Onder de staart

‘En alles daartussen’, zei ik zo veelbetekenend mogelijk. Luister maar.

‘Maar overdag, kijkend naar de languit liggende Cristian, buiten op de grond voor de betegelde bar, zijn achterpoten die op lamsbouten leken recht naar achteren gestoken en zijn voorpoten die meer weg hadden van kippeboutjes en niet verder kwamen dan zijn neus de tegengestelde kant op, en een of twee glazen wijn gedronken van de wijn die de baas niet dronk, die aanvankelijk goed smaakte maar plotseling aan het eind van de slok ook proefde alsof je tegelijk aan een pijp laurierdrop likte, wat alleen maar weg te werken was met een volgende slok en zo maar door, daarbij van sneeuwklokjeskleurig vet dooraderde ham, vastgeprikt op bilspierrose stukken meloen, kreeg ik opeens een visioen dat diezelfde Cristian als schets, maquette is meteen wat veel gezegd, voor een architectonische constructie zou kunnen dienen. Een gebouw in de vorm van een hond. De wereld houdt niet op bij Niki de St. Phalle. De kop van Cristian is sowieso de moeite waard om nader tegen het licht te houden, maar als ingang voor een theater is hij in het bijzonder niet te versmaden. Met inpandig restaurant. Nooduitgang onder de staart. Publikumsbescheissung. Haha!’
De ui lachte niet mee. Maar huilde ook niet meer. De ui zweeg. Hier moest meer aan de hand zijn. Suggereerde hij, door willens en wetens zijn kop te houden, dat aan een dergelijke hond het lachwekkende woord pot verbonden kan worden? Een risico dat je met een ontwerp in de vorm van een kat ook zou lopen. Is de kat op het spek van een andere orde dan de os op het dak?
Op dit moment moet ik bekennen dat er zich een vraag, hoe vaag geformuleerd ook, in mijn luchtpijp begon te nestelen. Had ik al of niet toevallig met een wijze ui van doen?
Dat ik mij de vraag bewust werd, betekende dat ik alle uien die mij tot dusverre waren verschenen als dom had gekwalificeerd. Wat de wijze ui mij nu betaald kwam zetten. De wraak van de ui. In ik weet niet hoeveel afleveringen. Afleiding was geboden. Vleierij eveneens. 'Gewaardeerde ui’, zei ik, 'ik weet nog een recept.’ 'Waar zonder ui absoluut niets aan is!’