‘Tegels lichten’ als zelfportret van H.J.A. Hofland

Onder de schijn van doorbraak

‘Het is de vernieuwers niet gelukt te ontkomen aan de staat der notabelen’, schreef de deze week overleden ‘journalist van de twintigste eeuw’ Henk Hofland in zijn meesterwerk Tegels lichten. Ook voor Hofland zelf was Nederland een land van voldongen feiten.

Medium hh 10644169 1

In het tiende en laatste hoofdstuk van zijn journalistieke meesterwerk Tegels lichten spreekt H.J.A. Hofland over zijn eigen generatie als over mensen die een breuk in hun opvoeding ervoeren en moesten leven met een hiaat ‘dat nooit is opgevuld’. ‘Wie elf tot dertien of veertien jaar was toen de Duitsers binnenkwamen’, schrijft hij, ‘kon met eigen ogen zien hoe datgene wat hij voor het normale, onverwoestbare leven had aangezien, van de ene dag op de andere werd opgeheven.’

Hofland, in mei 1940 nog net geen dertien, woonde destijds in Rotterdam en maakte het bombardement van nabij mee. Vervolgens groeide hij op tussen de puinhopen van een verwoeste stad. Wat voor zijn generatie gold, zou voor hem en zijn lotgenoten dus in versterkte mate moeten gelden. ‘Met een mengsel van angst (voor het geweld van de oorlog) en instemming (door de groeiende anarchie) zagen ze [lees: we] een wereld ontstaan waarin hun vrijheid steeds groter werd. De afstand van de bezette en onderdrukte maatschappij van de volwassenen tot de hoe langer hoe ordelozer wereld van de kinderen viel niet in te halen. Misschien bevat deze generatie daardoor minder maatschappelijk toegewijde werkers, partisanen, zeloten, voorzitters en verdere ijveraars voor allerhande etiquettes en meer mensen die aan geen enkel systeem echt plezier zouden beleven.’

Het is een autobiografische schets die niet alleen Henk Hofland geldt. Ze geldt heel de zogenoemde oorlogsgeneratie, onder wie in ieder geval de mannen met wie Hofland vele malen in één adem werd genoemd: Harry Mulisch en Jan Blokker. Onder meer in een reeks triple-interviews in Vrij Nederland (1978, 1993, 2002 en 2007) bevestigden zij keer op keer dat een gebeurtenis zo ingrijpend als een oorlog je, als je een jaar of dertien bent, in de huid gaat zitten. Blokker zei het in een van die interviews als volgt: ‘Alles wat je voor het eerst bewust doet: Duits leren, algebra, verliefd worden, heeft allemaal te maken met die oorlog, met Stalingrad, met kaartjes met vlaggetjes.’ Bij uitbreiding: alles heeft met oorlog te maken, alles is oorlog. Mulisch zei het op hem kenmerkende wijze egotistischer: ‘Ik ben de oorlog.’

Een en ander maakt begrijpelijk dat Hoflands autobiografische karakteristiek tevens de achtergrond vormt van veel van zijn werk, zeker van het boek dat zijn meest bekende zou worden: Tegels lichten uit 1972, met de programmatische ondertitel Ware verhalen over de autoriteiten in het land van voldongen feiten. Het is een kleine halve eeuw na datum eenvoudig te zien hoe gedateerd dit boek is. Het is ook op vele punten onjuist, beter gezegd: onrechtvaardig en ongenuanceerd. Maar om diezelfde reden is het veelzeggend – én belangrijk. Dit laatste temeer omdat Tegels lichten een van de grote werken is van de generatie die het in de voor de Nederlandse geschiedenis zo cruciale jaren tussen het midden van de jaren zestig en het midden van de jaren tachtig – de oorlogsgeneratie was toen een jaar of veertig, vijftig en dus op haar top – voor het zeggen had.

Tegels lichten werd gepubliceerd op een ook voor Hofland persoonlijk cruciaal moment: hij was zojuist voor zichzelf begonnen. Daarmee kwam een eind aan een briljante carrière bij de krant die met mannen als Hans van Mierlo, Jan Blokker en hij in de jaren zestig een progressief-liberale koers probeerde te varen, het Algemeen Handelsblad. Zeker na de fusie met de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1970 bleek er van die koers niet veel meer terecht te komen en moesten Hofland en de zijnen het afleggen tegen de conservatieve lezer en zijn belangenbehartigers, lees de geldschieters van de krant.

