Thierry Baudet en de democratische revolutie

Ondergang van het Avondlandje

Als een van de initiatiefnemers van het Oekraïne-referendum wil Thierry Baudet met zijn Forum het debat over democratie aanmoedigen. ‘Het is tijd voor een nieuwe generatie leiders.’

Medium anp 32030331

Ik herinner me hoe, al weer even geleden, een diplomaat van enige statuur op de vraag of het nationalisme in staat zou zijn om Nederland te veranderen, antwoordde: ‘Och, nee, die nationalisten, dat is een stelletje ratés!’ Die woorden maakten indruk, niet alleen om hun trefzekerheid, als wel vanwege de nonchalante stelligheid waarmee het oordeel geveld werd, als was het onvermijdelijk dat het nieuwe nationalisme een tijdelijke oprisping zou blijken, die ook vanzelf weer weg zou ebben.

Maar hoe sterk is dat stelletje? Waar komen ze samen? Een van de locaties is het Forum voor Democratie, opgericht door de publicist Thierry Baudet. Naar eigen zeggen is Baudet de ‘belangrijkste intellectueel’ van Nederland. Hij schreef acht boeken, en zijn proefschrift werd in diverse Europese landen uitgegeven. Baudet publiceert op de opiniepagina’s van kranten in binnen- en buitenland, treedt op in talkshows of op de radio, en voert campagne. Een jaar geleden richtte hij het Forum voor Democratie op, een onafhankelijke denktank die in belangrijke mate een vehikel is voor zijn eigen opvattingen. De vraag is of het Forum erin slaagt om daaraan meer volume te geven.

Het Forum is in zijn korte bestaan vrij succesvol. Samen met geenstijl.nl en het Burgerforum EU zamelde het bijna 450.000 handtekeningen in en dwong een raadgevend referendum af over het associatieverdrag met Oekraïne. In het souterrain van het Forum hangt de menukaart van het feestdiner, gesigneerd door de betrokkenen bij de campagne.

‘We leven midden in een nieuwe democratische revolutie’, schrijft Baudet in het missie-document van het Forum. Die revolutie maakt dat de ‘tussenlaag’ die informatie filtert en kennis presenteert (politieke partijen, universiteiten, kranten en andere media) gaat verdwijnen. De toekomst is aan open platforms waarin mensen zélf bepalen wie te vertrouwen, wat te vinden, wat te doen. Het Forum beschouwt de democratiseringsbeweging als het grote thema van nu. De elite zal zich, zo stelt het, met hand en tand verzetten tegen die democratisering. Het Forum wil daarom het debat aanmoedigen. Maar de belangrijkste doelstelling is het opleiden van ‘een nieuwe generatie leiders’, die de ‘huidige, onverantwoordelijke elite op termijn moet gaan vervangen’.

De tekst, in ieder geval het deel over de ophanden zijnde revolutie, lijkt op wat Pim Fortuyn betoogde in de jaren negentig – en in zekere zin misschien ook op de democratische vernieuwing die d66 ooit bepleitte, toen dat nog niet de establishment-partij was die het inmiddels is. Het verschil is het venijn in de staart, waar de elite wordt aangezegd dat ze weldra ingeruild gaat worden door mensen die wél verantwoordelijk zijn.

De ambitie om een nieuwe elite op te leiden herhaalt Baudet met enige regelmaat, zowel in gesprek als in het openingswoord dat hij voorafgaand aan de lezingen bij het Forum tot de aanwezigen richt. Op een van de avonden houdt hij, in haast gramsciaanse termen, zijn publiek voor dat de politieke cultuur in Nederland wordt bepaald door niet meer dan tweehonderd mensen op invloedrijke posities in politiek, media en ‘gezag-verlenende instanties’, zoals het in het Forum-manifest heet. (Zo bezien moet het opleiden van een nieuwe elite een peulenschil zijn.)

Maar er zit spanning tussen de analyse uit het Forum-manifest over de zich nu voltrekkende democratische revolutie die afrekent met de tussenlaag (de elite), en de ambitie die tussenlaag te vervangen, in de hoop dat het politieke tij in Nederland keert. Als de democratische revolutie zich inderdaad voltrekt is alle moeite om een nieuwe elite op te leiden verspilde energie – de toekomst is immers aan ‘open platforms waarin mensen zélf bepalen’.

