Parijs, 1987. Crises en stagnatie zetten een streep door het groei-­optimisme waar John Rawls op leunde © Frederic Reglain / Gamma / RBP / ANP

Er klopt iets niet aan John Rawls. De Amerikaanse filosoof geldt als de invloedrijkste politieke denker van de tweede helft van de twintigste eeuw. Hij wordt verantwoordelijk gehouden voor de wedergeboorte van de normatief politieke filosofie nadat de Tweede Wereldoorlog alle aannames over rechtvaardigheid op losse schroeven had gezet. Binnen zijn discipline wordt er nog altijd niemand vaker geciteerd. Hij vermeed de aandacht en gaf zelden interviews. Rawls, een advocatenzoon uit Baltimore die overwoog priester te worden maar koos voor wetenschap, vestigde zich op basis van denkkracht alleen. Zijn hoofdwerk A Theory of Justice verkocht bij verschijning in 1971 honderdduizenden exemplaren, opmerkelijk voor een taai academisch traktaat.

Rawls’ belangrijkste bijdrage was een denkspel dat zowel inventief als eindeloos speelbaar is. Om te ontdekken wat rechtvaardigheid is, vroeg hij mensen zich de samenleving in te beelden als een leeg canvas (een beetje zoals God de wereld zag voor hij aan de schepping begon). Vanuit deze ‘originele positie’ kunnen de verhoudingen tussen mensen vervolgens worden ingericht. Rawls voegde een spelregel toe: niemand weet van tevoren welke positie in die samenleving hij of zij vervolgens mag bekleden. Hedgefonds-miljardair of schoonmaker met een nul-urencontract, prins of pauper en alles daar tussenin: iemands uiteindelijke rol wordt in Rawls’ gedachte-experiment verhuld door een denkbeeldige ‘sluier van onwetendheid’.

Die onzekerheid, zo was Rawls’ overtuiging, zou mensen aanzetten tot het bedenken van een wereld die rechtvaardig was voor zowel de hedgefonds-miljardair als de schoonmaker met het nul-urencontract. Hij deed daarbij een sterk beroep op de individuele ratio. Wie verstandig is, bedeelt de minst fortuinlijke zo veel mogelijk vanuit de originele positie, omdat het lot van de ander ook het jouwe kan zijn. Uit zijn gedachte-experiment distilleerde Rawls het fundamentele uitgangspunt van een rechtvaardige samenleving: die moet als eerlijk worden beschouwd door allen die erin leven.

Rawls’ basisprincipes zijn grofweg wat elke partij in een hedendaagse democratie vindt. Toch lijkt het aantal burgers dat de rechtvaardigheid van de eigen samenleving erkent in de afgelopen decennia eerder kleiner dan groter te zijn geworden. Daar zijn goede redenen voor. Onderzoek na onderzoek laat zien hoe opleidingsniveau en welvaart van ouders in toenemende mate bepalend zijn voor de plek op de maatschappelijke ladder waar hun kinderen eindigen. Verschillende sociaal-economische groepen zitten vast in vooraf bepaalde vooruitzichten. Zonder het voorgeschreven sociaal kapitaal blijven de deuren naar de wereld van macht en invloed in de regel gesloten. En het voorsorteren begint al vroeg. In Nederland spreekt de Sociaal Economische Raad over een ‘onzichtbare muur’ tussen kansrijke en kansarme jeugd.

Ook in puur materieel opzicht zien weinig mensen een rechtvaardige samenleving. Toen de oeso, een samenwerkingsverband van overwegend rijke landen, in 2019 onderzoek deed naar de mate van tevredenheid over inkomensverdeling, was de conclusie dat meer dan de helft van de bevolking in de 21 onderzochte landen vond dat die scheef zat en dat hoge inkomens meer kunnen afdragen. In Nederland was dat 65 procent. ‘Onrechtvaardig’ en ‘oneerlijk’ zijn de meest gebruikte termen die de Belastingdienst te horen kreeg toen ze een opinieonderzoek deed naar het Nederlandse belastingstelsel. Daar zitten ook de ontevredenen bij die vinden dat ze elke maand worden getild door de fiscus, maar hoe dan ook wordt het criterium van rawlsiaanse rechtvaardigheid bij lange na niet gehaald.