Tegels lichten gaat over het gebrek aan lucht. Over angst, conservatisme en achterkamertjespolitiek

Dit gebeurde op hetzelfde moment dat heel Nederland op z’n kop stond: in de nadagen van Provo, Kabouter, Maagdenhuis en dus aan de vooravond van Den Uyl. Een cruciale vraag daarom was of in Nederland in het groot zou gebeuren wat bij de krant in het klein was gebeurd: dat het establishment met zijn slaapverwekkende ‘partisanen, zeloten, voorzitters en verdere ijveraars voor allerhande etiquettes’ het pleit zou winnen. Of was wellicht iets anders mogelijk, aldus de achterliggende vraag van Tegels lichten: zou er eindelijk, eindelijk een beetje lucht in de Nederlandse samenleving komen?

Want daarover gaat het boek. Over gebrek aan lucht. Over Hollandse benepenheid. Over angst, conservatisme, achterkamertjespolitiek. Tegels lichten was in eerste instantie dan ook een afrekening, ‘niet met personen als wel met een deel van de samenleving, dat m’n plannen en inzet niet had aanvaard en dat me met domheidsmacht aan de kant had geschoven’. Uitkomst was een bittere analyse van het tijdperk waarin de generatie van Hofland groot was geworden.

Van dat tijdperk ‘lichtte’ hij zogezegd de tegel en hij keek met afgrijzen naar wat zich daaronder bevond. Wat hij zag was een maatschappelijk bestel dat ondanks crisis, oorlog, vernieuwingspogingen en jaren zestig standgehouden had. Tegels lichten gaat over de vanzelfsprekendheid waarmee in Nederland de onderhorigheid van de inwoners van de Nederlandse koloniën werd aangenomen, over de kruiperigheid van de pers, de onaantastbaarheid van het koningshuis, de rol van de Koude Oorlog in de nationale eensgezindheid (‘gelijkschakeling’), het sussende effect van welvaart en bovenal het falend konkelen van een elite die met haar pacificatiepolitiek, handjeklap, liefdesmantels en andere polderstreken het land in toom hield.

‘Er is een theorie in omloop die telkens opnieuw wordt geformuleerd’, schrijft Hofland in het centrale hoofdstuk van zijn boek, getiteld ‘De consolidatie van het bestel’, ‘waarvan de strekking is dat er een duidelijk aanwijsbare lijn gaat van de Nederlandse Unie via de Nederlandse Volksbeweging naar de Partij van de Arbeid als instrument van de doorbraak. De mislukking ervan wordt, afhankelijk van de schrijver die men raadpleegt, toegeschreven aan de herzuiling, het terugvallen op de confessionele grondslag in de politieke partijvorming, of aan de onbruikbaarheid van het doorbraakidee op zichzelf. Maar er is nog een andere verklaring mogelijk. Daarin wordt de doorbraak niet beschouwd als een aanval op de traditionele verhoudingen om die principieel te veranderen, [maar als] een halve omwenteling die beperkt blijft tot de bezetting van de machtsposities en die verontschuldigd wordt door een paar marginale hervormingen. Volgens deze verklaring is de doorbraak wél gelukt, hoewel niet volgens de oorspronkelijke bedoelingen.’

Anders gezegd, de nieuwe politieke elites waren na de oorlog in het geheel niet geïnteresseerd in maatschappelijke verandering. Wat zij wensten was eenvoudiger – en minder ingrijpend: andere billen op het kussen. De door iedereen steeds weer genoemde Doorbraak was niet anders dan een voorwendsel voor machtspolitiek.

Dit moesten we lezen, zei mijn leraar Nederlands. Pas dan konden we begrijpen wat er om ons heen gebeurde

Doorbraak is een van de twee centrale begrippen van Tegels lichten. Beter gezegd: het onvermogen tot, dan wel de onmogelijkheid van doorbraak is het belangrijkste thema van het boek – plus de hoop, aan het eind van de eerste editie althans, dat het zo ver wellicht toch nog een keer zou komen. Om de mislukking te illustreren vertelt Hofland met sprongen naar voren en naar opzij een min of meer chronologisch opgezet verhaal van een land dat eerst buiten de Eerste Wereldoorlog en vervolgens zelfs buiten de twintigste eeuw bleef – opmerkelijk is overigens dat deze gedachte zoals zoveel van Hoflands overtuigingen (waaronder zijn beeld van de jaren vijftig en van de toenmalige serviliteit van de pers) de afgelopen jaren steeds feller bestreden wordt.

