het waren degenen die van supermarkt veranderden, overstapten op witte merken en allerlei uitgaven schrapten. ‘Je kunt je natuurlijk afvragen of dat belangrijk is of niet’, meent Barreiro. ‘Uiteindelijk is alles betrekkelijk. Maar uit onze studie bleek dat een kwart van de Spanjaarden door de crisis niet meer naar de tandarts ging.’ Barreiro vond tal van andere aanwijzingen voor massale verarming: geen vlees of vis meer op tafel, geen verwarming in de winter, minder waterverbruik. Driekwart van de bevolking veranderde van voedingsgewoonten.

Spanje is niet het enige land in Zuid-Europa waar de crisis er flink inhakte. De Grieken waren er nog veel dramatischer aan toe dan de Spanjaarden, blijkt uit internationale studies. Maar in Portugal was het effect op het dagelijks leven van de bevolking veel minder ingrijpend. Dat kwam vooral doordat de sociale ongelijkheid daar niet zo explosief was toegenomen als in Spanje. Ook voor de Italianen was de materiële terugval veel minder hevig. Volgens Barreiro is Spanje na Griekenland het Europese land waar de crisis de grootste repercussies heeft gehad.

De veranderingen in het dagelijks leven, in de kleine alledaagse routine waar je onder normale omstandigheden geen belang aan hecht, kregen ook hun weerslag in de manier van voelen en denken. De massale verarming leidde tot meer participatie en meer politieke interesse. Mensen gingen op zoek naar oplossingen en gingen zich rebelser en kritischer opstellen tegenover het politieke en economische systeem.

De sociologe haalt een curieus onderzoeksresultaat aan. Volgens een internationale studie behoorde Spanje in 2007 tot de meest prokapitalistische van veertig onderzochte landen. Bijna nergens was de bevolking zo sterk voorstander van de markteconomie. Dezelfde studie met dezelfde vragen in 2014 leverde een compleet ander beeld op. Spanje was het op twee na meest antikapitalistische land geworden.

Die omslag is slechts gedeeltelijk terug te zien in het stemgedrag, stelt Barreiro. ‘Vóór de crisis kregen de twee traditionele regeringspartijen PP en psoe bij elkaar 85 procent van de stemmen. Er was een tendens naar toenemende concentratie van stemmen op die partijen. Bij de verkiezingen van 2015 en 2016 kregen PP en psoesamen nog maar de helft van de stemmen. Dat is een grote terugval. Nu zitten we in een systeem van vier partijen. Aan de ene kant haalt het liberale Ciudadanos (Burgers) veel kiezers weg bij de PP. En links is met de opkomst van Podemos in twee helften gescheurd. Dat is een duidelijk effect van de crisis. Toch is het politieke systeem in landen als Frankrijk en Italië meer op z’n kop gezet. In Spanje was de crisis heftiger, maar de politieke gevolgen waren beperkter. Een werkelijke verandering van de macht heeft niet plaatsgevonden.’

‘De eigenaardigheid van deze crisis is dat de mensen deze niet in isolement hebben beleefd. Ze deelden hun lijden’

Ook in sociaal en psychologisch opzicht heeft de crisis er bij de Spanjaarden flink ingehakt. Barreiro ontdekte dat nergens zo veel geluk verloren is gegaan als in Spanje. ‘Dat komt naar voren in de Europese Sociale Enquête, waar de ondervraagden zichzelf een cijfer geven van 0 tot 10. Zoals elk meetinstrument heeft dat zijn tekortkomingen. Mensen zeggen niet snel dat ze ongelukkig zijn. Maar als je dezelfde schaal over een langere periode en in verschillende landen gebruikt, zijn de trends die hij oplevert onaanvechtbaar. Dat maakt het interessant. En de trend in Spanje is de meest negatieve van Europa. De Spanjaarden behoorden tot de meest gelukkige Europeanen en zijn nu een van de minst gelukkige bevolkingen van het continent. Een abrupte verandering in een periode van een paar jaar. Bovendien staat deze indicator niet op zichzelf. Hij valt samen met een toename van het aantal zelfmoorden, depressies en verslechterende materiële omstandigheden. Het levert een totaalbeeld op dat ons vertelt dat de burgers er beroerd aan toe zijn.’

