Favoriete herontdekkingen

Onder het stof vandaan

Boeken en schrijvers ontdekken is mooi, maar boeken herontdekken is misschien nog wel mooier. De Jong, Lispector, Harmsen van Beek, Spark, Boer, Simons, Ginzburg – favoriete herontdekkingen volgens Groene-recensenten.

Dola de Jong in Amsterdam voor de oorlog © Erven de Jong

Gesloten slaapkamerdeuren

Toen Dola de Jongs De thuiswacht in 1954 verscheen, wist de destijds vermaarde criticus Jan Greshoff zich er niet echt raad mee. Van de levensechtheid van de personages was hij overtuigd, maar ‘dat hun doen en laten, helaas, weinig belangrijk, weinig overtuigend en weinig in overeenstemming met hun wezen is, kan evenmin ontkend worden’. Gelukkig zagen lezers wat Greshoff in zijn vooringenomenheid ontging: dat De Jong juist op soevereine wijze inzicht bood in twee ten diepste verscheurde wezens. In het nawoord bij de heruitgave uit 2017 schrijft Eva Cossée: ‘De uitgeverij stuurde De Jong stapels post door van getrouwde vrouwen die in de klem zaten, en van ongehuwde vrouwen die niet voor hun geaardheid durfden uit te komen.’

Bij die herontdekking werd De thuiswacht gekaderd als een roman over een liefdesrelatie tussen twee vrouwen, en dat is het óók, maar De Jong doet nog meer: ze onderzoekt de schemerzone tussen liefde en vriendschap, de rol van aantrekkingskracht en afhankelijkheid, en de reikwijdte van onze zelfkennis.

In de compacte roman kijkt verteller Bea na dertien jaar terug op haar verhouding met Erica. In temperament zijn ze elkaars tegenbeeld, maar als de cerebrale, verantwoordelijke secretaresse Bea in 1938 de jongensachtige, egocentrische journalist Erica ontmoet, voelt ze meteen een onweerstaanbare fascinatie. Binnen een maand betrekken ze samen een etage op de Amsterdamse Prinsengracht, waar de schuifdeuren tussen hun slaapkamers gesloten blijven, terwijl onderhuids van alles broeit.

Met een koele intelligentie ontleedt Bea de emotionele onderstromen van hun ingewikkelde relatie, waarin onbegrip tot eenzaamheid leidt. De eerste helft van de roman lijkt Bea vooral een meubelstuk in het leven van Erica, en toch is ze om voor zichzelf ondoorgrondelijke redenen bereid haar eigenwaarde te offeren. De machtsbalans slaat om wanneer de dreiging van een Duitse invasie toeneemt. Met terugwerkende kracht erkent Bea dat er in haar zorgen om de half-joodse Erica ook iets heerszuchtigs zat.

Loepzuiver laat De Jong zien dat Bea en Erica elkaar in de tang blijven houden omdat Bea niet buiten haar vermeende heteroseksualiteit durft te denken. De beheersing waarmee Bea aanvaardt dat ze zichzelf uit angst beperkingen heeft opgelegd, zonder achteraf te kunnen verklaren waarvoor precies, raakt je midscheeps: ‘Ook zij heeft begrepen dat ik de slagboom had neergehaald, dat ik mijn asielrecht vond achter die grenspaal, binnen de door mijzelf geconstrueerde prikkeldraadversperring.’ De bewuste open plek in deze roman is dat Bea nooit zal weten hoe haar leven was gelopen als ze Erica’s liefde had durven toelaten. Dat de lezer nu een ander perspectief heeft dan Dola de Jong in 1954 – inzicht in de omvang van de holocaust, bijvoorbeeld – maakt het tragische slot van De thuiswacht alleen maar indringender.

Femke Essink
Dola de Jong, De thuiswacht, Cossee, 154 blz.

Operatie geslaagd

Degene die over een jaar of tien een proefschrift over dit onderwerp schrijft, zal waarschijnlijk kunnen vaststellen dat Clarice Lispector (1920-1977) de eerste grote literaire herontdekking van haar soort was. In zekere zin kun je haar casus zelfs als prototype beschouwen. De Braziliaanse auteur van joods-Oekraïense afkomst werd in 2009 afgestoft door de Amerikaanse letterkundige Benjamin Moser, die Lispector internationaal lanceerde met een fraaie biografie, maar vooral met een uitgekiende pr-campagne: zijn typering van Lispector als ‘that rare woman who looked like Marlene Dietrich and wrote like Virginia Woolf’ werd vaker geciteerd dan de analyses van haar literaire werk.

