Cormac McCarthy, Geen land voor oude mannen

Onder oorlogsveteranen

Cormac McCarthy

Geen land voor oude mannen

Vertaald door Roland Vlek

De Arbeiderspers, 215 blz., e 18,95

De mannen die Cormac McCarthy vanaf zijn beroemde Border Trilogy laat rondzwerven in het grensgebied tussen Texas en Mexico zijn steevast stugge, weinig spraakzame verdoemden in een niemandsland, verwond door een verzwegen verleden. Zijn achtste roman, No Country for Old Men, speelt zich af in een heden vol drugsoorlogen, in datzelfde Terra Damnata. De woestheid van de eindeloze zandvlakten, ruwe rotsen en regensluiers «donker als roet» weerspiegelt het rudimentaire innerlijk van McCarthy’s opgejaagde menselijke wild. «Deze God zwijgt die het achterliggende land heeft gereinigd met zout en as.» Dat land is keihard voor de mensen, die datzelfde land nooit ergens de schuld van geven. Het «kan je zomaar het leven kosten en toch zweren de mensen erbij».

McCarthy’s roman wordt gedomineerd door de gecursiveerde overpeinzingen en ontboezemingen van de Texaanse sheriff Bell. Geconfronteerd met een explosie aan onopgeloste moorden in zijn district staat hij op het punt er de brui aan te geven en geeft zich over aan overpeinzingen over goed en kwaad. Die dagboekachtige innerlijke monoloogjes wisselt McCarthy af met een hardboiled verhaal over mensenjacht, inclusief moderne opsporingstechnieken. De dertiger Llewelyn Moss – toen scherpschutter in Vietnam, nu lasser in het burgerleven – vindt op een onbewaakt ogenblik in de verdoemde woestenij auto’s met lijken en restjes Mexicaanse bruine heroïne, maar ook een zwartleren aktetas met een paar miljoen dollar erin. Hij pakt de tas en gaat ervandoor. Geld verandert de mens. Zijn lot is bezegeld, want hij weet dat de jacht op hem is begonnen en dat die pas ophoudt als hij dood is. «Hij wist wat er komen ging. Hij wist alleen niet wanneer.» Datzelfde geldt voor de McCarthy-lezer, die zich tijdens de klopjacht ook opgejaagd voelt (de prachtige jachtige dialogen) en af en toe overrompeld wordt.

Hoewel de sheriff een zwak voor Moss heeft en hoewel een andere veteraan – Carson Wells, luitenant-kolonel bij de Bijzondere Eenheden in Vietnam – hem wil beschermen tegen de meedogenloze jagers, is er geen kruid gewassen tegen de eeuwige jager in No Country for Old Men: Anton Chigurh. Wie is hij? Een ongeleid projectiel, een psychopathische moordenaar, een zelfdestructieve loner, eigen rechter, een vleesgeworden Mammon die God tart of een ongrijpbare man die alle pijn verbijt en er principes op nahoudt die boven geld of drugs verheven zijn? Chigurh, die zich bedient van slachthuiswapens en als aanhanger van het lot zweert bij het opgooien van muntjes, is een menselijke pitbull die van geen wijken weet. Hij zorgt ervoor dat de vertelling hardboiled à la McCarthy blijft. Dat gaat zo: «Chigurh schoot hem in het gezicht. Alles wat Wells ooit had geweten, gedacht of liefgehad droop langzaam van de muur achter hem naar beneden. Het gezicht van zijn moeder, zijn eerste communie, vrouwen die hij had gekend.»

Sheriff Bell vraagt zich af of zijn politiewerk wel enig nut heeft of effect sorteert. Wat te doen in de staat Texas waar de grenspolitie zelf veel geld verdient aan de drugshandel? Hoe de verslaving van schoolkinderen te bestrijden? Dweilt hij, die Anton Chigurh wel op de hielen zit maar telkens weer laat lopen, niet met de kraan open? «Als je Satan was, en je probeerde iets te verzinnen om het menselijk ras mee op de knieën te krijgen dan zou je hoogstwaarschijnlijk met verdovende middelen op de proppen komen. Misschien is het zo ook wel gegaan.» De waarheid is een rots, blijft de religieuze Tweede-Wereldoorlogveteraan Bell volhouden. Die is niet te vervalsen. In al zijn naïeve, menslievende eenvoud zegt hij dingen die ontwapenen en verontrusten: «Maar de waarheid zal er ook nog zijn als de rots al is verdwenen. Ik weet zeker dat er mensen zijn die zich daar niet in kunnen vinden. Heel wat zelfs. Maar ik ben er nooit achter gekomen wat die mensen dan wel geloofden.»

Anderen vinden hem een achterlijke sheriff van een achterlijk district in de achterlijke staat Texas. Maar ook hij, oorlogsheld met decoratie, heeft een geheim dat hij later in No Country for Old Men opbiecht. Hij vindt zichzelf geen held maar een lafaard die op een cruciaal moment zijn soldatenkameraden in de steek liet en als het ware zijn eigen leven stal. Oorlogen zullen er altijd zijn, schijft McCarthy al in Meridian (1985). Voor de mens er was lag de oorlog al op hem te wachten. De moraal wordt voortdurend door de gewelddadige geschiedenis afgestraft.

Maar liefst drie McCarthy-personages in No Country for Old Men zijn getekend door een oorlog waarbij Amerika betrokken was. De oudere Bell weet wat de jongere Vietnamveteranen doormaken. Die hebben dingen uitgevreten «die ze daar maar wat graag hadden achtergelaten». De Vietnamoorlog woedde door na terugkomst in de VS. Mensen scholden de veteranen uit voor kindermoordenaars, het vaderland beschimpte de ex-soldaten. Vietnam bleek ook in Amerika te liggen, een land dat door de drugsoorlogen en de grenzeloze misdaad misschien al naar de verdommenis was gegaan, veronderstelt sheriff Bell. «Mensen beweren dat Vietnam dit land op de knieën heeft gekregen. Maar dat heb ik nooit geloofd. Het was er al beroerd mee gesteld. Vietnam was alleen maar het topje van de ijsberg.»

En zo tilt de «achterlijke» sheriff Cormac McCarthy’s roman – die zo verfilmd kan worden zonder enige aanpassing van de kale maar zeer effectieve dialogen – op tot een indringende vertelling over oorlogsveteranen die geestelijk gewond blijven. Want je kunt je leven nooit opnieuw beginnen. Er bestaat geen schone lei. Tart het lot, fluistert het typische McCarthy-personage, en zie waar je terechtkomt.