De redenen voor de grote impact van de crisis liggen volgens Barreiro voor de hand: ‘In Spanje groeien de ongelijkheid en de armoedegraad veel sneller. Ik ben geen econoom, maar het lijkt me dat je iets niet goed gedaan hebt als zoiets je overkomt. En verder heeft Spanje natuurlijk het probleem van de hoge structurele werkloosheid, die door de crisis naar recordhoogtes schiet. Vooral onder jongeren is de werkloosheid schrikbarend. Hun situatie is de beroerdste van allemaal: lagere lonen, meer arbeidsonzekerheid en hogere werkloosheid.’

© Lex Rietman

Volgens de Franse socioloog Didier Eribon hebben de traditionele linkse partijen hun progressieve waarden verloren en de kwetsbare lagen in de samenleving de rug toegekeerd. Is dat ook in Spanje gebeurd?

‘Ik denk dat Podemos ontstaan is omdat de psoe dat mogelijk heeft gemaakt. De sociaal-democraten hebben blijk gegeven van een zekere ongevoeligheid, een gebrek aan empathie voor het Spanje dat zwaar leed onder de crisis, de meest kwetsbare klasse. De kloof tussen de psoe en zijn kiezers ontstond in mei 2010, met de ommekeer van premier Zapatero van een stimuleringspolitiek naar een strak monetair bezuinigingsbeleid. Toen ontstond Podemos.’

In De samenleving die ons wacht schotelt Barreiro de lezer een schema voor van de Spaanse maatschappij. Aan de ene kant trekt de crisis een scheidslijn tussen verarmden en welgestelden. Anderzijds veroorzaakt de technologische revolutie een nieuwe breuklijn die de mensen verdeelt in digitalen en analogen. Het resultaat is een viervoudige samenleving. De rechts-liberale partij Ciudadanos vertegenwoordigt de welgestelde digitalen. Zij hebben een goed leven, volgen de laatste technologische ontwikkelingen op de voet, zijn sterk voor globalisering en absoluut niet rebels. Het Spanje van de conservatieve Volkspartij (PP) is het domein van de welgestelde analogen: in alle opzichten behoudend, ideologisch en in hun koopgedrag.

Daartegenover staat het rebelse Spanje. Podemos (Wij kunnen) staat hier voor de verarmde digitalen en de sociaal-democratische psoe voor de verarmde analogen. Getalsmatig zijn de laatste de grootste groep. Vóór de crisis bestond dit rebelse Spanje niet, stelt Barreiro vast. Je had verschillende klassen, maar de mensen waren niet zo gemangeld als nu. En het gebruik van nieuwe technologieën was nog niet zo wijdverbreid.

De crisis heeft Spanje niet alleen opstandig gemaakt, althans een deel van de bevolking. U zegt dat de Spanjaarden ook meer solidair zijn geworden tijdens de crisisjaren.

‘Daar hebben we inderdaad verschillende aanwijzingen voor gevonden. Mensen gaven aan dat ze meer aan anderen zijn gaan denken. En in discussiegroepen zagen we dat deelnemers zeiden dat de crisis niet alleen hunzelf veel ellende had gebracht, maar ook de mensen om hen heen. Ze verklaarden dat hun waardenschaal veranderd was. Aan materiële zaken zijn ze minder belang gaan hechten; aan ontastbare waarden, zoals wederzijdse hulp, juist veel meer. Die houding zie je vervolgens terug in daadwerkelijk verleende hulp. Deze omkering van waarden heeft alles te maken met de crisis en met het feit dat in deze digitale tijd de pijn gedeeld wordt. De eigenaardigheid van deze crisis is dat de mensen deze niet in isolement hebben beleefd. Ze deelden hun lijden. Ik denk dat dit een belangrijk verschil is met vorige crises. Daar komt bij dat er digitale platforms zijn ontstaan waarmee je kosten kunt besparen of politieke activiteiten organiseren. Dat heeft de solidariteit bevorderd.’