Maar Moser bleek gelijk te hebben: lezers van de verramsjte en vergeten Engelse vertalingen stuitten op een verloren Grote Modernist, die zich wonderwel kan meten met Kafka, Joyce, Borges en Woolf. In de Verenigde Staten werd haar hele oeuvre opnieuw uitgegeven, en de rest van de wereld volgde. Overal kom je haar tegen: op de plank in de boekhandels, als onderwerp van academische studies, lievelingsvoorbeeld van romanciers en filosofen of als aanleiding voor literaire programma’s. Operatie geslaagd, schrijver gerehabiliteerd.

In 2017 las ik de vertaling van haar sublieme slotwerk, Het uur van de ster, en een jaar later het mystieke, uitzinnige De passie volgens G.H., dat prompt een van mijn favoriete romans aller tijden werd. Het is moeilijk te zeggen waar Lispectors charme ’m precies in zit, maar ik was vooral getroffen door haar naïeve, bijna wereldvreemde zinnen, die steeds de meest complexe menselijke gevoelens proberen te vatten – en daar nog in lijken te slagen ook. Wanneer verteller G.H. uiteindelijk de kakkerlak eet en opnieuw wordt opgenomen in het goddelijke ‘zijn’, dan geloof je dat niet alleen, je voelt het met haar mee. Niet veel schrijvers beschikken over het vermogen om de geest op te rekken en lezers zulke grote denksprongen te laten maken, maar Clarice Lispector kan het. En hoewel we met vier heruitgaven in vijf jaar bepaald niet misdeeld zijn, wil ik toch een oproep doen aan De Arbeiderspers om ook nog het geweldige Água viva (1973) te publiceren. Voor begeesterde vertalers als Harrie Lemmens en Adri Boon zijn die 85 pagina’s vast een kleine moeite.

Lodewijk Verduin
Clarice Lispector, De passie volgens G.H., De Arbeiderspers, 256 blz.

Dubbelgepuntmutst en al

‘Harmsen van Beek, laten we haar Harmsen van Beek noemen.’ Met een man of dertig, we spreken pre-pandemie, zweren we samen in een donkere studentenkelder. Kaarslicht, volk verspreid over stoelen, leuningen, het kleed: in het midden een fauteuil waarop Maaike Meijer. Kort ervoor was Meijers biografie Hemelse mevrouw Frederike over Frederike ‘Fritzi’ Harmsen van Beek (1927-2009) verschenen, het gezelschap had haar uitgenodigd om erover te komen vertellen. ‘Maar is Fritzi…?’ begint iemand een vraag. Meijer: ‘Laten we haar Harmsen van Beek noemen.’

Die aansporing bleek een introductie op de biografie. Meijer legde uit in haar boek de mythe rondom Harmsen van Beek te herroepen, de mythe van ‘flodderdiva’, gastvrouw van de gekraakte Blaricumse villa Jagtlust, het literaire Lloret van de jaren zestig. Harmsen van Beek was meer dan frivole Fritzi, meer dan de Jagtlustse muze die Annejet van der Zijl van haar had gemaakt in haar sensatieboek over de villa uit 1998. Ze was een veelzijdig kunstenaar, schreef gedichten en verhalen en maakte beeldend werk.

Harmsen van Beek dus. Gaandeweg de avond raakten we doordrongen van de geboden eerbied. Nadat Meijer een gedicht uit 1958 had gereciteerd, lag het op ieders lippen: Harmsen van Beek. ‘lig/ lig neer,/ lig bij mij/ neer in onzin, lig/ witzinnig neer, spil/ met mij om, onmachtig wacht/ in woordloze verwildering totdat, o.’ Een veelzijdig kunstenaar, zeg dat. Was deze zinderende dichter dezelfde als die van ‘Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping’, het vers waardoor ik zelden nog naar onze kat kijk zonder dwanggedachten aan de woorden ‘radarbesnord’ en ‘dubbelgepuntmutst’? Waardoor er, ’s ochtends als ik wakker word en de vogels hoor, ‘druk telefonerend van: hallo met piet,/ kom je op mijn tak?’, met regelmaat een kleine blijdschap in me vaart?

Harmsen van Beeks verzameld werk is pas in paperback verschenen, men kan er niet meer omheen. Meijers biografie heeft haar werk gedaan, een groot kunstenaar is in ere hersteld. Of nou ja. Laatst, toen ik op het punt stond in een Haags antiquariaat een verhalenbundel van Harmsen van Beek af te rekenen, informeerde de verkoper: ga je dat echt lezen? Neem liever het boek van Van der Zijl, dát is leuk. De bundel met een keuze uit haar gedichten die onlangs is uitgekomen, draagt de omslagvullende titel, jawel: FRITZI. Ach, Harmsen van Beek, frivole Fritzi: van mij mag ze met allebei die petten op de geschiedenis in, dubbelgepuntmutst en al. Als ze de geschiedenis maar ingaat.

