Interview spijkerschriftgeleerde Herman Vanstiphout

Onder elke heuvel een stad

Mesopotamië-kenners als Herman Vanstiphout maken zich zorgen over de oudheidkundige schatten van Irak. Deze week schreven ze een brandbrief aan de Unesco. Tegen beter weten in, zo vreest Vanstiphout.

De productiefste spijkerschriftgeleerde van het land ontvangt me in een bescheiden rijtjeshuis in Groningen. Assyrioloog dr. H.L.J. Vanstiphout heeft de gave begrijpelijk te schrijven voor een breed geïnteresseerd publiek. Onlangs leverde hij bij zijn uitgeverij het manuscript in van Eduba: Of hoe men vierduizend jaar geleden leerde schrijven en lezen, Sumerische schoolschriften die hij vertaalde en van commentaar voorzag. Een jaar eerder verscheen zijn geannoteerde vertaling van het Gilgamesj-epos, het eerste literaire meesterwerk van de menselijke beschaving. Ook verscheen van zijn hand, met een voortreffelijke inleiding, Helden en goden van Sumer: Een keuze uit de heroïsche en mythologische dichtkunst van het Oude Mesopotamië.

En ja, inderdaad, de assyrioloog kijkt met angst en afgrijzen naar de beelden die via CNN de kamer worden ingeslingerd. «Het Pentagon heeft advies ingewonnen bij archeologen. Sindsdien trekt het leger door Irak met een kaart waarop 150 plaatsen zijn aangegeven om te ontzien. Maar het zijn er in werkelijkheid natuurlijk tienduizenden. Irak is één grote archeologische vindplaats. Je moet weten: van Bagdad naar het zuiden is elke glooiing onnatuurlijk. Elke verhoging verbergt een dorp, elke heuvel een stad. Vooral het gebied ten zuiden van Bagdad, tot Nasiriya, is voor ons belangrijk. En voor archeologen. En dat is juist het gebied waar nu nog hevig strijd wordt geleverd.»

De hardnekkige gevechten die nog zuidelijker worden uitgevochten, in de buurt van Basra, zullen de archeologen en verenigde assyriologen minder kunnen deren. Herman Vanstiphout: «In de antieke tijd was Ur, een der oudste steden, vlakbij Nasiriya, een zeehaven. Alles daaronder is nieuw land, ontstaan in onze tijdrekening door het afgezette slib dat de Tigris en Eufraat meenemen uit de bergen in het noorden. Bij het begin van onze tijdrekening liepen beide rivieren nog apart de Golf in, terwijl Basra toch vrij ver onder de samenkomst van de rivieren ligt, kijk maar op de kaart.»

Assyriologie is een van de weinige vakken waarin taalkunde, letterkunde en archeologie direct met elkaar zijn verbonden. Nadat hun cultuur met de uitvinding van het schrift kwam, creëerden de dichters van meer dan vierduizend jaar terug het eerste gestructureerde en gearticuleerde literaire systeem. Vanstiphout is kenner op het gebied van de klassieke Sumerische literatuur, maar blijft geïnteresseerd in de vondsten van archeologen. «Hoewel de contouren van de taal en letterkunde vastliggen, worden er nog altijd kleitabletten opgegraven die nieuwe inzichten opleveren of oude bevestigen. Ik schat dat er nog maar éénduizendste is opgegraven van wat er onder het zand ligt. Maar wat is gevonden, is niet een willekeurig deel. Het ziet er steeds meer naar uit dat de belangrijkste plekken inmiddels zijn blootgelegd. En juist aan die plaatsen is in de afgelopen tien jaar dramatische schade toegebracht, zowel door de Amerikanen als door plunderaars die in het machtsvacuüm na de oorlog hun slag sloegen. Van Ninive bijvoorbeeld, een van de hoofdsteden van het Assyrische rijk, is weinig meer over. De troonzaal van koning Sennacherib was tot voor de vorige oorlog nog vrij goed bewaard. Maar nu is een groot aantal wandreliëfs stuk of zelfs zoek. Op internet, met name op eBay, vind je dan fragmenten van die prachtstukken aangeboden aan de meestbiedende. De schade is natuurlijk onherstelbaar.»

Geboren in Vlaanderen voerde Vanstiphouts carrière langs Leuven en Cambridge. Vervolgens accepteerde hij een hoofddocentschap in Groningen, de enige Nederlandse universiteit die de specialisatie oudere literatuur van het Sumerische rijk kent. Samen met de rest van de internationale gemeenschap van assyriologen maakt hij zich ernstige zorgen. In een brandbrief vragen ze de Unesco met klem van de coalitielanden te eisen dat zij de archeologische kostbaarheden ontzien, dat ze zullen zorgen voor permanente bewaking van de belangrijkste opgravingen, dat ze geen beschadigingen toebrengen aan «musea, universiteiten, academische bibliotheken, of andere gebouwen die bronnen bevatten voor de studie van Iraks antieke en meer recente verleden». Want, zoals de «urgent petition» stelt: «De enige toegang van onze en toekomstige generaties tot het antieke Mesopotamië loopt via de fysieke overblijfselen in Irak. Elke geschreven tekst en elk kunstwerk is uniek en onvervangbaar, en de archeologische context is even belangrijk als de voorwerpen zelf.» De verenigde assyriologen eisen ook dat hun Iraakse collega’s na de oorlog hun banen en posities terugkrijgen.