Spanjaarden kunnen volgens Barreiro slecht tegen sociale onrechtvaardigheid: ‘We zijn een van de Europese landen waar de meeste mensen zichzelf aan de linkerkant van het ideologische spectrum plaatsen. En waar de meeste mensen zeggen dat ongelijkheid ertoe doet en onrechtvaardig is. Het feit dat de ongelijkheid groeit in een land met een grote gevoeligheid op dit punt is in mijn ogen een erg slechte combinatie.’

En dan is er ook nog iets merkwaardigs: linkse Spanjaarden verschillen in dit opzicht weinig van rechtse. Ze denken heel verschillend over morele kwesties of religie, maar nauwelijks als het gaat om de welzijnsstaat of herverdeling. ‘Daarin lijken rechtse Spanjaarden op sociaal-democraten. Er is maar weinig verschil.’

Belén Barreiro: ‘Zes van de tien jongeren geloven dat ze een slechter leven zullen hebben dan hun ouders. Ik vind dat angstaanjagend’

Bij de Fundación Alternativas heeft Barreiro ook de emigratie onderzocht van hoogopgeleide jongeren. ‘We kwamen uit op zevenhonderdduizend migranten sinds het begin van de crisis. Dat is een schatting, want metingen zijn gecompliceerd. Het probleem is dat degenen die hier zijn gebleven behoorlijk wanhopig zijn. Van degenen die vertrokken zijn, weten we niet of ze willen terugkeren. Daar zijn geen studies naar verricht. Maar onder de jongeren hier in Spanje heerst veel frustratie. Veel meer dan elders in Europa. We hebben dat onlangs onderzocht. Het bleek dat Spaanse jongeren er het slechtst aan toe zijn, en dat de generatiekloof hier veel breder is. Ze hebben een veel lager inkomen en een veel grotere arbeidsonzekerheid.

Sommigen zeggen dat het logisch is dat jongeren er slechter aan toe zijn, omdat zij hun arbeidsleven nog moeten opbouwen. Maar dat klopt niet. Uit een vergelijking met de omstandigheden van Spaanse jongeren in de jaren negentig blijkt dat ze nu veel slechter af zijn. Binnen Europa kun je verschillende modellen onderscheiden. In de noordelijke landen gingen alle generaties er de voorbije jaren op vooruit. Dan had je een groep landen waar de situatie min of meer stabiel bleef, en ten slotte de landen waarin de nieuwe generaties het steeds slechter kregen, zoals in Spanje. Als je dan gaat onderzoeken wat de jongeren die hier zijn gebleven denken, komen vernietigende resultaten naar boven. Zes van de tien geloven dat ze een slechter leven zullen hebben dan hun ouders. Ik vind dat behoorlijk angstaanjagend.’

En het ergste is dat ze er waarschijnlijk niet ver naast zitten.

‘Dat is het tragische. Maar ook al zouden ze er wél naast zitten, het is slecht voor henzelf dat ze zo denken. En het kan gevolgen hebben voor hun handelen. Ik herinner me een jongere in een van de discussiegroepen van onze studies. Hij zei: waarom zou ik gaan studeren en me inspannen als ik weet dat ik toch werkloos word? Anderen zijn kwaad omdat ze na een briljante studiecarrière, waarin ze ook nog eens reizen om talen te leren, terechtkomen in een baan van achthonderd euro. Weer een frustratie.’

Ondanks al dit ongenoegen is in Spanje geen ondubbelzinnig extreem-rechtse partij van betekenis opgestaan, zoals in veel Europese buurlanden wel het geval is. Sommige analisten wijzen erop dat de meeste kiezers die zichzelf als extreem-rechts beschouwen op de PP stemmen. Maar het blijft opmerkelijk, toch?