‘Steeds sterker ben ik me erover gaan verbazen hoe nonchalant de intelligentsia van de jaren dertig voorbij is gegaan aan twee kwesties die nu tot de hoofdzaken van de periode blijken te horen: de gehoorzaamheid, de dociliteit als nationale deugd en de slotfase van Nederland als koloniale mogendheid’, schrijft Hofland in het eerste hoofdstuk. Hij sluit dit hoofdstuk dan ook af met een fraaie volzin: ‘Blinde wereldvreemdheid heeft ons geregeerd; op een zwart Fongers-herenrijwiel wilden we aan de vaart der volken ontkomen.’

In de zes volgende hoofdstukken werkt Hofland deze ontsnappingspogingen vervolgens uit. Twee van die hoofdstukken gaan over de Nederlandse koloniën of eigenlijk de dekolonisatie (Indonesië en Nieuw-Guinea), twee over affaires (Greet Hofmans en Schokking) en twee over respectievelijk binnenlandse en internationale politiek. Het refrein is telkens hetzelfde: dat bijna iedereen die ertoe deed zich uiteindelijk aan het systeem heeft aangepast.


Zo bezien is Tegels lichten eigenlijk een eenvoudig boek. Het zegt op honderd manieren hetzelfde. Vanzelfsprekend is dat ook de kracht ervan. Zo viel het me nu, bij zoveelste herlezing, op hoe vaak het woord ‘systeem’ voorkomt, bijna vijftig keer. Systeem, zo zou je kunnen zeggen, staat tegenover Doorbraak. De laatste mislukte telkens weer terwijl het eerste zich handhaafde. ‘Het is de vernieuwers niet gelukt te ontkomen aan de staat der notabelen en vrome Wichtigmachers’, schrijft Hofland op een van de vele plekken waar hij hetzelfde zegt, ‘omdat ze zich voortdurend met hen hebben vermengd, er soms zelf toe wilden horen of zich er de normen door lieten stellen.’

Er vielen me bij laatste herlezing nog twee verwante zaken op die ik niet eerder had opgemerkt. De ene is dat Hofland het voor hemzelf en zijn generatie allesbepalende moment, de Tweede Wereldoorlog, grotendeels vermijdt. Het andere heeft meer met mijzelf van doen: hoe zeer de centrale notie van Tegels lichten aansluit op een boek dat ik vijftien jaar geleden over diezelfde oorlog schreef, Grijs verleden.

In de vijfde druk bevestigde hij dat zelfs de oorlogsgeneratie zich uiteindelijk bij ‘de feiten’ had neergelegd

Dit laatste is bij nader inzien wellicht minder verwonderlijk dan het mijzelf nu voorkomt. Ik zal nooit het moment vergeten dat onze leraar Nederlands, Jef van de Sande, in 5 of 6 gym, 1972 of 1973, vol enthousiasme over Tegels lichten sprak. Dit moesten we lezen, zei hij. Pas dan konden we begrijpen wat er om ons heen gebeurde. Want zo was het, zo en niet anders! Van de Sande, zo ontdek ik nu, was uit hetzelfde jaar als Blokker, Mulisch en Hofland, 1927, had onder meer in het literaire tijdschrift Merlyn gepubliceerd en was een bevlogen, lieve man voor wie literatuur en onderwijs veel meer was dan werk. Dat bracht hij ook op ons over, deze keer aan de hand van Tegels lichten. Ik herinner me niet of ik het boek destijds ook meteen gelezen heb en als ik dat gedaan heb, kan ik er niet veel van begrepen hebben, denk ik.

Maar niet veel later begon het toch tot mijn dagelijkse bagage te behoren. Onbewust zal het bijgedragen hebben aan mijn overtuiging dat mensen, in het bijzonder Nederlanders, aanpassers zijn die vervolgens de neiging hebben de minder fraaie kanten van hun gedrag met mooie praatjes op te poetsen. Anders gezegd: het door Hofland beschreven grijze heden moet een factor zijn geweest in mijn latere constatering van een grijs verleden.