Rawls, die in 2002 overleed, stelt de vraag of de persoon die boven aan de ladder staat de huidige verdeling van inkomen en bezit, in Europa, in de VS, waar dan ook ter wereld, kan rechtvaardigen tegenover degene die onderaan bungelt. In Amerika zou dat een gesprek opleveren tussen Jeff Bezos, de rijkste man ter wereld, die onlangs een oud museum in Washington D.C. tot een woonpaleis liet ombouwen, en iemand uit het groeiende leger daklozen dat woont in tenten bij verkeerskruisingen. In Nederland zou het gesprek kunnen gaan tussen de nummer 1 in de Quote 500 en iemand die ten onrechte als bijstandsfraudeur werd aangemerkt. In Frankrijk tussen de rijkste Fransman, Bernard Arnault, directeur van Moët Hennessy, en een geel hesje, enzovoort. Stel je zo’n gesprek voor, met als moderator de professorale Rawls in zijn geruite jasje en met een grote jaren-zeventigbril op de neus.

Rawls: Jeff, hoeveel bezit jij?
Bezos: Ongeveer 185 miljard dollar, John. Zeker sinds de Covid-uitbraak maakt Amazon gigantische winsten. Elon Musk was me even voorbij gestreefd, maar die zit zwaar in de bitcoin en de koers is weer gekelderd.
Dakloze: Ik heb niks.
Rawls: Jeff, geef jij eens argumenten waarom dat verschil tussen jullie twee gerechtvaardigd is.

Op dat moment is de kans groot dat Bezos zich zal beroepen op de twee principes die, in weerwil van wat Rawls wellicht hoopte, de verdeelsleutel zijn gaan vormen in democratieën: markt en meritocratie. Het samenspel tussen die twee heeft Bezos zijn miljarden opgeleverd.

Rawls was een vroege criticaster van de bewieroking van (vermeend) talent als voornaamste criterium voor de verdeling van welvaart en status. Toen de socioloog Michael Young in 1958 de meritocratie bekritiseerde als een systeem dat alleen maar zou leiden tot een onverschillige bovenklasse en wrokkige onderlaag, vond hij een medestander in Rawls die net een eerste versie van zijn rechtvaardigheidstheorie had geformuleerd. Voor zover de meritocratie recht deed aan het ideaal van gelijke kansen was dat volgens Rawls vooral de kans ‘om de schouders op te halen over de minder gefortuneerden’. Ook hier klonk Rawls’ theologische belangstelling door. ‘God kijkt niet naar individuele verdiensten’, schreef hij in zijn proefschrift. ‘Een ware gemeenschap houdt zich niet bezig met het beoordelen van de merites van haar leden.’

Het was niet zo dat Rawls pleitte voor absolute gelijkheid. Een zekere mate van ongelijkheid was onvermijdelijk en zelfs wenselijk, vond hij, bijvoorbeeld als beloning voor diegenen die zich inzetten op een manier die het algemeen belang ten goede komt. Ook hier bedacht Rawls een vuistregel die logisch klinkt, maar in de praktijk zelden wordt toegepast. Ongelijkheid, zo vond hij, is toegestaan zolang die in het voordeel werkt van de groep die het slechtst af is (dit noemde Rawls het ‘verschilbeginsel’). Iedereen is gebaat bij een samenleving waarin de keuze om arts te worden wordt aangemoedigd, mede door de beloningsvooruitzichten. Ook vanuit de originele positie zouden de meeste mensen kiezen voor een model waarin de ceo meer verdient dan de doorsnee werknemer, als compensatie voor de extra verantwoordelijkheid aan de top. Maar is 171 keer zoveel, zoals nu het geval is in Nederland, een rechtvaardige uitkomst?

In een wereld waarin beloning wordt gezien als een betrouwbare afspiegeling van verdienste gaat het gesprek tussen Jeff Bezos en de dakloze waarschijnlijk zo verder:

Bezos: Ik heb talent en met bloed, zweet en tranen Amazon opgebouwd. Ik verschaf duizenden banen, doe aan filantropie en lever de mensen een nuttige dienst waar ze blij mee zijn.