In ieder geval opmerkelijk voor de revolutie waarvan het Forum zichzelf spreekbuis heeft gemaakt is de mate waarin Baudet het middelpunt is. De denktank is zijn geesteskind, en dient in belangrijke mate voor de verspreiding van zijn ideeën, of ideeën waarmee hij sympathiseert. De organisatievorm van het Forum verschilt niet wezenlijk van die van andere denktanks of platforms: traditioneel, en voorzien van een bescheiden bestuur, inclusief een boegbeeld dat de agenda bepaalt.

Politiek is niets voor hem, zegt Baudet als ik hem vraag wanneer hij zich kandidaat stelt voor een politieke post

Thierry Baudet benadrukt herhaaldelijk dat het hem ‘gaat om het debat’, en hij wil daarom dat het Forum daar alle ruimte aan biedt. Het Forum is echter geen onpartijdige tussenpersoon die alleen het zaaltje regelt en sprekers uitnodigt. Sprekers met wie Baudet van mening verschilt worden aangekondigd als een soort attractie, met wie men het die avond oneens kan zijn. ‘Zo open zijn wij!’

Het woord debat lijkt bij het Forum niet op een instrument om meningen te scherpen, of het luisterend publiek van mening te doen veranderen; de functie is veeleer om een wolk van verwarring te veroorzaken. In die verwarring is niets meer duidelijk, en maakt iedere visie aanspraak op even veel (of even weinig) gezag.

Die dynamiek is goed zichtbaar tijdens de discussie over het associatieverdrag met Oekraïne. Baudet opent de avond met de analyse dat het debat in Nederland ‘een felle, ideologische sfeer heeft gekregen’ en dat het Forum de ‘redelijke, rationele stem’ wil vertegenwoordigen. Na zijn introductie vertoont journalist Laura Starink een film waarin hervormers (Starinks woorden) en een Nederlandse ondernemer aan het woord komen (uitsluitend voorstanders van het verdrag). Wanneer ze betoogt dat er op de Maidan mensen zijn gestorven voor Europese waarden wordt er in de zaal zacht gegrinnikt.

Starink stelt dat Rusland afhankelijk is van de Oekraïense export, waaronder landbouwproducten. Later geeft ze een aanvullend voorbeeld, over de industrie. Voor Baudet is het de aanleiding om haar tot vier keer toe te vragen wat ze bedoelt. ‘Ik begrijp het niet’, herhaalt hij. ‘Eerst zeg je landbouwproducten, nu gaat het om industrie?’ Starink begrijpt op haar beurt niet wat Baudet niet snapt, en de interventie maakt dat ten slotte niets meer duidelijk is.

Die verwarring is functioneel, want ze versterkt de suggestie, ook voortdurend aanwezig, dat men belazerd wordt. Iemand merkt op dat een van de mensen in Starinks film werkt voor een omroep die door de Nederlandse en Amerikaanse ambassade wordt gefinancierd, en dus niet onafhankelijk is. Gemor in de zaal: ‘Ha, dat zegt veel.’ De vergelijking met Russian Television valt, en ook de nos wordt genoemd. Starink brengt daar tegenin dat dit niet betekent dat Nederland invloed uitoefent op dat medium. Weer gemor. Van diverse kanten rumoert het wat eigenlijk het verschil is tussen de propaganda van Poetin en de financiering door de Verenigde Staten en Nederland. Dat Rusland geen functionerende democratie is met scheiding der machten maakt niet uit.

In de discussies zit een patroon: men combineert een diepgewortelde argwaan tegen ‘gezag-verlenende instituties’ met een vaak volkomen relativistische houding ten opzichte van wat feit is en wat nonsens. Een man uit de buurt van Nijmegen die naar een lezing over de islam is gekomen stelt dat het Forum voor hem een plaats is waar dingen besproken worden die elders ‘verzwegen’ worden. De problemen met de islam en de migratie worden ‘toegedekt’, en hij heeft de indruk dat het ‘nog veel erger is dan wordt verteld’.

Verreweg de meeste bezoekers van het Forum noemen, gevraagd naar waarom ze de lezingen bezoeken, het feit dat men er echt nadenkt over dingen. Sommigen zeggen er ook bij dat ze die toewijding aan het doordenken van de eigen ideeën niet wisten te vinden bij politieke partijen, terwijl ze daar wel behoefte aan hadden. Het publiek is zeer divers: jong en oud, man en vrouw, hoog- en lager opgeleid, academici en journalisten, politici en ‘gewone’ burgers. De gesprekken snorren van ideologie, en er is discussie, al speelt die zich vaak ook af binnen een vrij kleine bandbreedte.