Kim Schoof
De Poezieboys, FRITZI, een keuze uit de gedichten van F. Harmsen van Beek, De Bezige Bij, 64 blz.

Ze waant zich god maar is lerares

De naam Muriel Spark kende ik eigenlijk alleen van de geknakte ruggetjes in tweedehands-boekenzaken toen ik haar een paar jaar terug on a whim begon te lezen. De Britse Spark (1918-2006), oververtegenwoordigd in het tweedehands-circuit, schreef dan ook meer dan twintig romans, naast biografieën, verhalen, gedichten, essays. Ze debuteerde in 1957 met de roman The Comforters, die vertelt over een vrouw die een vertelstem bij haar eigen leven hoort, alsof ze een personage is in een boek: een ironisch spel met fictie en realiteit dat vooruit bleek te wijzen naar de rest van Sparks oeuvre, dat in het Engels nog steeds wordt uitgegeven, om de zoveel tijd in een nieuw jasje.

Mijn eerste Spark was geen oud ruggetje maar zo’n nieuw jasje. In The Driver’s Seat, een novelle uit 1970, reist Lise vanuit Noord-Europa naar het zuiden. Lise is een gewone vrouw met een gewone baan die op een gewone vakantie gaat, en toch is er iets vreemds met haar. Al haar handelen staat in teken van een masterplan dat pas op de laatste pagina’s aan de lezer wordt geopenbaard; een gruwelijke clou die ik las met een mix van schok en opwinding, en vervolgens ook schaamte – mocht ik dit wel voelen? Mocht ik dit grappig vinden?

Recent bracht uitgeverij Orlando een Nederlandse vertaling uit van Sparks bekendste roman: The Prime of Miss Jean Brodie uit 1961. In het Edinburgh van de jaren dertig vormt zich een clubje van zes meisjes rond lerares Miss Jean Brodie, in wier eigenzinnige lesmethode haar eigen leven en opvattingen centraal staan – zoals bijvoorbeeld haar voorkeur voor fascisme. Maar waar de roman eigenlijk over gaat, en waar het bij Spark steeds over gaat, is het projecteren van fictie op de realiteit. Miss Brodies pupillen gebruiken hun lerares om te fantaseren over seks, romantiek en het leven van volwassenen, terwijl Miss Brodie op haar beurt een van de meisjes als stand-in gebruikt om een romance te beleven met een collega.

Sparks oeuvre gaat over macht, de macht die te verkrijgen is via fictie en fantasie, en die dus beperkt is. Haar toon is geestig, vilein, opgeruimd, maar ook ongrijpbaar. De verhalen die ze vertelt zijn abstract, en worden tegelijkertijd gekenmerkt door een indringend gevoel van beklemming. De personages lijken opgesloten in hun eigen verhaal: de begrenzingen van macht zijn ook gewoon de begrenzingen van het boek. Miss Brodie waant zich god maar ze is maar een lerares; als in The Girls of Slender Means brand uitbreekt in een hostel weten alleen de meisjes die op hun lijn hebben gelet te ontsnappen door het smalle raam; in The Driver’s Seat bepaalt Lise haar eigen lot, maar lag dat lot niet bij voorbaat vast in een terugkerend patroon van mannelijke agressie en vrouwelijke passiviteit? Ze neemt het stuur maar bepaalt nog steeds de route niet.

Basje Boer
Muriel Spark, De beste jaren van juffrouw Brodie, Orlando, 176 blz.

De dubbele ontsnapping

De Wikipedia van Jo Boer (1907-1993) leest op zichzelf al als de flaptekst van een avonturen-roman: ‘Boer werd op Java geboren, en ging toen ze twee jaar oud was met haar moeder naar Den Haag. Daar kreeg ze tekenles van de kunstenaars Chris Lebeau en Jan Toorop. Na de zoveelste ruzie met haar moeder ging ze in 1924 bij Charley Toorop in huis wonen. Na enige tijd vertrok ze naar Parijs, waar ze onder andere werkte bij het Nederlands paviljoen in de Koloniale Wereldtentoonstelling.’

