EEN TWEEDE GRAF VOOR NAZIM HIKMET

Onder de plataan

Enige tijd terug besloot de Turkse regering om de ‘communistische’ dichter Nazim Hikmet (1902-1963) zijn staatsburgerschap terug te geven. Hikmet ligt begraven in Moskou, maar vond liever zijn rust in Anatolië. Erdal Balci zoekt daar een geschikte plek.

‘KOM EENS KIJKEN wat Liefde heeft gedaan met mij’, schreef Yunus Emre. Liefde heeft zijn ziel verscheurd. Hij is opgezadeld met de liefde voor God en met het gegeven dat hij nooit het serene kind zal zijn dat God hem graag ziet worden. Een loodzware opgave om een dergelijk schoon geweten te willen verkrijgen. Brandend van schuldgevoel, van het ene dorp naar het andere trekkend schreef Yunus Emre het volgende: ‘Was ik het die mijzelf schiep, U schiep mij toch? Hoe zond U mij zo onvolmaakt, o Rijke? Toen ik mijn blik opsloeg, zag ik een gevang. Van Zelfzucht vol, door Satan ingegeven. Opdat ik gekerkerd niet van honger stierf. At ik van alles, zuiver en onzuiver… Een haardunne brug legde U voor mij neer. Passeer, duidde U, red je maar uit mijn val. Maar hoe loopt een mens op een haardunne brug? Hij valt, houdt zich vast of hij zweeft er overheen.’
Zes eeuwen later, in een dorp vlak bij Efeze, stopt een auto met een Ankara-kenteken. De mannen stappen uit en laten weten dat ze een schaap willen kopen om het ter plekke te slachten. Een dunne boer met versleten kleding en een dikke snor haalt een dik schaap uit de stal en begint met het aanprijzen van het dier: ‘Dit dier heeft alleen maar natuurlijk gras gegeten. Daardoor is het vlees extra lekker, meneer. Als u dit schaap koopt, krijgt u geen hormonen in de maag. Als u bij een ander koopt, weet u niet zeker of dat schaap wel goed vlees heeft.’
De mannen slachten het dier, laten het bloed vloeien op het gras en gooien het in de bagageruimte van de grote auto. De man die de blije boer betaalde, zegt: ‘Mijn zoon overleefde twee dagen geleden een busongeluk. Hij is maar zeventien. Ik had het niet overleefd als hem iets was overkomen. Het is tijd om God op deze manier te bedanken voor alles wat wij hebben en hem vergeving te vragen voor alle zonden die we begaan. Elke moslim moet zo nu en dan het bloed van een dier laten vloeien om God een plezier te doen.’

Klein-Azië is een gebied waar veel is geofferd. Misschien wel meer mensen dan dieren. De filosoof Yunus Emre heeft in dit werelddeel van dorp naar dorp gewandeld om liefde aan te prijzen. Hij ligt ergens in een dorp begraven als een man die er niet in is geslaagd zijn missie te volbrengen. Ook na hem bleven haat en tirannie in zijn land regeren. En met zo’n harde hand dat een van zijn nakomelingen, eentje die in de voetsporen liep van de troubadour, dertien jaar lang in de gevangenis moest verrotten, daarna het land moest ontvluchten en nooit meer terug mocht komen. De tirannen van Klein-Azië wilden zelfs de botten van de dichter niet. Nazim Hikmet, de grootste Turkse dichter, is in 1963 in Moskou gestorven en was ondanks zijn laatste hartverscheurende wens niet welkom onder de zon van Anatolië. ‘Kameraden, mocht ik voor die grote dag sterven, wat waarschijnlijk ook gaat gebeuren, begraaf me op een grafplaats in een dorp in Anatolië, en mocht het lukken dan zou ik een plataan bij het graf willen, grafsteen en dergelijke hoeven niet eens.’
Het communisme is dood. Nazim Hikmet, de communist, is ook dood – hij stierf 36 jaar geleden. Ze zijn allebei niet gevaarlijk meer, dus kan de wens van Hikmet eindelijk worden uitgevoerd. Ironisch genoeg is het de rechtse moslim-democratische regering die onlangs een wet heeft aangenomen die het Turkse staatsburgerschap aan de dichter teruggeeft en de weg vrijmaakt om de overblijfselen van Hikmet vanuit Moskou naar Turkije te halen. Nu is de vraag of de familie van Hikmet die laatste wens gaat uitvoeren en in welk dorp het nieuwe graf komt. Anatolië is groot, er zijn duizenden dorpen. Wat is de beste plek voor de man die als geen ander heeft meegemaakt hoe het is om dwars te zijn in een land waar dissidente meningen niet waren toegestaan?
Hij schreef in 1947: ‘Het leven neem je niet te licht, je dient te leven in diepe ernst zoals een eekhoorn doet, zonder buiten of boven het leven iets te verwachten, het enige wat je moet doen is leven. Serieus moet je het leven nemen en wel zo zeer dat je bijvoorbeeld met geboeide handen op je rug, staand tegen de muur, of met je grote stofbril en je witte kiel in een laboratorium, wilt sterven voor de mensen en wel voor mensen die je nooit hebt gezien en wel terwijl niemand je ertoe dwingt hoewel je weet dat het leven het mooiste en het puurste is dat er bestaat.’
Wat is de beste plek in Anatolië voor de man die ondanks een dergelijke kijk op het leven zwaar depressief en bitter was toen hij de laatste adem blies en niets liever wilde dan doodgaan? Hij had gezien dat in de Sovjet-Unie toch niet zo’n geweldig regime heerste, was zwaar teleurgesteld, miste zijn moederland en zijn zoon.