Medium anp 37545246
De gesprekken in het Forum snorren van de ideologie, er is discussie, al speelt die zich vaak af binnen kleine bandbreedte

Op de lezingen van het Forum komen meestal zoveel bezoekers af dat het souterrain aan de Herengracht uitpuilt. Mensen staan dicht op elkaar, en waaieren uit over straat. Wijzend op de achterban die hij inmiddels heeft verzameld vraag ik Baudet wanneer hij zich kandidaat stelt voor een politieke post, maar hij reageert consequent met een wegwerpgebaar. Politiek is niets voor hem, zegt hij. De speelruimte is te klein, het gaat dikwijls over pietluttigheden, en bovendien is zijn opvatting over ‘het politieke’ omvattender dan ‘de politiek’. Hij denkt ook dat hij met het Forum meer invloed kan uitoefenen dan politici kunnen. Op een van de avonden spreekt hij over een ideëel vacuüm. De oude politieke partijen zijn failliet, en de achterblijvende leegte moet worden gevuld.

Baudet is, zo zegt hij tenminste zelf, een nationalist. Wat dat betekent is niet altijd duidelijk. In hem lijken twee scholen van het nationalisme, onderling tegenstrijdig en onverenigbaar, te botsen. Allereerst is er een soevereinistische houding, die boogt op een conservatieve traditie van zelfbestuur, die steunt op de gedachte dat alleen kleine, hechte gemeenschappen voldoende stabiliteit en homogeniteit bezitten om bijvoorbeeld vrijheid te garanderen. Die traditie is vooral afkomstig uit de Angelsaksische wereld, en domineert in het proefschrift van Baudet, The Significance of Borders. Daarin pleit hij voor ‘multicultureel nationalisme’, dat enigszins lijkt op het Amerikaanse ideaal van eenheid in verscheidenheid. Het is een soort nationalisme waarin identificatie met de symbolen van de (natie)staat centraal staat: de grondwet, geschiedenis, vlag en de politieke instituties. Dit is Baudets formele nationalisme.

De titel van de Nederlandstalige handelseditie, De aanval op de natiestaat, wijst op een tweede grondtoon in zijn nationalisme, waarin het wordt uitgedrukt in termen van aanval en strijd (Baudet noemde zichzelf ‘een verzetsheld’). De korte essays in Oikofobie liggen daar in het verlengde van, en vormen in veel opzichten Baudets meest programmatische boek. De nationale identiteit, zo stelt hij, wordt ondermijnd of verdund door immigratie, moderne kunst en het Europese federalisme. Hoewel Baudet oikofobie overnam van de Britse denker Roger Scruton is de invulling die hij geeft eerder Frans, uit de late negentiende eeuw; een vleugje Maurice Barrès in de polder. De kern van zijn betoog is ‘het eigene’, een eigenschap van de natie als geheel die bestaat uit ‘eigen gewoontes en gebruiken’. Baudet looft de schoonheid van het irrationele, het tragische en het hogere.

De romantiek daarin is op zichzelf nog tamelijk onschuldig, maar er is iets wat het onaangenaam maakt. Wellicht de definitie die Baudet van oikofobie geeft: de ‘ziekelijke afkeer van de geborgenheid van ons thuis’. Wie de nationale eigenheid niet genoeg eerbiedigt krijgt van Baudet een geestelijk defect aangesmeerd.

Het nationalisme van het Forum moet herkend worden als wat het is: loepzuiver idealisme, verankerd in het verlangen naar het herstel van de natie. Die houding wijst ook op een diep geloof in maakbaarheid. Als maar kan worden afgerekend met de usurperende elite, dan komt het goed. Het is het idealisme van de mensen die weten beroofd te zijn van Nederland zoals het had moeten zijn. Hun reactie is wantrouwen en ook ressentiment – en naarmate die stemming aanhoudt komen daar defaitisme en gedachten over ondergang bij. Doodgewone politieke problemen worden ineens de hiërogliefen van verval.

Ter genezing roept men volk en democratie aan, die aldus worden omkranst met het aura van heiligheid. De nieuwe elite die het Forum opleidt zal een problematische opvatting hebben van democratie, juist omdat die zo geïdealiseerd wordt. In die democratie lijkt maar weinig ruimte voor individualisme. Uit kleine gesprekken met willekeurige bezoekers rijst het beeld op dat men denkt in categorieën waaruit ontsnapping onmogelijk lijkt. Een islamiet is een islamiet is altijd een islamiet, en dus zal die zich altijd gedragen naar de meest wettische interpretatie van de koran. Iedere mohammedaan die de landsgrens kruist wordt op die manier, tot het tegendeel bewezen is, een vooruitgeschoven post van de islamitische colonne.

