Beschadigde verlosser

Ondergang en opkomst van Mickey Rourke

Voor zijn rol in The Wrestler kreeg Mickey Rourke deze week een Bafta. Hij maakt grote kans op een Oscar, na jaren van roem, tragiek en verspeelde kansen. Kan hij zich meten met Brando of De Niro? Het antwoord is ja.

IN ‘ANGEL HEART’ speelt Mickey Rourke de rol van Harry Angel, een hardboiled speurder die in de jaren veertig in New York en New Orleans in opdracht van Louis Cyphre (Robert de Niro) op zoek gaat naar een zanger, Johnny Favorite, die tijdens de oorlog spoorloos is verdwenen. Akelig langzaam komen de feiten aan het licht: Favorite raakte in de ban van de zwarte magiër Margaret Krusemark (Charlotte Rampling), die hem in contact bracht met de duivel. Vervolgens verkocht Johnny zijn ziel om te worden verheven tot het sterrendom. Als deel van het pact moest Johnny een menselijk hart opeten. Tijdens een straatfeest op Times Square liep hij een jonge soldaat tegen het lijf, die hij naar een hotelkamer lokte waar de ceremonie plaatsvond. Het was volbracht; Johnny Favorite werd een beroemde zanger. Maar daarna werd hij uitgezonden, keerde zwaar verminkt terug naar Amerika, belandde in ziekenhuizen. En verdween. Wie was de jongeman, het slachtoffer van het pact tussen Favorite en de duivel? Aan het einde liggen alle kaarten op tafel. Het was, en is, Harry Angel.
Net zoals Johnny Favorite zijn ziel verkocht voor roem verpatste Mickey Rourke zijn belangrijkste bate, zijn gezicht, om een grotere ster te worden. Maar als acteur, als ster, heeft Rourke niets als hij geen gezicht heeft. Dat was altijd al zo in zijn vak. Norma Desmond, oude actrice in Billy Wilders film Sunset Boulevard (1950), zegt: ‘We didn’t have dialogue. We had faces!’ Dat geldt dubbel voor Rourke.
Rourke personifieert meer dan welke acteur ook de relatie tussen het eigen, fysieke lichaam, toneelspelen, personage en publiek. De plastische chirurgie die hij eind jaren tachtig onderging, te oordelen naar zijn schrikwekkend veranderde uiterlijk in films rond die tijd, verwijst enerzijds naar de zucht bij de acteur naar lichamelijke schoonheid, Hollywood-stijl, anderzijds naar de hunkering van het publiek, filmkijkers, naar mooie mensen die groter dan levensgroot op het witte doek verschijnen. Het woord ‘filmster’ zegt alles. Daarom is het wrang dat Rourke, zijn gezicht, zijn lichaam, na al die jaren vernield is.
En toch, nog altijd is hij een beroemde filmster, nog altijd is hij goed, briljant zelfs. Zijn grootsheid blijkt in Angel Heart, geregisseerd door Alan Parker, een film die zich herhaaldelijk laat bekijken ook al is het centrale mysterie in het verhaal nu wel overbekend. Het is een van de beste films van de jaren tachtig, een kunstzinnige film én een wonderlijke mix van film noir, southern gothic, horror en erotische thriller. Het is ook de op één na beste film uit het oeuvre van Rourke – na The Wrestler, de film met een voor hem op maat geschreven rol die hem op 22 februari waarschijnlijk de Oscar zal brengen voor de beste mannelijke hoofdrol.

DEZE AANDACHT voor Rourke, acteur, anders dan voor Rourke, filmster, legitimeert de vraag of hij uit hetzelfde hout gesneden is als Marlon Brando of Robert de Niro. Het antwoord is ja. Met een ‘maar’. Opvallend bij Mickey Rourke is dat zijn prestaties als acteur even spectaculair zijn als zijn mislukkingen. Dat zijn er te veel om op te noemen. Vreselijke films als Wild Orchid (1990) en Harley Davidson and the Marlboro Man (1991), maar ook werken waarmee hij aanvankelijk naam maakte maar die bij nader inzien echte draken zijn, bijvoorbeeld Nine ½ Weeks (1986) en Desperate Hours (1990).
En het wás voor hem zo goed begonnen. Rourke vestigde de aandacht op zich met een pikante rol in Body Heat (1981). Regisseur Lawrence Kasdan vertelde in interviews dat hij tijdens Rourke’s auditie het gevoel kreeg te zitten kijken naar ‘de opvolger van Brando of De Niro’. In de jaren daarna volgden rollen in Diner (1982) van Barry Levinson, Rumble Fish (1983) van Francis Ford Coppola en The Pope of Greenwich Village (1983) van Stuart Rosenberg. Dit zijn allemaal goede films, maar in Rourke was nog niets te merken van een groot acteur. Wat beklijfde was het beeld van de beautiful boy die met een wat dromerige glimlach door het leven ging. Wat ontbrak, was tragiek. Beschadiging. Maar dat kwam, in overvloed.