‘In het afgelopen jaar hebben we in onze politieke enquêtes een lichte opleving van de extreem-rechtse partij Vox gezien. We hebben altijd een categorie “overige partijen” en de respondenten kunnen dan aangeven welke partij dat is. In november 2017 merkten we dat opeens veel mensen Vox noteerden. Begin dit jaar hebben we die partij in de enquête een eigen categorie gegeven. En er blijkt een duidelijke groei in te zitten. Vox is nog steeds erg klein, iets meer dan een procent. Maar een jaar geleden noemde niemand die partij. Het is belangrijk om te blijven volgen, want trends duiken altijd op uit het niets.’

De houding ten aanzien van immigranten is opvallend genoeg niet verhard, concludeert Barreiro op basis van onderzoek: ‘Dat kan verschillende oorzaken hebben. Een flink deel van de immigranten komt uit Spaanstalige landen, wat hun integratie versoepelt. Een andere factor is dat immigranten vooral in de dienstensector werken. Veel families huren een Zuid-Amerikaan in om hun bejaarde ouders of kleine kinderen te verzorgen. Dat schept een persoonlijke band. En ten slotte is het nog maar betrekkelijk kort geleden dat de Spanjaarden zelf massaal de grens over trokken naar Noord-Europa om de armoede te ontvluchten. Je zou verwachten dat die gunstige houding jegens immigranten zou afnemen tijdens de crisis. Maar daar blijkt nauwelijks verandering in te zijn gekomen. Ik kan me voorstellen dat dit een belemmering is voor de groei van extreem-rechts.’

Toch zijn er steeds hevige protesten in buurten waar moslims een moskee willen inrichten.

‘Je moet naar beide kanten kijken. Aan de ene kant zeggen de cijfers dat de algemene tendens van goede acceptatie onmiskenbaar is. Daarnaast heb je de microtendensen die kunnen uitgroeien. Er gebeuren inderdaad dingen die er lelijk uitzien. Of ze in dit geval groter zullen worden weet ik niet. Maar het is iets om serieus te nemen. Alles begint klein. Daarom vind ik de ontwikkeling van Vox zo verontrustend. En er zijn anekdotes die in dezelfde richting wijzen: ultrarechtse manifestaties voor het mausoleum van Franco, racistische leuzen op muren.’

En dat gebeurt juist op een moment waarop het ergste van de crisis achter de rug lijkt.

‘Ik denk dat de opkomst van Vox meer te maken heeft met de Catalaanse crisis. Ik weet niet of de Catalaanse strijd voor onafhankelijkheid de oorzaak of het excuus is, maar in elk geval zijn er heel wat demonen losgelaten. Er worden hardop dingen gezegd die hier taboe waren. In het najaar van 2017, samenvallend met de Catalaanse crisis, was het op één na meest beluisterde lied in Spanje op Spotify Cara al sol, de hymne van de Spaanse fascisten. Dat is de duivel uit de fles. En op hetzelfde moment zien we dat Vox geen splinterpartijtje meer is. Nog een anekdote: mijn dochter van zeventien vertelde me dat op een tienerfeestje het Spaanse volkslied gedraaid werd. Niet dat me dat goed of slecht lijkt, maar eerder dééd je dat gewoon niet.’

Hoe ziet Spanje er over vijf jaar uit?

‘Dat is moeilijk te zeggen. Wie had een paar maanden geleden voor mogelijk gehouden dat nu de psoe regeert en dat de PP in de oppositie zit met een nieuwe leider? Misschien gaan we terug naar het tweepartijenstelsel, wie weet. Maar we gaan in elk geval veel veranderingen tegemoet. Onder jongeren is er bijvoorbeeld steeds meer kritiek op de monarchie. Op een zeker moment wordt dat een probleem. Jongeren zijn opener. De grondwet verdedigen om de grondwet te verdedigen, het voornaamste argument om het Catalaanse referendum te verbieden, dat begrijpen ze niet.’