Herman Vanstiphout: «De Irakezen hebben zelf uitstekend werk verricht. Natuurlijk, de afgelopen tien jaar was het door de sancties en de permanente bombardementen van de Amerikaanse en Britse luchtmacht heel moeilijk. Ik herinner me nog dat ik in 2000 in Ur een verhaal voor een groep mensen hield, terwijl ik bovenop een ziggurat stond, zo’n oude, getrapte tempeltoren, bekend door afbeeldingen van de toren van Babel. Ik moest mijn verhaal staken vanwege het geweld van een bombardement vlak in de buurt. De luisteraars keken vreemd op, want het was natuurlijk veel minder bekend dat de Amerikanen al sinds de vorige oorlog bleven schieten op alles wat op luchtafweergeschut leek.

De enigen die ik in die periode heb zien graven, waren Oostenrijkers. Die waren bezig aan een ziggurat waarvan de kern nog volledig intact was. De regering steunde het project omdat Saddam Hoessein het plan had om voor zichzelf zo’n toren te bouwen.

Wat onder het zand ligt, is natuurlijk betrekkelijk veilig; het overige is vogelvrij. In 1992 hebben de Amerikanen een belangrijke neder zetting volledig platgereden met bulldozers. Nu schijnt het leger zich te hebben voorgenomen voorzichtiger te opereren. Maar ik maak me natuurlijk geen enkele illusie: als het erom spant, zal het geen van de vechtende partijen een zorg zijn dat er archeologische schatten verloren gaan.

Maar er is niet alleen de oorlog; de periode daarna vervult mij zo mogelijk met nog grotere zorg. Zeker als de Amerikaanse regering ernst maakt met haar voorgenomen plannen. De archeologie zal niet minder snel worden uitverkocht als de olie. Alles zal worden verkwanseld aan de hoogst biedende. Het soort mensen dat nu in de Verenigde Staten aan de macht is, kan het geen fluit schelen wat er met de Mesopotamische oudheid gebeurt. Het oude testament is immers helder genoeg: daarin lezen Bush en co dat die Assyriërs allemaal slechteriken zijn. En wat hun betreft hoeft de oorsprong van de wereld ook niet verder terug te worden gezocht dan in de bijbel. Jongens van vóór het oude testament hebben ons volgens hen natuurlijk niets te vertellen.

Daarmee staan Bush en co in een oude traditie. In de negentiende eeuw is er zelfs sprake geweest van een heus antisumerisme. Enkele geleerden kregen enige navolging door het bestaan van het Sumerisch als taal te betwijfelen. De Franse semitist Joseph Halévy bijvoorbeeld, bleef tot zijn dood in 1917 beweren dat we hier slechts te maken hadden met een soort gekunsteld geheimschrift, dat wel gebaseerd was op de eerste of gewone vorm van het schrift, maar dat door de priesters slechts in leven werd gehouden om redenen van geheimhouding, eerbied en ijdelheid. Opgravingen gaven hem in toenemende mate ongelijk.

En dit soort opvattingen hebben bijna altijd te maken met pro-semitische en antisemitische opvattingen over de geschiedenis. Zelfs nu nog proberen streng gelovige christenen aan te tonen dat de Sumerische beschaving slechts een korte periode heeft gebloeid. Dan klopt het oude testament beter. En ze hebben in zekere zin gelijk: de Mesopotamische cultuur steekt de rationalist een hart onder riem. De eerste urbane samenleving was inderdaad gericht op de rede. Het bestaan ervan stelt de gedachte bij dat de Renaissance en de klassieke, Zuid-Europese oudheid opvallende, vrij eenzame momenten waren in een zee van bijgeloof en stompzinnige afgoderij. De chaos, in de zin van het ontbreken van orde en rationele beslissingen, werd door de Sumeriërs ervaren als een duistere macht en diende te worden uitgebannen. Dat kan Bush ze niet nazeggen.»

Helden en goden van Sumer: Een keuze uit de heroïsche en mythologische dichtkunst van het oude Mesopotamië

Uitg. Sun, 253 blz., € 17,50

Het epos van Gilgamesj

Uitg. Sun, 302 blz., € 24,50

Eduba: Of hoe men vierduizend jaar geleden leerde schrijven en lezen

Uitg. Sun, 240 blz., € 19,50, verschijnt 20 april 2003

Alle titels zijn vertaald, samengesteld en toegelicht door Herman Vanstiphout.