In lijn met zijn scholingsambitie voor de nieuwe elite kan Baudet zich verheugen op bewondering van een jonge generatie. Onder hen is Sid Lukkassen, raadslid voor de vvd in Duiven, en schrijver van het boek Avondland en identiteit (in de tweede druk staat een foto van premier Rutte die met het boek poseert). Avondland en identiteit wijst naar Oswald Spenglers klassieker, maar is in Lukkassens geval een opsomming van frustraties, waarvoor het woord ‘cultuurmarxisme’ als verklaring dient. In zijn boek en artikelen zwiert Lukkassen van de vraag waarom homo’s zich zo schunnig gedragen naar de subversieve werking van het dadaïsme, naar Plato, Houellebecq en seks, door naar het verband tussen Foucault en ‘gastarbeiders uit oriëntaalse landen’, naar reflecties op waarom ‘doorsnee mannen’ geen leuke vrouw kunnen vinden (antwoord: omdat die liever uitgaan ‘met een boomlange basketbalspeler’, lees: neger).

Lukkassen waadt met zijn vertoog door nogal bruin water. Het cultuurmarxisme is een complottheorie over de subversie van het Westen die woekert op extremistische websites. Onschuldig is de theorie niet. De terrorist Anders Breivik schoot 69 sociaal-democratische jongeren dood omdat hij wist dat de Noorse Arbeiderspartiet een werktuig was van het cultuurmarxisme. Het begrip is ook een afstammeling van Kulturbolschewismus, de naziterm die gebruikt werd als aanval op modernisme in de kunst. Lukkassen ziet het cultuurmarxisme als bron van de ‘doodsdrift’ van de Europese samenlevingen.

Wie de nationale eigenheid niet genoeg eerbiedigt krijgt van Baudet een geestelijk defect aangesmeerd

Baudet werd door Lukkassen gevraagd het voorwoord van Avondland en identiteit te schrijven. Hij doet zichtbaar moeite iets aardigs te zeggen, en levert en passant kritiek op de traditie van het ondergangsdenken. Baudet ziet duidelijk niets in cultureel marxisme, en het is duidelijk dat hij de inhoud van het boek absurd vindt. Toch heeft zijn eigen oikofobie een zekere familieverwantschap met de term. Hun beider beschouwingen beginnen met eenzelfde vijandbeeld, waarin modernisme in de kunst en de migratiepolitiek behoren tot één groot fenomeen: volgens Baudet een pathologie die het nationale huis kapotmaakt, bij Lukkassen een ideologie die het Avondland vernietigt.

Op geenstijl.nl werd Lukkassen recent aangeprezen als een belangrijk denker die ‘gedegenereerde regressieve linkshippies uitlegt wat de culturele bronnen van hun overte achterlijkheid’ zijn, in een stukje van Timon Dias, die achter het pseudoniem Spartacus zit. Dias schrijft regelmatig essay-achtige stukken, bijvoorbeeld over de Duitse bevolking die ‘vervangen’ wordt (door moslims), en ‘de eindstrijd om Europa’ (met de moslims) die aanstaande is. Volgens hem dreigt in delen van Europa een ‘burgeroorlog’, en daar is hij zeer bezorgd over. Dias schrijft over Merkels ‘groepsverkrachting’ en over haar ‘islamitische lokroep’, die heeft geleid tot de toestroom van ‘aanrandiërs’.

Het door Lukkassen geïnspireerde ondergangsproza op geenstijl.nl vindt ook zijn weg naar het Forum, waar Dias sprak over de vraag waarom moslims zo slecht integreren. Politieke ideeën die aanzienlijk extremer zijn dan Baudet formeel in zijn werk belijdt krijgen zo een podium. Het Forum heeft op die manier een rol in het radicaliseren van het nationalisme dat sinds de millenniumwisseling in zwang raakte in Nederland. De vraag is in hoeverre Baudet daar zelf ook door is beïnvloed.