Dakloze: Ik heb ook hard gewerkt, maar raakte mijn baan kwijt na de financiële crisis van 2008. Ik had schulden bij de zorgverzekeraar en mijn huis werd opgeëist door de bank toen ik de hypotheek niet meer kon betalen. Dat ik nu op straat leef is pure pech.

Dit is het moment waarop Rawls zijn sluier van onwetendheid te voorschijn zou halen. Zou Bezos, als hij de wereld mocht inrichten, iets van zijn miljarden in de zakken van de dakloze stoppen, al was het maar puur als verzekeringspolis tegen de vijftig procent kans dat hij en de zwerver in elkaars schoenen zouden staan als de sluier eenmaal opgetild wordt? Rawls zou gegokt hebben van wel.

Rawls gaf het bijbelse gebod anderen niet aan te doen wat je zelf niet wil meemaken een update voor het tijdperk van de verzorgingsstaat

Individuen zouden ieder ander individu ook dezelfde set rechten toekennen in Rawls’ model. Niemand zou het immers rechtvaardig vinden als zij het zouden moeten stellen zonder, bijvoorbeeld, kiesrecht of bescherming van discriminatie op basis van ras, geloof of sekse of recht op lichamelijke integriteit. Zo gaf Rawls aan het begin van de jaren zeventig het bijbelse gebod anderen niet aan te doen wat je zelf niet wil meemaken een update voor het tijdperk van de verzorgingsstaat: plaats anderen niet in een positie waarin je zelf nooit terecht zou willen komen.

John Rawls schaafde dertig jaar aan zijn theorie (‘omstreeks 1950 begon ik te schrijven aan een boek over rechtvaardigheid. Uiteindelijk was ik klaar’, zo blikte hij eens terug). Hij wilde dat zijn denken theoretisch perfect coherent was. (‘Reflectief equilibrium’ is de andere toets der kritiek die Rawls bedacht. Ideeën hebben alleen waarde als ze onderling niet tegenstrijdig zijn.) Kritiek kwam er genoeg. Meer libertaire denkers vonden dat Rawls te veel ruimte bood aan de staat om bezit af te nemen. Speltheoretici dachten dat mensen bereid waren het risico van berooidheid te accepteren als daar de kans om een Jeff Bezos te worden tegenover stond. Gemeenschapsdenkers verweten hem te veel focus op wat een individu toekomt.

Maar in de interne structuur van Rawls’ theorie vielen weinig barsten te ontdekken. A Theory of Justice was een strak gevoegd werk dat liet zien dat individuele vrijheden, in de liberale traditie vaak tegenover elkaar gezet als een stel botsauto’s die constant tegen elkaar knallen, niet elkaars vijand hoeven zijn. ‘Iedere persoon heeft recht op de meest uitgebreide vrijheid die verenigbaar is met een gelijke vrijheid voor anderen’, aldus Rawls.

A Theory of Justice sprak ook aan op intuïtief niveau. Strikt genomen weet ook niemand van tevoren op welke positie, en met welke kenmerken, iemand terechtkomt in de samenleving. Geen enkel mens is voorbestemd. Rawls nodigde uit om de openheid van elk toekomstig leven te gebruiken als basis voor een zoektocht naar rechtvaardigheid. Vandaar dat Rawls ook uitkwam op de noodzaak van hoge erfbelastingen. Overgeërfde welvaart trekt het kleed weg onder de fundamentele onzekerheid waar hij op inspeelde: dat de maatschappelijke rangorde niet van tevoren vaststaat.

Dit alles maakte Rawls tot een iconische liberaal, die een metafysisch onderwerp als rechtvaardigheid aanpakte met de methodologische precisie van een natuurwetenschapper. Rechtvaardigheid, zoals Rawls erover schreef, is in zekere zin als de zwaartekracht. We weten dat ze bestaat en we ondervinden er de gevolgen van, ook al kunnen we het niet vastpakken. Meningen over concrete voorbeelden van recht en onrecht waren er genoeg. Rawls bood een theorie die begrijpt en verklaart wat de interne structuur van rechtvaardigheid is.

