Rob van der Linden, De hand, de kaars en de mot

Onderdompelen in verhalen

Rob van der Linden

De hand, de kaars en de mot

Uitg. Meulenhoff, 334 blz., € 19,50

Hoeveel verhalen vertelt Rob van der Linden in De hand, de kaars en de mot? Toch gauw een stuk of dertig. Neem nu het verhaal van oom Paul (uitvinder van Blue Band margarine) en oom Dorus, die voortdurend in een klein vliegtuigje rond de aarde cirkelen omdat ze daarmee de tijd hopen stil te zetten en dus eeuwig in leven te blijven. Of het verhaal over de Franse generaal Pichegru die in 1795 Nederland binnentrok en wiens zus iedere nacht veranderde in een zeemeermin, vrij naar het bekende sprookje van Andersen. Of over een van de nazaten van deze vrouw, tante Jo, die iedere avond tot grote opwinding van haar familie en kennissen, inderdaad in een zeemeermin begint te veranderen. Of over een huwelijksfeest in Brabant tijdens de Tweede Wereldoorlog. Of over de priesteropleiding van Manus de Kloet die tijdens de Tweede Wereldoorlog naar Oudenbosch wordt gesmokkeld. Of over Antoon Roggebrand die rond 1870 mee ging vechten ter verdediging van de Kerkelijke Staat Rome en later met de Carlisten, of over Alois Gonzaga, vriend en wapenbroeder van Antoon, die duistere Geheimen in handen krijgt over de nakomelingen van Jezus, die uiteindelijk belanden bij Manus, dan kaasboer bij de Vivo in Beverwijk, die er zeker van is de nieuwe Christus op de wereld te zullen zetten en wel met hulp van Gerda, de moeder van Pieter van der Kleij, held van dit boek, die later in de woestijn van Negev een dagboek bijhoudt over zijn leven, dat wordt gevonden door Dani haKatsav, die ooit in het Canadese leger als Danny Fleischer Haarlem bevrijdde en daar Gerda leerde kennen, die weer… et cetera, et cetera.

Je kunt rustig stellen dat we er in Nederland een verhalengek bij hebben. Iemand dus die verhalen vertelt die andere verhalen genereren, daar weer een verhaal mee aangaat en vervolgens langs slinkse wegen weer uitkomt bij het verhaal waar het allemaal mee begonnen was. Van der Linden houdt zijn verhalen met veel enthousiasme in de lucht, brengt ze af en toe met elkaar in verband en laat ze vervolgens weer unverfroren hun eigen gang gaan. Hij zorgt er ook voor dat de onwaarschijnlijkheden en sprookjesachtige elementen niet al te zeer in het oog springen omdat hij in de verste verte niet van plan was sciencefiction of fantasy te schrijven. En dus blijft die geschiedenis over bijvoorbeeld de zeemeerminnenzus van Pichegru moeiteloos binnen het geheel overeind.

Af en toe is deze verhalenziekte zo oor- en oogverblindend dat je je er geheel in kunt laten onderdompelen, waarbij de onderlinge samenhang — die er bij nader inzien wel degelijk is — geheel aan je voorbijgaat. Dit heeft te maken met de soms te lang aangehouden en dan te jolige verteltoon die aan dit boek een grote snelheid geeft, maar die het gevaar loopt alle taal- en vertelsubtiliteiten aan het oog te onttrekken. Dan verdwijnt de geschiedenis onder het vertelbombardement. Maar ik wil daar toch niet te lang over klagen — «Toe maar jongen», hoorde ik mezelf vaak genoeg mompelen, «laat het maar spetteren en sissen», en dat we af en toe niet helemaal weten waar het ook weer over gaat en wie deze ooms, tantes, achterneven en achterkleinkinderen ook weer waren, dat maakt me allemaal niks uit. Goed schrijven is goed schrijven en verder geen gelul.

Bovendien is er wel degelijk sprake van een interessant samenhangend geheel, dat in drie delen is op te splitsen: de geschiedenis van een familie, met alle zijpaden en rare anekdotes die daar nu eenmaal bijhoren, de geschiedenis van een merkwaardige jeugd met een vader, een moeder en een halfgare sekteleider, en die van de Zoektocht naar de Heilige Graal, deze keer in een nieuw jasje gegoten en waar het allemaal om begonnen is.

Een bijzonder groot voordeel aan dit boek is dat er geen zelfmedelijdende hoofdfiguur in voorkomt die «vreemd in de wereld staat» of «het leven niet helemaal aankan» zoals men het op flapteksten vaak noemt. Hij is noch gek, patiënt, incestslachtoffer of autist. Dat was voor mij, als veellezer van Nederlandse literatuur, een grote bevrijding. We krijgen een heel scala voorgetoverd aan merkwaardige ooms, tantes, kinderen, kleinkinderen, vreemde jongelingen, vrolijke vrouwen en rare figuren, zonder dat we worden opgeroepen iemand te redden of ons een schuldgevoel wordt aangepraat of we het idee krijgen dat dit boek een vermomde oproep is om bij de volgende collecte een flink bedrag te storten.

Tegen het slot van zijn boek laat Van der Linden zien dat hij over een groter stilistisch repertoire beschikt dan alleen dat van de op hol geslagen vertelling. Dan trapt hij op de rem van zijn voortdenderende verhaal, geeft ruimte aan rustige en melancholieke reflectie en slaagt erin deze verbluffende roman tot een plechtig einde te brengen.