Onder de rechter, uit de krant (2)

Tot op zeker hoogte en in zekere zin is ‘de criminaliteit’ altijd en overal politie en justitie te snel en te slim af: het uitroeien van criminaliteit is nog onmogelijker dan het opheffen van armoede. Wie in de achttiende eeuw een flinke reis per postkoets ging maken, ging eerst naar de notaris om zijn testament te verlijden. Het enige wat mogelijk moet zijn en waar iedereen recht op heeft, is dat de overheid de mensen en de middelen ter beschikking stelt om de criminaliteit zodanig binnen de perken te houden dat zij een uitzondering is op het gewone patroon, waarbinnen vrouw en man, jong en oud zich overdag en des nachts, op straat en thuis betrekkelijk veilig voelen. Zijn de middelen en mensen daartoe ontoereikend, dan kan dat niet verdedigd worden met een beroep op financiele onmacht. Dat zou lijken op het gedrag van ouders die hun kinderen wel geld geven om naar een feestje te gaan, maar dan naakt, want voor kleding is er geen geld meer.

De overheid moet ervoor staan om op deze manier de idee en de werkelijkheid dat criminelen ons niet overheersen en nooit zullen gaan overheersen, hoezeer ook de misdaad in hardheid en ernst toeneemt, gestalte te geven.
Dat zal zeker niet gebeuren door zelf wild-west te gaan spelen of daarmee te dreigen. Dat zal waarschijnlijk ook niet gebeuren door het opleggen van zwaardere straffen. Maar het meest fataal lijkt mij in dit verband het uitdragen via de media van paniek en beschuldiging.
Beschuldiging van de burger die calculeert en geen ethiek meer kent.
Beschuldiging van en argwaan jegens de advocatuur als die haar taak vervult door ook de minst sympathieke en meest gevaarlijke verdachten te verdedigen en daarbij een beroep doet op het recht van hun verdachten op een eerlijk proces, dat wil zeggen een proces dat aan de kant van justitie gevoerd wordt met eerlijke, door de wet gestaafde middelen, zelfs al staat daar aan de kant van de georganiseerde criminaliteit voornamelijk oneerlijkheid en gemeenheid tegenover.
Beschuldiging via radio, krant en congres binnen eigen kring: politie jegens politie, politie jegens openbaar ministerie en omgekeerd.
Vooral fataal lijkt mij de in het openbaar vertolkte wanhoop volgens welke de rechtsstaat enorm aan het wankelen is: dit land, ooit aan de zee ontrukt, zal nu weldra worden ingelijfd door de maffia. Dat burgers zoiets gaan menen en zeggen is erg jammer, want het werkt besmettelijk. Als de overheid het gaat uitbazuinen is er iets veel ergers aan de hand. De bazuinen schallen niet de overwinning het land in, maar de absolute nederlaag van het recht en van hen die daar krachtens hun opdracht voor moeten zorgen. Een overheid die deze moedeloosheid uitstraalt, heeft in haar defaitisme veel weg van de soldaat die dienst weigert.
Daar stond en staat nog steeds zware straf op.
Maar wie zal de straffer bestraffen?