Achteraf is gebleken dat Rawls eerder een aflopend tijdperk samenvatte dan een nieuw tijdperk aankondigde. Toenemende ongelijkheid, een nieuwe generatie plutocraten, de gevolgen van R>G, het zijn allemaal kenmerkende eigenschappen van de fase die in gang werd gezet nadat Rawls A Theory of Justice had geschreven. Dat is wat er niet klopt aan John Rawls. Precies honderd jaar na zijn geboorte en precies een halve eeuw na de verschijning van zijn voornaamste werk is de wereld alleen maar verder weggedreven van de koers die hij dacht te kunnen uitzetten.

Hoe John Rawls baanbrekend kon zijn zonder dat de wereld zich voegde naar zijn denken, onderzoekt Katrina Forrester in haar recente boek In the Shadow of Justice: Postwar Liberalism and the Remaking of Political Philosophy. Forrester, die doceert aan Harvard en schrijft voor tijdschriften als The Jacobin en de London Review of Books, laat zien dat A Theory of Justice het product was van een specifieke plek op aarde op een specifiek moment in de geschiedenis. Terwijl Rawls op Princeton, Oxford en Harvard beitelde aan een rechtvaardigheidstheorie die voldeed aan de eis van reflectief equilibrium groeiden de westerse economieën vlotjes. Nieuwe welvaart verruimde de reikwijdte van de middenklasse. De goudstandaard en de Bretton Woods-afspraken legden een stabiel fundament onder een vrolijke consumptiemaatschappij die nog nooit van klimaatopwarming had gehoord. Onder die omstandigheden leek het alsof de juiste verdeling van de vruchten van de welvaart het voornaamste vraagstuk was.

Als steeds maar méér het uitgangspunt is, wordt een verdeelsleutel opstellen een stuk eenvoudiger. In principe leent Rawls’ theorie zich net zo goed voor het verdelen van schaarste en gebrek, maar de mogelijkheid tot consensus die hij voor mogelijk hield, was een stuk aannemelijker in een opwaartse economische golf zonder vrees voor een plafond dan een in neergaande spiraal met het besef dat elke beslissing nu een wissel trekt op de toekomst. De inzet van het neoliberale tijdperk vanaf de jaren tachtig liet zien dat A Theory of Justice onvoldoende weersbestendig was.

De aanname dat een rationeel gedachte-experiment leidt tot overeenstemming over basisrechten en rechtvaardigheidsprincipes was voor Rawls ook voor te stellen vanwege wie hij was en met wie hij zich omringd wist. Het succes van A Theory of Justice was ‘de triomf van een kleine groep invloedrijke, welvarende, overwegend mannelijke analytische filosofen verbonden aan een handjevol elite-instituten in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië’, schrijft Forrester.

Het is veelzeggend dat Rawls zijn theorie aanvankelijk ophing aan het kerngezin, vertegenwoordigd door een bezittende klasse van ‘hoofden van het huishouden’ – een formulering waarbij de sekse zich laat raden. Dat was de groep die Rawls voor ogen had om vanuit de originele positie de inrichting van de rechtvaardige samenleving te bepalen. In zijn uiteindelijke vorm waren het neutrale, gelijkwaardige individuen die de sluier over zich heen geworpen kregen, maar Rawls’ leer bleef geënt op een samenleving waarin die gelijkwaardigheid niet vanzelfsprekend was.

Het probleem was natuurlijk dat de witte, mannelijke, bezittende klasse al een kans had gekregen om de ideale samenleving in te richten, zeker in Amerika dat was opgeëist als een leeg canvas. Het resultaat werd wat de Amerikaanse journalist Isabelle Wilkerson in haar baanbrekende boek Caste: The Origins of our Discontents een kaste-samenleving noemt, gebaseerd op toe-eigening van de laagste kaste – zwarte mensen – door de hoogste kaste van Europese kolonisten en hun nazaten.

Het in stand houden van een hiërarchie gebaseerd op rassentheorie bleef het wezenskenmerk van de samenleving waarbinnen Rawls zijn theorie over rechtvaardigheid aanprees. Terwijl Rawls zijn eerste papers schreef en seminars gaf, hadden Afro-Amerikanen geen stemrecht en was het onderwijs gesegregeerd. Toen A Theory of Justice van de drukpersen rolde, hadden veel Amerikaanse staten nog wetten die huwelijken tussen Afro-Amerikanen en witte Amerikanen verboden.