Daarna gaat het nog verder: ze woonde in Den Haag, Amsterdam, Algerije. Tijdens de oorlog werkte ze voor de Royal Navy, na de oorlog op de Nederlandse ambassade in Parijs. Ze vertaalde D.H Lawrence, Sartre en Gore Vidal – en terwijl je die Wikipedia leest denk je alleen maar: hoe kan het dat ik nog nooit van deze geweldenaar heb gehoord?

Dat is dan het wonder van de herontdekking, dat opeens vorig jaar Boers grote roman (daarvoor antiquarisch niet eens meer te vinden) Kruis of munt verschijnt, bij uitgeverij Prometheus.

Kruis of munt is het verhaal van de familie Landman, of eigenlijk wat ervan over is. Ooit was het een trots roemrijk koloniaal vertakt geslacht. Nu is het chique servies over, maar het geld weg. De schorpioenachtige trots is er nog, op het onmogelijke af: als een van de dochters des huizes met een stijlvolle Indonesische man wil weglopen, stopt de patriarch van de familie haar weg in een gesloten inrichting.

Boer stopte haar eigen ervaringen in de jongste telg van het gezin, Jopie, die het allemaal aanziet en nét niet begrijpt. Boer schrijft: ‘Het moeilijke van het kind-zijn ligt misschien hierin, dat men zijn jeugd doorbrengt als tussen de coulissen van een grote antieke tragedie, waarvan de voorstelling al afgelopen is; men kijkt tegen brokstukken kleurig leven aan, die geen enkel verband meer met elkaar hebben. Men kijkt er tegen aan. Men kijkt er niet achter.’

Wat ze wel begrijpt is dat er iets niet klopt, de hardheid waarmee haar opa en oma naar elkaar kijken, de dwang die haar eigen moeder op haar uitoefent, het gevoel niet thuis te horen in Soerabaja, maar ook niet in Den Haag. Aan elke daad hangt een oordeel – iets is ongepast, niet chique. Mannen zijn verkeerd, want Indisch, ongetrouwd, dronken, of joods. Allemaal oordelen die vanzelf de denkwereld van Jopie gaan kleuren, totdat ze niet meer weet of ze nu aan haar familie moet ontsnappen, of aan zichzelf. Kruis of munt is daarmee een dubbele ontsnappingsroman

Boer ontsnapte zelf dus wel – gezien haar heroïsche leven. Iemand werkt nu aan haar biografie. Ik kan niet wachten.

Joost de Vries
Jo Boer, Kruis of munt, 304 blz.

De wond bedekken

Op Dolle Dinsdag, 5 september 1944, vertrok Ida Simons-Rosenheimer (1911-1961) met het op een na laatste transport vanuit Westerbork naar Theresienstadt in Tsjechoslowakije. Door een ‘wonder’ – een krijgsgevangenenuitruil waar Himmler bij betrokken was – overleefde zij met haar man en zoontje Jan de holocaust. Na de oorlog probeerde Ida Simons haar carrière als concertpianiste voort te zetten. Vóór 1940 had ze onder meer met het Residentieorkest en het Concertgebouworkest onder leiding van Bruno Walter opgetreden, begin jaren vijftig maakte ze een laatste tournee door Amerika. Maar de twee concentratiekampen hadden haar gezondheid voorgoed ondermijnd en concertpianist is een zwaar beroep. Ze ging schrijven.

In 1958 verscheen haar roman-debuut Een dwaze maagd. Die sterk autobiografische Antwerpse en Berlijnse jeugdherinneringen lijken slechts één keer te verwijzen naar de oorlog: ‘Opa Harry was een joodse antisemiet; dat kwam wel meer voor onder zijn tijdgenoten. Ze beleefden daaraan betrekkelijk onschuldig genoegen dat de gaskamergeneratie niet meer gegeven is.’

De dwaze maagd is de twaalfjarige Gittel, een naam die in de postume fragmentenbundel Als water in de woestijn (1961) verklaard wordt. Gittel is een Jiddische verbastering van Gütele, wat zoveel betekende als ‘braaf’. En braaf is Gittel, zelfs al te meegaand en goedgelovig. Dat zal ze weten ook, want tegen het einde van de vertelling blijken vele naasten heel anders – want vol eigenbelang – te zijn dan Gittel dacht. Een hardhandige maar leerzame opvoeding in het besef dat al te veel mensen misleiders zijn.

Simons schrijft buitengewoon beeldend én humoristisch over Gittels ‘overleven’. Indirect gaat haar hele werk over ‘het kamp’. Humor hoort bij de overlevingsstrategie en is een houvast in crisistijd, of dat nu Berlijn anno 1923 is (Simons laat de markinflatie vervloeien met familiedieptepunten) of het verlies van een oudere ‘vriendin’. Humor is een ‘kleurige lap die de wond bedekt’, maar die wond (het kamp) heelt nooit. Op dinsdag 27 juni 1961 maakte zij, vijftig jaar oud, een eind aan haar leven.

