Onder ogen

Van het oog vernauwt en verwijdt zich slechts de pupil, dus ‘spiegel der ziel’ of beperkter: ‘der gemoedstoestand’, schijnt te veel eer. Toch is het gebied ter weerszijden van de neuswortel, of dat nu oog, ooglid, spiertjes rondom of de combinatie daarvan betreft, vaak seismograaf van de gemoedstoestand. Betrapt worden op onwaarheid kan tot blozen leiden, maar ik heb toch vooral het gevoel dat ik raar sta te kijken. En zie ik een foto van Willeke Alberti na de uitslag (papa had gelijk: nooit meedoen, kind) dan denk ik de wanhoop toch vooral in de ogen te zien.

Voor een studie over ‘oog en emotie’ zijn videobeelden onmisbaar van de ontmoeting tussen Brinkman en De Poel in Brandpunt aan de vooravond van de verkiezingen. Ik doel niet op Brinkmans oogopslag uberhaupt, zoals beschreven en van commentaar voorzien in dundrukdelen journalistieke varia. Het gaat om daar en toen en het betreft twee heren. Tot mijn schande: ik zie Brandpunt vaker niet dan wel, zoals trouwens ook zijn collegarubrieken. Dat heeft iets met kwaliteit van doen - geschreven journalistiek graaft gemeenlijk dieper - maar ook met het stijgen der jaren: eeuwig gaat voor ogenblik. (Wat ook weer te chic is, want heel wat trivialia zie ik wel.) Dat ik keek was een combinatie van pure zap-mazzel en nieuwsgierigheid: zou het CDA die kans werkelijk laten lopen? Nee dus. En mijn ogen wendden zich de eerste ogenblikken van plaatsvervangende schaamte haast af omdat twee gehaaide mediatijgers letterlijk niet wisten hoe te kijken. Even leek het of De Poel zo met de situatie zat (een kritisch stukje over de bovenmeester B. is een, maar hem daarna onder ogen komen iets anders) dat hij Brinkman minder vuur aan de schenen ging leggen dan diens collegae-voorgangers. Maar hij herstelde zich. Trouwens, z'n vragen stonden op papier. Brinkmans ogen maakten duidelijk dat hij zich niet betrapt maar geflikt voelde. Hij blijft in eigen ogen de onkreukbare burgemeesterszoon, kampioen van gezins- en familieleven (maar dat die oom naast pistooldragend ook nog gescheiden moet zijn…). Natuurlijk moest hij komen met een verhaal. Hij beschreef 'een wandeling met vrienden en twee ontmoetingen’. Lees ik net in Het woord van eer van Frits van Oostrom (wat ik nooit gedaan had zonder diens optreden in Zomergasten: televisie doet lezen) over de veertiende-eeuwse dichter Willem van Hildegaersbergh: 'In de inleiding van het gedicht beschrijft Willem hoe hij eens ging wandelen in de vrije natuur - het stereotiepe signaal waarmee het genre van de sproke aangeeft dat wat nu volgt een verzonnen handeling verhaalt.’ Ach, Elco wandelde door Utrecht en niet in de natuur; en hij ontmoette Rabbae plus een invalide en niet een schildknaap; en hij wil suggereren dat het 'waar gebeurd’ is terwijl Willem juist op fictie wijst. Maar het was, mede door de wanhopige ogen, zo pover en geforceerd dat onbedoeld het signaal 'Dit is een sproke’ werd gegeven. Want politici en dominees gaan uit wandelen en komen oude vrouwtjes in treinen tegen. Net als columnisten. Maar dit is waar gebeurd.