Op papier bood het rawlsiaanse denken wel oplossingen. Wie onder de sluier zou ervoor kiezen om lijfeigenschap naast grootgrondbezit toe te staan, en volledige politieke vertegenwoordiging naast tweederangs burgerschap, wetende dat er een risico bestaat dat die omstandigheden de jouwe zouden kunnen zijn? Niemand, natuurlijk. Misschien alleen een groep die een manier heeft gevonden om alvast een tipje van de sluier op te lichten, en weet dat ze nooit aan de verkeerde kant van de verdeling zal eindigen. Voor wit Amerika gold dat, en geldt het in sommige opzichten nog steeds.

John Rawls wilde óók voorkomen dat burgers boos het bord van tafel slaan omdat ze hoe dan ook verliezen

Het probleem met Rawls, en daarmee pars pro toto met de hele liberale theorie die vanuit Amerika de wereld over ging, was dat hij uitging van de fundamentele goedheid van de staat en haar instituties. ‘Rawls zag de Verenigde Staten als een verzameling rechtvaardige praktijken met een aantal afwijkende en uitzonderlijke onrechtvaardige verdelingen van de voordelen die ze bood’, schrijft Forrester. Amerika’s problemen waren praktisch en dus ook praktisch op te lossen. Volgens Forrester had Rawls wel oog voor de ‘scheiding van rassen’, maar niet voor white supremacy. A Theory of Justice hield onvoldoende rekening met de psychologische facetten van het samenleven, zoals haat, egoïsme en superioriteitswaan. Met Rawls was het mogelijk om in gedachten een rechtvaardige verdeling te kiezen. Zijn theorie bood minder aanknopingspunten om een bestaande samenleving, gegroeid langs de lijnen van eeuwenlang geïnstitutionaliseerde onrechtvaardigheid, te transformeren.

De optelsom was dat de gevierde professor Rawls op het moment dat hij de laatste punt achter zijn magnum opus zette slecht aansloot bij waar de tijd om vroeg. Hij ging er impliciet vanuit dat het oplossen van verdelingsvraagstukken binnen een liberale democratie het laatste grote probleem was. Hij was end of history, voordat die term gemunt werd. De aannames die hij daarbij deed – gelijke rechten voor iedereen – werden als te gemakkelijk ontmaskerd door de burgerrechtenbeweging, het feminisme en het antikolonialisme van de jaren zestig en zeventig. Rawls dacht dat we er samen wel uitkwamen. Anderen wilden het eerst hebben over wie er allemaal tot dat ‘we’ behoren.

Economische crises en stagnatie in de nasleep van oliecrises zetten een streep door het groei-optimisme waar Rawls op leunde. Hetzelfde geldt voor de boodschap dat er ecologische grenzen aan de groei zitten. Het conceptuele arsenaal waar Rawls mee was komen aanzetten was te veel op een tevreden hier en nu gericht. En door de uitkomst van zijn gedachte-experimenten voor mogelijk te houden – een samenleving die wordt aanvaard als eerlijk door iedereen die erin leeft – miste Rawls vragen die al gauw cruciaal zouden blijken.

Een daarvan werd ingegeven door een groeiend besef van duurzaamheid en uitputting van de aarde. Een eerlijke verdeling van de welvaart nu kan komende generaties berooid achterlaten. Volgelingen van Rawls breidden zijn denken uit naar vraagstukken over intergenerationele rechtvaardigheid, maar Rawls zelf gaf maar deels toe aan de noodzaak om ook toekomstige generaties te betrekken in de originele positie. Het wegen van de belangen van alle toekomstige generaties was voor Rawls ‘de fantasie te ver oprekken’. Hij liet wel een paar verschillende generaties toe onder de sluier. Om zijn theorie naar het nu te vertalen: je weet niet of je boomer, generatie X, millennial of Gen Z bent – maar daarmee gaat de rechtvaardige verdeling hooguit twee generaties omhoog of omlaag. Geschikt voor discussies over pensioenpotten en een eigen bijdrage aan de zorg, minder voor het langdurig leefbaar houden van de planeet.