Haar meest directe vertelling over Westerbork en Theresienstadt is In memoriam Mizzi, dat ze voor haar zoontje schreef. Het verhaal begint verrassend én wrang: ‘De waarheid moet maar eens gezegd: de kinderen vonden het leven in een kamp heerlijk.’ Het in memoriam betreft geen mens maar een hond, een láchende hond die Westerbork wordt binnengesmokkeld en zelfs de trein naar Tsjechoslowakije overleeft. Die indirecte en zakelijke wijze van vertellen over leed, vernedering en de massamoord blijkt buitengewoon effectief. In memoriam Mizzi is een indringend holocaust-verhaal.

In juni verschijnt Mieke Tillema’s biografie Ida Simons, pianiste, schrijfster, overlevende bij uitgeverij Cossee, die haar kleine, bijna vergeten oeuvre vanaf 2014 uitgaf.

Graa Boomsma
Ida Simons, Een dwaze maagd, 208 blz.

Het woord ‘ik’ zoek je vergeefs

Nog geen honderd pagina’s telt Omsingeld, toch is het een van de indringendste boeken over ‘de’ oorlog, over oorlog überhaupt, die ik ooit gelezen heb. En niet omdat de auteur, de Russische literatuurwetenschapper Lidia Ginzburg, zich verliest in ahistorische, hoogdravende speculaties over de essentie van de mens als gewelddadig dier of iets dergelijks. Integendeel eerder, dichter bij de meest elementaire instincten, emoties en handelingen van mensen in de zwaarste fysieke nood dan in dit proza kan een schrijver niet komen.

De omsingelde stad in kwestie: Leningrad, zoals Sint-Petersburg ten tijde van de Tweede Wereldoorlog nog heette. Van september 1941 tot januari 1944, oftewel gedurende negenhonderd dagen, werd Leningrad door de Duitse Wehrmacht geïsoleerd; alleen al in de winter van 1941/1942 stierven er een half miljoen burgers de hongerdood. Ginzburg wilde geen gebruik maken van de vluchtmogelijkheden omdat ze haar zieke moeder niet in de steek wilde laten, zij was een van de overlevenden.

In schoolschriften had ze met potlood ‘notities van een belegerde’ gemaakt. Pas in 1984 werden die in bewerkte vorm gepubliceerd, een paar jaar later ook in Nederlandse vertaling, met een belangrijk nawoord van Kees Verheul, die de schrijfster vooral ook als literatuurwetenschapper eer bewijst.

Het bijzondere van de publicatie valt onmiddellijk op. Hoewel het uitsluitend om strikt persoonlijke observaties en inzichten gaat, speelt Ginzburg zelf geen enkele rol in het immense drama, zelfs het woord ‘ik’ zoek je vergeefs. Ook over de dood van haar moeder geen woord. De oorlog is alleen op de achtergrond, als gegeven, aanwezig. In de politieke en historische dimensies lijkt ze niet geïnteresseerd. Het spectaculaire en heldhaftige – de stof waaruit vrijwel alle latere oorlogsliteratuur en -films zijn gemaakt – negeert ze soeverein; over de bombardementen, het creperen, de gruwelen rept ze hooguit zijdelings. Alle aandacht gaat naar het grauwe, alledaagse, prozaïsche overleven in onleefbare omstandigheden.

Een appendix op Omsingeld (gepubliceerd in Raster 75, 1996) is wel nog in de ik-vorm geschreven. In een passage over de irritaties van het in de rij moeten staan bij het ‘winkelen’, zegt ze het expliciet: de beschietingen werden niet gezien als wat het in wezen was, ‘een dodelijk gevaar, maar meer als een bijkomende bron van irritatie’; de honger, het gedrang, de vernedering, het gestuntel, de jaloezie gedurende het eindeloze geschuifel laten het besef van dat dodelijke gevaar niet of nauwelijks toe.

Omsingeld staat haaks op alles wat in de literatuur van nu populair is; voor al die opgeklopte ego’s met hun miezerige gekrenktheden zou lectuur ervan een hygiënisch effect kunnen hebben. Welke uitgever durft het aan, een heruitgave aangevuld met wat er uit Ginzburgs nalatenschap nog is opgedoken, in het bijzonder (in 2006) het verhaal van medelijden en wreedheid over de hongerdood van haar moeder?

Cyrille Offermans
Lidia Ginzburg, Omsingeld, Pegasus, 104 blz.