ROURKE MANIPULEERT voor het eerst zijn uiterlijk in Year of the Dragon (1985) van Michael Cimino. Hij is veel te jong en te mooi voor de rol. Om hem ‘ruw’ te maken, laat hij zijn haar grijs verven en draagt hij in veel scènes een gleufhoed laag over zijn ogen. Het effect is overdonderend. Zijn rol als de rechercheur Stanley White, die het in New York opneemt tegen de Chinese maffia, is confronterend, briljant. Hij is de ‘held’ in het verhaal, het personage met wie de kijker zich identificeert. Maar Stanley, een Vietnam-veteraan, is een overspelige racist die het recht in eigen hand neemt. De slotscène, prachtig, heeft niets te maken met de film, maar is in alles een visuele viering van Rourke, filmster: op een straatfeest in Chinatown verschijnt Stanley, gleufhoed over de ogen, tussen de Chinezen en kondigt luid aan dat hij iedereen arresteert. Niemand luistert. In slowmotion toont Cimino zijn hoofdrolspeler, ongeschoren, glimlachend en met de vrouwelijke hoofdrolspeler aan zijn zij, zwijmelend.
Ook in Johnny Handsome (1989) is Rourke een antiheld. Het is zijn laatste belangrijke film vóór de neerwaartse spiraal waarin hij terechtkwam in de jaren negentig en een groot deel van de nieuwe eeuw. Net als in Angel Heart is de connectie tussen het thema identiteit en uiterlijk allesoverheersend in Johnny Handsome. Maar hetzelfde ‘motief’ is op dat moment ook terug te vinden in Rourke’s echte leven. Evident is dat hij nu wel uitvoerig plastische chirurgie heeft ondergaan. Het echte leven: dikke liposuctielippen; iets vreemds dat met zijn kin is gebeurd; en jukbeenderen die opeens meer prominent zijn dan voorheen. Film: in Johnny Handsome speelt Rourke de rol van een ernstig mismaakte boef die tijdens een overval door zijn vrienden in de steek wordt gelaten en in de gevangenis belandt. Daar komt hij in aanraking met een arts die zijn gezicht met plastische chirurgie wil veranderen. Na de operatie komt Johnny vrij. De rest van het verhaal draait om wraak en liefde en geld. Rourke speelt de rol perfect: een Everyman, een arbeider met opgepompte spieren (hij is duidelijk fanatiek aan het bodybuilden) die zijn emoties laat zien terwijl hij probeert te leven volgens zijn eigen morele code.

JOHNNY HANDSOME is een uitstekende film noir, maar werd misschien juist daardoor geen groot succes. Het was 1991, en Rourke was geen filmster meer. Erger, hij vond zelf dat hij geen acteur meer was. Roem en neergang en verspeelde kansen: hij dreigde een cliché te worden. En vanzelfsprekend, bijna, ging hij boksen, op zoek naar een andere identiteit, een ander uiterlijk. Maar steeds was er de zucht naar faam. Over de hele wereld betrad hij de ring als supermiddelgewicht. En hij was goed. Toen hij een paar jaar later de handschoenen neerlegde, was zijn record: onoverwonnen in acht wedstrijden, zes keer winst, waarvan vier knock-outs en twee keer gelijkspel. Hij was gesloopt: tong gespleten, jukbeenderen verbrijzeld, gebroken neus. De tragiek was compleet, want Rourke was verliefd op een beeldschone, fatale vrouw, Carré Otis, die ook nog verslaafd was aan heroïne. Hij had haar een paar jaar tevoren ontmoet op de set van Wild Orchid; ze hadden niet-gesimuleerde seks in een van de scènes. De relatie duurde tot 1998. Rourke’s leven lag in scherven. Was hij een acteur? Sterker, was hij nu wel of niet goed?

AL DEZE VRAGEN worden nu beantwoord met zijn comeback als de professionele worstelaar Randy ‘The Ram’ Robinson in The Wrestler van Darren Aronofsky. Rourke levert een fabelachtige acteerprestatie, waarmee hij de verwachtingen van regisseurs als Lawrence Kasdan en Alan Parker, die in hem een nieuwe Brando zagen, volledig inlost. Brando in On The Waterfront (1954): ‘I don’t understand. I coulda had class. I coulda been a contender. I coulda been somebody, instead of a bum, which is what I am, let’s face it.’ Rourke, in The Wrestler, op een grauw strand tegen zijn dochter: ‘I’m an old broken down piece of meat and I deserve to be all alone, I just don’t want you to hate me.’ Dat is de film, dat is Randy’s leven, dat is ook Rourke’s leven. Als worstelaar leefde Randy jarenlang in de schijnwerpers, werd hij een ster, compleet met eigen actiefiguur en een compilatievideoband met daarop hoogtepunten van zijn lange carrière. Maar het einde is in zicht. Het oude lichaam, met lang geblondeerd haar, zonnebankbruine huid, dikke spieren, tatoeages en glad geschoren oksels, wil niet meer, hij krijgt een hartaanval. Hij wordt gedwongen zijn leven in ogenschouw te nemen. Hij wordt verliefd op een paaldanseres. En hij neemt weer contact op met zijn dochter. Maar hoe verder?
Johnny Favorite in Angel Heart, Mickey Rourke in zijn eigen leven, Randy ‘The Ram’ Robinson – allemaal verkopen ze hun ziel (en gezicht en lichaam en identiteit) voor faam. Tegelijkertijd bevredigen ze zo de lust van ons filmkijkers naar faces op het doek, Norma Desmond-stijl. Een van de tatoeages op Randy’s rug is die van Jezus. Cruciaal. De paaldanseres citeert uit The Passion of the Christ, en praat over het martelen van de Verlosser, hoe dat precies is wat met Randy in de ring gebeurt. Inderdaad, van het slachtofferen weet The Ram, The Ram zegt: ‘Jesus was a tough dude, and the Ram ain’t no lightweight either.’ Rourke, acteur, is de beschadigde verlosser die bereid is spectaculair te lijden door zijn gezicht te laten veranderen en zo te wisselen van identiteit, alleen maar opdat wij hem mooi en inspirerend zullen vinden als Johnny Handsome of The Ram. In een scène in The Wrestler bewerkt hij tijdens een gevecht zijn voorhoofd stiekem met een scheermesje, voor de geloofwaardigheid. Dat, vertelt regisseur Aronofsky, heeft Rourke echt gedaan. Als bewijs heeft de acteur nu een litteken op zijn gezicht dat nooit meer weggaat.

The Wrestler is te zien vanaf 12 februari