Vreemd genoeg behandelt Hofland in Tegels lichten de aanpassing ten tijde van de Tweede Wereldoorlog dus nauwelijks en waar hij dat doet, verwijst hij steevast naar de naoorlogse tijd. Wat betreft de continuïteit tussen oorlog en naoorlog vertegenwoordigde voor hem, zoals voor zo velen van zijn generatie, oud-premier Jan de Quay het grootste kwaad. Maar over diens oorlogsjaren en de Nederlandse Unie zegt hij niet veel. Wel dit: ‘In Nederland nam de behoefte aan iets nieuws dat tevens de kenmerken van het eigene zou hebben de vorm aan van de Nederlandse Unie.’ Hofland bedoelt: de Unie was een zoveelste teken van de Nederlandse eigenschap zich neer te leggen bij ‘voldongen feiten’. De jaren vijftig, begin zestig zouden daarvan, zeker onder Jan de Quay, talloze staaltjes laten zien.

Ook als hij het over het verzet heeft, spreekt Hofland bijna uitsluitend over de naoorlogse jaren. ‘Vooral bij de linksradicalen’, schrijft hij, ‘kwamen al vlug de eerste bewijzen van teleurstelling en daarna het besef van de nederlaag.’ Lees: de door het links verzet gewenste Doorbraak mislukte. ‘De ontgoochelde verzetsman uit deze richting is een klassieke figuur in de vaderlandse geschiedenis geworden.’

Tot slot heeft Hofland het ook in het hoofdstuk over Frans Schokking uitvoerig over de oorlog. Maar opnieuw ligt de klemtoon op de jaren vijftig. Immers toen pas bleek dat de burgemeester van Den Haag tijdens de oorlog als burgemeester van Hazerswoude geen fraaie rol had gespeeld. Vervolgens werd er alles aan gedaan om dat goed te praten. Daaronder een rapport waarin gesteld werd dat Schokking een fout had gemaakt. ‘Hierop maakte zich van gezagsdragend Nederland en zijn pers een grote opluchting meester’, luidt het commentaar van Hofland. ‘Schokking heeft “destijds een error of judgement gemaakt”, schreef de NRC, maar na de publikatie van het rapport was “de beklemming geweken”. De Volkskrant en De Tijd zagen de zaak als afgedaan, en De Telegraaf vond dat “voor het herstel van de zuivere gezagsverhoudingen het nuttig (was) dat het oogmerk van de aanval op Schokking niet was bereikt”.’ Kortom, Systeem gered, Vaderland veiliggesteld, Doorbraak voorkomen.

Zoveel minder partisanen, voorzitters en zeloten had de oorlogsgeneratie bij nader inzien niet opgeleverd

Je kunt er lang over delibereren waarom Hofland in Tegels lichten het thema aanpassing niet ook met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog onderzocht. De belangrijkste reden is vermoedelijk dat hij zich als journalist met de actualiteit wilde bezighouden en elke schijn van geschiedschrijving (‘ouwe koek’) wilde vermijden. Toch zou het niet lang duren tot de centrale stelling van het boek door hem en anderen op de oorlog toegepast werd. Dat gebeurde in de documentaire Vastberaden maar soepel en met mate die Hofland in 1974 met Hans Keller en Hans Verhagen maakte.

Deze documentaire was niet alleen een protest tegen het heroïsche oorlogsverhaal van Loe de Jong, maar ook een Nederlandse variant van het indrukwekkende portret dat de Frans-Zwitserse filmmaker Marcel Ophüls enkele jaren tevoren van Clermont-Ferrand in oorlogstijd had gemaakt, Le chagrin et la pitié. Daarin werd precies hetzelfde verhaal verteld als Hofland vertelde over Nederland in de naoorlogse periode: dat alles altijd gewoon doorging. Deze visie verklaart ook dat Keller c.s. hun verhaal niet beperkten tot de jaren 1940-1945, maar een ruimere periode kozen: 1938-1948. De bedoeling is duidelijk: wat in de oorlog gebeurde, was vóór de oorlog ook al aanwezig en zou daarna niet verdwijnen. Gezegd in de woorden van degene die Vastberaden maar soepel destijds voor NRC Handelsblad recenseerde: ‘Alsof alle leed voor niets geleden was: we waren geëvolueerd van de ene schijndemocratie naar de andere.’