Een tweede beperking van Rawls’ rechtvaardigheidstheorie betrof de geografische reikwijdte ervan. Rawls was geen kosmopoliet en plaatste zijn argumenten over herverdeling ferm binnen de grenzen van een natiestaat. Zelfbeschikking was een belangrijk fundament van zijn theorie, zowel voor individuen als voor staten. Het idee van een wereldbestuur wees hij van de hand, met een verwijzing naar Naar de eeuwige vrede van Immanuel Kant, de filosoof door wie Rawls zich liet inspireren.

Macht uitgeoefend over landsgrenzen heen, hoe goed bedoeld het ook klinkt, zou leiden tot ‘mondiaal despotisme of regeren over een broos imperium, verscheurd door burgerlijke conflicten omdat verschillende regio’s en volken zullen proberen hun politieke vrijheid en autonomie te herwinnen’, aldus Rawls. Zijn volgelingen hebben zijn theorie aangepast aan een tijd van mondialisering en streven naar internationale rechtvaardigheid, maar Rawls zelf koos, in Forresters woorden, voor een ‘begrensde theorie’.

Hier lijkt de wereld wel naar Rawls te hebben geluisterd. Het gebrek aan inclusie van inwoners uit andere landen – die vaak ook nog eens een stuk behoeftiger zijn dan de buurman – is altijd de zwakke plek geweest in het denken over rechtvaardigheid en eerlijke verdeling. Een streep bij de grens was de enige manier waarop Rawls zijn gewenste reflectief equilibrium kon behouden, maar het was wel een kunstgreep. Waarom de inwoners van andere landen uitzonderen bij het kiezen van wat rechtvaardig is? Waarom is er onder de sluier wel plek voor mensen met hetzelfde paspoort, maar niet voor iemand die een aantal kilometers verderop aan de andere kant van de grens geboren is?

De econoom Branko Milanovic hangt in zijn boek Capitalism, Alone een van zijn centrale punten van kritiek op het liberaal kapitalisme op aan deze tekortkoming van Rawls. Milanovic is de bedenker van de term ‘burgerschapsdividend’, het voordeel dat iemand geniet puur als gevolg van waar je wieg stond. Burgerschapsdividend laat volgens Milanovic zien dat meritocratie een leeg credo is. Geboren worden in een rijke welvaartsstaat in plaats van in een door oorlog verscheurd ontwikkelingsland is op geen enkele wijze een individuele verdienste. Wel is het de meest lotsbepalende factor denkbaar. Milanovic verwijst daarbij naar A Theory of Justice als ‘de perfecte illustratie’ van deze inconsistentie. Rechtvaardigheid volgens Rawls vergde het gedeeltelijk opheffen van ongelijkheden tussen kinderen die worden geboren in een arm gezin of in een rijk gezin, schrijft Milanovic, ‘maar hij negeert dit verschil als het wordt veroorzaakt door verschillen tussen rijke en arme landen’.

Milanovic’ boek uit 2019 laat zien welke rol Rawls steeds meer is toebedeeld in het publieke debat: die van bokszak waar, als je er maar hard genoeg tegenaan slaat, het tekortschieten van liberale democratische geloofsartikelen als eerlijke kansen, gelijke rechten en beperkte ongelijkheid uitstroomt. Samuel Moyn, hoogleraar recht en geschiedenis aan Yale die kritiek op het tekortschieten van de internationale gemeenschap tot zijn handelsmerk heeft gemaakt, noemt in zijn boek Not Enough: Human Rights in an Unequal World Rawls het ‘verhelderende voorbeeld van de voortdurende nationalistische framing van de naoorlogse welvaartsstaat’.

Pankaj Mishra, de intellectuele gesel van de westerse internationalisten, neemt Rawls op de korrel als voorbeeld van ‘liberale mensen die zogenaamd onverschillig zijn over imperiale glorie en tegelijk oorlog voeren tegen zogenaamde “wetteloze staten”’. Rawls vond namelijk dat economische sancties en militaire interventie het juiste antwoord zijn op landen die mensenrechten schenden.