Is Ani de beste plek voor hem? Tweeënhalf jaar geleden, winter in Ani. De tot een ruïne verworden voormalige Armeense hoofdstad ligt onder de witte sneeuw. In dit uiterst oostelijke puntje van Turkije is de sneeuw als een metafoor die als een vergevingsgezinde moeder alle zonden van haar kinderen dekt. Moet Nazim Hikmet bij de Armeniërs liggen? In dit ‘land als een merrie die van het verre oosten is komen draven en haar nek naar de Middellandse Zee heeft uitgestoken’ (Nazim Hikmet) heeft de meest gruwelijke reis te voet plaatsgevonden waarbij één miljoen mensen naar de dood liepen. Hikmet was nog een jonge vent toen de leiders van zijn land de opdracht gaven voor deze deportatie, waarbij een heel volk door een tunnel van de dood liep. Dat volk bestaat bijna niet meer in Turkije. Moet Nazim Hikmet bij de Armeniërs liggen, zodat hij kan onderstrepen hoe wreed deze geografie niet alleen tegen hem maar ook tegen heel veel anderen is geweest?
Ik heb het dorp van Bekir nooit gezien. Dit verhaal werd me verteld door de pastoor van de kerk in Malatya. Bekir deed zijn militaire dienst in de stad Malatya, hij kwam een kerk binnen en hoorde de preek van de pastoor. Hij kon niet geloven wat hij hoorde. De pastoor sprak de taal van zijn dorp! Na de preek liep hij enigszins bang naar de pastoor en vroeg: ‘Meneer pastoor, welke taal sprak u net?’ Zijn verbazing werd duizend keer groter toen hij hoorde dat die taal Armeens was. ‘Maar’, protesteerde hij, ‘dit is de taal van ons dorp. We dachten dat alleen mensen uit ons dorp deze taal spraken.’
Misschien moet Nazim Hikmet als een man van de taal naar dit bij de genocide vergeten dorp gebracht worden. Zijn graf in dit dorp zou dan kunnen bewijzen dat tirannen de mensen kunnen uitroeien, maar niet hun taal.
Misschien moet de dichter naar de stad van Rumi. In het oude Iconum, het huidige Konya, is het bijna altijd groen. Ook toen Yunus Emre door dit gebied trok. Er wordt beweerd dat Yunus Emre op bezoek is geweest bij de soefifilosoof Jalaladdin Rumi. Het was in de dertiende eeuw dat Rumi in deze stad schreef: ‘Je was ooit een droppel zaad, dat bloed werd, daarna groeide, tot zulk een schoonheid. O mens, kom dicht bij mij, zodat ik je beter dan dat kan maken.’
Hikmet bewees met zijn hele bestaan dat alleen het schrijven van mooie gedichten niet genoeg is om een groot dichter te zijn. Hij had een ‘zaak’ waar hij zich sterk voor maakte. Hij leed voor zijn idealen. Hij was trots. Toen Mustafa Kemal Atatürk, de stichter van de Turkse republiek en alleenheerser in het land, een paar soldaten naar hem stuurde die hem moesten meenemen, stuurde Hikmet de soldaten weg en ging niet mee. Atatürk moest maar naar hém komen. Hij was knap. Hij had veel vrouwen die hij beminde met zijn lichaam en gedichten.

