Ger Groot

Onderaards

Het tweede bedrijf van Beethovens Fidelio begint in het aardedonker met een schreeuw: Gott! Van bovenaf valt wat licht op Florestan, gevangene van de gouverneur Pizarro, in zijn onderaardse cel. Wahrheit wagt’ ich kühn zu sagen, zingt hij, und die Ketten sind mein Lohn. Het is het lied van alle politieke gevangenen, altijd en overal.

Ik zag die scène zo’n tien jaar geleden op het Amsterdamse operatoneel, niet vrij van ongerijmdheden (Pizarro’s schrikbewind werd gesymboliseerd door de vlag van het democratische Spanje en koffie werd er geserveerd met een noordelijk kannetje room…), maar Florestans klacht sneed door merg en been. Öd ist es um mich her! Nichts lebes ausser mir. Met die vreemde wending die in dat soort omstandigheden geen dooddoener of aanfluiting schijnt te zijn: Doch gerecht ist Gottes Wille!

Een paar maanden geleden ontmoette ik Florestan in het echt, al heet hij nu Aziz Binebine en woont hij niet in Sevilla maar in Marrakesj. Een man met de vriendelijkste ogen en glimlach van de wereld, het intellectuele brilletje op een haakneus die veel te groot is voor zijn gezicht. Afhangende schouders en gekromde rug. Achttien jaar zat hij, met 57 anderen, in een onderaardse kerker, ergens in de Marokkaanse woestijn. Bij hun vrijlating in 1991 hadden 28 van hen het overleefd. Sommigen verloren al snel het leven, anderen eerst het verstand en daarna het leven.

Aziz heeft zijn verhaal verteld aan Tahar Ben Jelloun, die het opschreef in zijn boek Een verblindende afwezigheid van licht (De Geus). Dat was niet helemaal de bedoeling. Liever had Aziz het zijn eigen broer Mahi zien doen, schrijver van de roman De kannibalen (Atlas). En zo ontspon zich in de Marokkaanse pers een tamelijk onverkwikkelijke polemiek over rechten, geld en integriteit. Want waarom had Ben Jelloun niet eerder zijn stem verheven, toen het voor de gevangenen nog iets had uitgemaakt?

De nieuwe Marokkaanse koning Mohammed VI heeft hen inmiddels in ere hersteld en schadevergoeding betaald. Maar de politieke erfenis van Hassan II blijft een gevoelig thema. Op 10 juli 1971 pleegde een groep officieren een staatsgreep, die mislukte. Zij werden terechtgesteld; de lagere militairen onder hun bevel werden veroordeeld tot tien jaar celstraf. In 1973 verdwenen ze en werden levend begraven in een woestijngevangenis die speciaal voor hen was aangelegd. Hun cellen waren drie meter lang, anderhalve meter breed en nauwelijks hoger. Het klinkt als een verre echo van Jan Camperts Lied van de achttien doden.

Hoe overleef je achttien jaar in een grafkelder? Je herinneringen vergeten en nergens meer op hopen, zegt Aziz, die in het boek Salim heet. Herinneringen zijn vijanden, hoop is het voorland van de ontmoediging. Alleen het verstand mag je niet verliezen. Hij houdt het levend met hersengymnastiek en het navertellen van filmplots aan zijn medegevangenen: A Streetcar Named Desire en Buñuels El ángel exterminador, overgeplaatst naar een Marokkaanse setting.

Alles is uiteindelijk draaglijk, zelfs opgevreten worden door de kakkerlakken en eeuwige duisternis, alleen onderbroken bij de begrafenis van weer een medegevangene. Als het besef van waardigheid maar niet verdwijnt, realiseert Aziz zich, en dat wordt het best gewaarborgd door rituelen. En dus citeren de gevangenen de koran, elke dag en vooral bij iedere dode. Het boezemt hun bewakers zowel ontzag als angst in.

God prijzen om niet te verontmenselijken — dat is Florestans «gerecht ist Gottes Wille» op islamitische wijze. De absurditeit ervan heeft maar een handjevol van de gevangenen gered, maar zij werden niet gek, al heeft dat bij hun vrijlating maar weinig gescheeld.

In de spiegel van de gevangenistandarts, al niet meer in de woestijn, ziet Aziz voor het eerst na achttien jaar zijn eigen gezicht. Hij herkent zichzelf niet, net zo min als zijn eigen lichaam. In zijn cel is hij veertien centimeter gekrompen en is zijn rug gebocheld geraakt.

«Ik was ervan overtuigd dat ik een boek was geworden dat niemand meer zou openslaan», laat Ben Jelloun hem zeggen wanneer hem in de gevangenis de moed vergaat.

Dat boek is hij geworden, met tegenzin misschien. Maar het helpt tegen de vergetelheid.