Ergens heeft het iets onrechtvaardigs om een denker van voor het globaliseringstijdperk, gewend aan overzichtelijke verhoudingen en gevormd door vooruitgangsoptimisme, te verwijten dat de wereld als totaal niet aan zijn visie voldoet (al gaat het hier natuurlijk om de theorie en niet zozeer om de persoon). Rawls maakte bovendien een belangrijk onderscheid tussen een ideale theorie, die een eindpunt aangeeft, en een niet-ideale theorie, die rekening houdt met de tussenliggende stappen om tot het ideale te komen. Het ideaal moest eerst geformuleerd worden voordat de weg ernaartoe kon worden uitgedacht, vond hij. Wel heeft Forrester gelijk als ze schrijft dat de rawlsiaanse theorie onvoldoende helpt om greep te krijgen op het nu. Deze tijd vraagt om collectieve actie, om een nieuwe blik op hoe klasse de samenleving verdeelt, om een antwoord op de vraag hoe gevestigde belangen wat minder gevestigd te maken. Met alleen een rechtvaardige herverdeling kom je er niet.

Maar Forrester heeft ook gelijk om Rawls een ‘radicaal’ te noemen. Het ‘liberaal egalitarisme’ dat Rawls predikte staat mijlenver af van waar democratieën op zijn uitgekomen. De mate van interventie die nodig zou zijn om kapitaal – of dat nu in financiële, culturele of sociale zin wordt bedoeld – volgens Rawls’ theory of justice te spreiden, is veel groter dan wat zelfs de meest linkse partijen durven te beloven. Uiteindelijk is iedereen een incrementalist geworden, die vindt dat verandering alleen moet plaatsvinden met toestemming van iedereen aan tafel. Daarmee is de rawlsiaanse erfenis eenzijdig aanvaard: het idee van voorzichtig sleutelen binnen de bestaande orde is volledig omarmd. De andere kant van de medaille – bedenken wat voor iedereen aanvaardbaar is als een rechtvaardige uitkomst – is verwaarloosd.

Over wat radicaal is had Rawls ook een eigen opvatting. Forrester vond in Rawls’ persoonlijk archief een aantekening uit de jaren vijftig. ‘Het doel van radicale politiek’, zo schreef hij, ‘is iedereen die maar wil de kans te geven een aandeel in de samenleving te verwerven dat groot genoeg is om er conservatief van te worden.’ Het is Forrester niet geheel duidelijk wat Rawls hiermee bedoelde. Was het kritiek op radicaal socialisme? Een losse snedigheid?

Uiteindelijk ziet Forrester hier een kiem van wat zou uitgroeien tot een centrale overtuiging van Rawls. Een rechtvaardige verdeling gaat niet alleen over een plafond aan rijkdom en een bodem onder armoede. Rawls ideaal was een ‘democratie van bezittenden’ waarin iedereen, door middel van bezit en de wens dat veilig te stellen, een aandeel heeft in de samenleving. Dat een gebrek aan bezit leidt tot een gebrek aan stem en invloed is een van de grote thema’s geworden voor de huidige generatie progressieve denkers. In zijn laatste boek Kapitaal en ideologie besteedt Thomas Piketty, onder verwijzing naar Rawls, er ruime aandacht aan.

John Rawls stelde de samenleving in beginsel voor als een spel, gespeeld door iedereen nadat van tevoren de regels zijn afgesproken. Het raamwerk van de originele positie, de sluier van onwetendheid, het verschilbeginsel en de noodzaak van een reflectief equilibrium waren allemaal bedoeld om uit te komen op een set eerlijke maatschappelijke spelregels die door iedereen als eerlijk aanvaard worden. Rawls toonde hier een diep inzicht in de mens. Niemand weigert te accepteren dat een spel winnaars en verliezers oplevert. Het vooruitzicht een mogelijke winnaar te zijn is deels wat het spel de moeite waard maakt om te spelen.

Faire regels zijn de voorwaarde om het verlies te aanvaarden. Rawls besefte ook dat wie het spel niet eerlijk vindt op een zeker moment niet meer mee wil doen. Net zo goed als met rechtvaardigheid was Rawls bezig met de vraag hoe te voorkomen dat burgers boos het bord van tafel slaan omdat ze hoe dan ook verliezen. Rawls mag dan wat anachronistisch zijn, die zoektocht is blijvend relevant.