Ik loop in Sille bij Konya. Het is duidelijk geen schim meer van het levendige stadje dat ooit een tussenstop was voor pelgrims op weg naar Jeruzalem. De laatste Griekse christenen zijn na de bevrijdingsoorlog van 1920 uit Sille naar Griekenland vertrokken. In het kleine Helenakerkje, dat het heeft gepresteerd om overeind te blijven, zijn nog vaag bijbelse muurschilderingen te zien.
Een gerimpelde vrouw met een half gebogen rug loopt naar me toe, vergezeld door een grote hond die met zijn ogen zegt dat hij koste wat het kost zijn bazin zal beschermen. Ze vraagt: ‘Ben je een toerist?’ Ze wil dat Sille toeristisch wordt: ‘Alle jongeren zijn weg uit ons dorp. Als het toeristisch wordt hier, komen ze misschien terug.’
Zou Nazim Hikmet in dit dorp willen rusten? In de buurt van Rumi, die met zijn liefde misschien zelfs Hikmet beter had kunnen maken dan hij al was. Als aandenken aan de Griekse christenen die ooit, generatie op generatie, in het Anatolië van Hikmet hebben geleefd en in de zwarte twintigste eeuw ook weg moesten. Rumi kan de atheïst dan af en toe troosten door te fluisteren: ‘We kunnen God nooit vinden, God zal ons vinden. We kunnen ophouden ons voor hem te verbergen achter struiken van eigenbelang, kunnen ons uitkleden zoals een minnaar die op zijn geliefde wacht en in weelderige stilte met nauwelijks bedwongen ongeduld zitten wachten, tot we op natuurlijke wijze rijp zijn en God ons van onze levenstak plukt.’
Of hoort Nazim Hikmet toch bij de blinde? Want kan Rumi God vrijspreken voor het feit dat een zevenjarige jongen blind wordt? Deze jongen, Asik Veysel, werd in een dorpje in Sivas in Centraal-Anatolië geboren. Het was niet het geloof in God, maar het Turkse snaarinstrument de saz dat de kleine Veysel levensvreugde gaf. De jongen leerde op de saz spelen, werd groot, en terwijl Hikmet in de grote stad gedichten maakte en de wreedheid van de machthebbers trotseerde, schreef Veysel in zijn dorpje mooie teksten, die veel later ontdekt zouden worden. Veysel stierf in dezelfde omstandigheden waarin hij was geboren: armoede.
Hij had altijd iemand nodig die hem bij de arm vasthield en begeleidde als hij ergens naartoe moest, maar hij schreef wel de tekst: ‘Zo velen heb ik omarmd, denkend dat het vrienden waren, nu weet ik dat ik slechts één vriend heb. Voor niets ben ik op zoek geweest, voor niets ben ik vermoeid geraakt. Ik heb slechts één vriend.’
De vriend waar Asik Veysel het over had was de zwarte grond. Is Nazim Hikmet welkom in het dorpje Sivrialan waar Veysel onder die zwarte grond ligt? Maar Hikmet was ook te groot om de grond met iemand anders te gaan delen. Hij zou zijn eigen grond willen hebben in Anatolië. Daarom ga ik naar Kayakoy in het zuiden van het land.

Maar voordat ik dat doe, wil ik Yannis in Istanbul zien. Ik heb hem in 2004 leren kennen toen ik op zoek was naar Grieken in Istanbul. Het was zo moeilijk om deze mensen op te sporen dat ik besloot om in de oude, voormalig christelijke wijk Pera lukraak bij deuren aan te bellen. Yannis was de eerste die opendeed. Eenmaal binnen verwelkomde een sterke geur van naftaleen mij. Hij was 82 jaar, klein en edel. Hij vertelde dat in zijn kindertijd in Istanbul een half miljoen Grieken woonden. ‘Nu zijn ze bijna allemaal weg. Maar ik ben blij. Ik houd van mijn wijk’, vertelde hij. Het was avond toen ik had aangebeld. De bejaarde man stond in zijn pyjama. Omdat hij nu bezoek had, ging hij in zijn slaapkamer een nette broek en een blouse aantrekken. Hij had thee voor me gemaakt. Zijn kleine, bruine ogen glinsterden van blijdschap vanwege het bezoek. Hij vertelde over de moeilijke tijden. Bij elke nieuwe politieke crisis werden de minderheden aangepakt. Uiteindelijk is bijna de hele christelijke minderheid verdreven uit het land.
Nu, vijf jaar later, bel ik weer aan. Niemand doet open. Ik klop op de oude, grote deur. Geen teken van leven. Yannis is er niet. Zijn buurvrouw meldt dat Yannis twee jaar geleden is gestorven.
Om de beste plek te vinden voor Nazim Hikmet ga ik dus naar Kayakoy, bij Fethiye, aan het water van de Middellandse Zee. Het Griekse dorp is sinds 1923 verlaten. De huizen en de kerk zijn vervallen. Je kunt zo de huisdeuren opendoen en naar binnen lopen. Het is een spookdorp met honderden lege huizen. Zelfs de overal aanwezige honden komen hier niet. In de smalle straten van dit dorp renden eens kinderen. Ezels met oude vrouwtjes klommen in deze straten naar boven. Mensen hebben hier vast hun huizen geschilderd. Hun doden hebben ze hier begraven, hun kinderen op de wereld gebracht. En op een dag moesten ze weg.
Nazim Hikmet heeft een keer in de gevangenis tegen een minister, die hem kwam beledigen, gezegd: ‘Over honderd jaar weet niemand meer wie jij was. Maar de naam Nazim Hikmet zal verder leven.’
De dichter heeft gelijk. We weten niet meer wie die minister was, maar wel dat er ene Nazim Hikmet was die mooie gedichten maakte en dat hij en een heleboel anderen zijn verdreven uit het gebied dat Anatolië heet. Men weet misschien over vijf jaar ook dat die dichter in het verlaten dorp Kayakoy begraven ligt. In de schaduw van een plataan.