Het mag niet verbazen dat op deze stelling aan alle kanten woedend gereageerd werd. Het zou daarentegen wel moeten verbazen dat ditzelfde niet gebeurde naar aanleiding van Hoflands gelijkluidende analyse van de actualiteit. Heeft het verleden een onaantastbaardere status dan het heden? Of ging en gaat het bij een dergelijke status specifiek om ‘de oorlog’? Het is weliswaar een ander onderwerp, maar toch, indirect is het nauw gelieerd aan inhoud en betekenis van Tegels lichten. Bovendien moet het antwoord op de vraag waarom Hofland de oorlog in zijn boek zoveel mogelijk met rust liet vermoedelijk in deze richting gezocht worden. Ook voor hem stond de oorlog tussen haakjes.

Pas in de latere jaren zestig, aldus Hofland in Tegels lichten, deed de mogelijkheid van een daadwerkelijke vernieuwing zich voor. In het bijzonder Provo en vergelijkbare bewegingen creëerden een vacuüm van waaruit een partij als D’66 en een groepering als Nieuw Links een doorbraak leken te kunnen bewerkstelligen. Maar helaas, aldus een latere versie van het boek: opnieuw gebeurde wat altijd gebeurd was. ‘Vernieuwingspolitici van het eerste uur als Lammers en Gruyters kwamen terecht in bestuursfuncties waar ze uitstekend met hun minister van binnenlandse zaken Wiegel konden opschieten of ze raakten als Van Dam of Schaefer gerangeerd in de hiërarchie van de partij en namen geleidelijk afscheid van hun experimentele periode.’ Opnieuw veranderde er dus niets. ‘De omgangsvormen zijn gemoderniseerd, het axiomatisch respect voor autoriteit en gezag is verdwenen… maar in grote trekken zijn de machtsverhoudingen nog gelijk aan die van 1945.’

In de vijfde druk van Tegels lichten in 1986 voegde Hofland onder de titel ‘De Bananenmonarchie’ een hoofdstuk aan het boek toe terwijl hij enkele andere hoofdstukken schrapte. Hiermee bevestigde hij de voorgaande constatering: dat ook volgende generaties voor het systeem bezweken waren. Zelfs de oorlogsgeneratie had zich uiteindelijk bij ‘de feiten’ neergelegd. De overgrote meerderheid ervan werd actief in de poldermodellen van bestuur, politiek, media, cultuur en wetenschap terwijl een aantal onafhankelijken zich definitief terugtrok in de positie die deze generatie zich tijdens het oorlogsvacuüm eigen had gemaakt: van buitenstaander. Zoveel minder maatschappelijk toegewijde werkers, partisanen, zeloten, voorzitters en verdere ijveraars voor allerhande etiquettes had de oorlogsgeneratie bij nader inzien dus niet opgeleverd. Ja, Henk Hofland en wellicht nog een paar. Voor de overgrote meerderheid van de bevolking, ook van Hoflands generatie, bleef Nederland het land van voldongen feiten.

Het zou de moeite waard zijn na te gaan of Hoflands analyse wellicht ook de meer recente geschiedenis geldt – de jaren Kok, Balkenende, Rutte. Eerlijk gezegd vermoed ik dat je een heel eind komt, zij het dat de motor van aanpassing in de afgelopen decennia steeds meer bij anonieme in plaats van bij concrete autoriteiten is komen te liggen. Het zijn tegenwoordig immers niet zozeer de topmannen van partij en bedrijfsleven die via handjeklap de zaak in der minne schikken, het is een oneindige hoeveelheid regels, afspraken, protocollen en andere bureaucratische waanzinnen waardoor alles ‘geëgaliseerd’ lijkt te worden – lijkt.

In feite gebeurt er, geheel in de lijn van Hoflands analyse, iets anders en is Nederland op oneindig veel plekken verstopt, letterlijk (alles ligt vast, zit vast, is stroperig, komt niet vooruit) en figuurlijk (je weet niet waar je ‘het’ zoeken moet). ‘Het spijt me, ik kan er ook niets aan doen, maar zo zijn de afspraken/regels/protocollen’, aldus het standaardzinnetje waarmee de ‘voldongen feiten’ van tegenwoordig benoemd worden. Zo bezien krijgt Hofland met de centrale stelling van zijn boek wellicht nog wel meer gelijk dan hij ooit had kunnen vermoeden.


Volgend nummer meer over H.J.A. Hofland

Beeld: (1) 2011. Hofland trachtte af te rekenen met de Hollandse benepenheid (Paul Levitton / HH); (2) 1979. Hofland wilde elke schijn van geschiedschrijving (‘ouwe koek’) vermijden (Eddy de Jongh / Nederlands Fotomuseum / HH)