Onder mijn huid

De leukste mensen zijn vaak ook de engste mensen. Wat zich op papier laat lezen als eigenzinnigheid dient zich tegenover je, in real life, nogal eens aan als botheid. Ik weet het, met aardige mensen kan de tuin worden aangeharkt, maar als ik eerlijk ben wil ik dat mensen het op kunnen brengen aardig te zijn. Ik vind het een teken van beschaving en intelligentie.

Het zou niet mee mogen spelen, maar van honden­lullen lees ik hun boeken niet (meer). Tim Parks is geen hondenlul, maar wel nogal een zeikerd. En zo weet ik er nog wel een paar. Ik hoef hun werk niet meer te lezen. Ging ik vroeger a priori gebukt onder eerbied, inmiddels denk ik: laat eerst maar eens zien.

Ik kwam een vroegere vriendin tegen op een feestje. Ze zag er anders uit, een uitgebeende versie van haar vroegere zelf.

‘Ik weet het’, zei ze. ‘Het is mijn vader. Hij komt in mij naar buiten.’

Soms denk ik ook dat iemand zich onder mijn huid beweegt en naar buiten wil. Maar wie of wat dat ook is, mijn vader is het in ieder geval niet.

‘Je hoeft haar niet te ontmoeten hoor’, werd ik altijd gewaarschuwd door mensen die wisten van mijn bewondering voor Renate Rubinstein.

Inmiddels kan dat ook niet meer, want ze is al 22 jaar dood, maar ik ben haar lang na haar dood blijven lezen. Nu al weer een paar jaar niet, maar door de dood van Nora Ephron moest ik weer aan haar denken. Frits Abrahams schreef ook al over de parallellen tussen beide schrijfsters. Beiden keken onbarmhartig naar zichzelf en haar omgeving, schrijft hij. Ook schreven ze allebei een boek over hun echtscheiding (en allebei even vilein als verdrietig tegelijkertijd). En allebei hadden ze veel aandacht voor het ouder worden en de lichamelijke neergang (welke vrouw niet).

Ephrons voorlaatste boek, Wat baal ik van mijn hals – een nogal triviale vertaling van I Feel Bad about My Neck al zou ik het ook zo gauw niet beter weten, misschien: Ik maak me zorgen over mijn hals – ging onder meer over haar kwijnende decolleté. Dat ze het niet kon laten om het vel voor de spiegel strak te trekken. Ik herinner me van een van de stukken van Rubinstein hoezeer ze de spot dreef met de sjaaltjes die vrouwen op zekere leeftijd om hun nek gaan knopen. Maar als ik het me goed herinner had ze het toen tegelijkertijd over de bespottelijkheid van de vredesbeweging. En van de vrouwen­beweging.

Ze werd 61, Renate.

‘Wanneer durf je jezelf als “ouwe taart” te bestempelen’, vroeg ik Hedy d’Ancona tijdens een etentje vlak nadat die zichzelf als ouwe taart had bestempeld.

‘Als je jezelf niet als een ouwe taart beschouwt’, zei ze.

Ik had me voorgenomen een van de delen verzameld werk Rubinstein uit mijn kast te pakken en op een willekeurige plek open te slaan. Kijken of ik haar nog steeds zo onweerstaanbaar vond. Nu is dat ‘uit mijn kast’ pakken een beetje een eufemisme. Ik was begonnen mijn boekenverzameling te herordenen. Een van de simpelste fasen daarin leek de verzameling Rubinstein te isoleren. Misschien naar mijn zoons kamer over te hevelen als hij het huis uit ging. Nu is hij net het huis uit, een verhaal op zich, maar van overhevelen is het nog niet echt gekomen.

Ik probeer alles te schrijven zoals het is, omdat ik een steeds grotere weerzin heb tegen mooischrijverij. En tegen leukdoenerij. Zeg maar gewoon waar het op staat, als het goed is is dat leuk genoeg.

Ik weet niet wie zich in mij beweegt, ik ken haar niet.

De verzameling Rubinstein is zo groot, omdat ik alle afzonderlijke bundels heb, en daarna ook de nieuwe edities heb gekocht, en dus de delen verzameld werk. Ik zat laatst te denken aan wat zij ook weer schreef over De dame met het hondje, van Tsjechov. Ze had de verfilming daarvan gezien en zich verbaasd over hoe goed er beeld was gevonden bij de gedachten van een personage. Hoe druk je onverschilligheid uit? Of preciezer gezegd: de tanende belangstelling van een minnaar? Het was iets met een zakdoek of een handschoen. In de eerste herordeningsfase had ik de Rubinstein-­verzameling wel alvast uit de boekenkast gehaald. Nu is het een stapel op de grond, en als ik één boek eruit haal dondert de rest om.

Het zij zo.

Deel drie heb ik nu te pakken. 1981-1990. Als ik het opensla, fladdert er een papiertje uit. Het is een sinterklaasgedicht. Het is getypt, ik denk nog op een typemachine. Mijn naam is echter met de hand geschreven, en ik herken onmiddellijk de sierlijke stevige pen van mijn vader. Er staat geen aanhef of niks, en het zijn maar acht regels. Het is een boodschap uit een vroeger leven, ik kan het eigenlijk niet aan. Niet omdat hij er nu al zo lang niet meer is, maar omdat hij een appèl doet op iemand die niet meer bestaat. Een liever iemand.