In een discussie na afloop van de lezing over migratie en grenzen maakt Baudet een vergelijking met het Romeinse Rijk, dat volgens hem ten onder is gegaan als gevolg van ongeremde migratie uit de periferie naar het hart. Vroeger, zo suggereert hij, hadden Romeinen een meer Noord-Europees uiterlijk, maar wie vandaag in Italië kijkt ziet dat dit niet langer het geval is. ‘Er was op een gegeven moment geen etnische Romein meer over.’ Op een latere bijeenkomst vraag ik Baudet of hij wil toelichten wat hij daarmee bedoelde. Hij antwoordt wat ontwijkend, maar trekt de uitspraak niet terug. ‘Bijna geen enkel oud volk is nog over, op de joden na’, zegt hij. ‘Neem de bustes en marmeren koppen van de keizers. Dat is toch heel anders’, zegt hij, om eraan toe te voegen: ‘Wie is vandaag de Romein?’ Uiteindelijk stelt hij dat hij functioneel wilde provoceren. ‘Sprekers moeten soms een beetje gekieteld worden.’

Ik herinner me zelf niet dat Baudet de opmerking destijds inzette als functionele overdrijving, of dat hij hem tot de spreker richtte. In dezelfde adem betoogt hij bovendien dat sinds de jaren negentig Zuid-Afrika ‘van de blanken’ was overgenomen. Als toelichting op die bewering noemt hij het boek Minderheid in eigen land van Martin Bosma, waarin de pvv-ideoloog de omstreden theorie oppoetst dat Zuid-Afrika oorspronkelijk een leeg land was.

Die theorie, die stelt dat de kolonisten die bij Kaap de Goede Hoop voet aan wal zetten een vrijwel leeg land vonden en dat zwarte Afrikanen pas veel later, nadat de Voortrekkers zich hadden gevestigd, uit het noorden naar hetzelfde gebied kwamen. Historicus Bas Kromhout concludeerde na bestudering van het boek dat Bosma een versie van de geschiedenis recyclet die het apartheidsregime propageerde. Tegenwoordig is die mythe in trek onder mensen die vrezen dat (moslim)immigratie ertoe zal leiden dat de autochtone bevolking minderheid in eigen land wordt.

Ook Wim van Rooy, de alarmistische Vlaamse publicist die de islam beschouwt als een existentiële bedreiging voor Europa, denkt in dergelijke termen. Van Rooy is bij het Forum voor een lezing over zijn boek Waarover men niet spreekt. Het souterrain aan de Herengracht puilt uit door het grote aantal geïnteresseerden, die dicht op elkaar gepakt staan te luisteren. Van Rooy betoogt over de schaamtecultuur van moslims; over islamitische hypocrisie; over de ontkerkelijkte samenlevingen die het referentiekader van moslims niet begrijpen; en over de nefaste invloed die de islam heeft op het geestelijk leven in West-Europa.

Thierry Baudet heeft onmiskenbaar een zwak voor die reactionaire denktrant, waar duistere visioenen van ondergang de grondtoon bepalen. Wim van Rooy stelt in zijn lezing dat maar ‘enkele tienduizenden’ Duitsers lid waren van de nsdap, maar dat Hitler er toch in slaagde dictator te worden. Van Rooy wil met de analogie zeggen dat zelfs als maar een gering deel van de Europese moslims de radicale politieke islam aanhangt het niet betekent dat ze niet kunnen winnen. Wat de islamisering van Europa betreft, zegt Van Rooy, is het ‘point of no return’ al bereikt. Twee vrouwen van rond de vijftig uit Purmerend die op de eerste rij zitten knikken hevig bij wat Van Rooy zegt. Kees de Lange, oud-senator Onafhankelijke Senaatsfractie, prijst Van Rooy na afloop geestdriftig. (Niemand merkt op dat de nsdap bij de verkiezing in 1933 afgerond 44 procent van de stemmen kreeg, of dat de partij rond het eind van de jaren twintig reeds zo’n 180.000 leden had, en dat Van Rooy dus marchandeert met de feiten.)

De vraag is of Baudet gelukkig is met zijn oogst. Soms lijkt het alsof hij niet op zijn plek is tussen zijn eigen publiek

Hoewel er niet één stem representatief is voor het hele Forum zit in de cocktail van ondergangsdenken, achteloos geformuleerde theorieën over etniciteit, en ressentiment tegen ‘de elite’ een onaangenaam patroon, dat gelijkenissen vertoont met laat-negentiende-eeuwse intellectuele obsessies. De vraag is of Baudet gelukkig is met zijn oogst. Hij waarschuwt vooraf als er journalisten aanwezig zijn, en probeert tijdens de vraag-en-antwoordsessies de zaak in de hand te houden. Tijdens de bijeenkomst over migratie en grenzen roept een oudere man in een driedelig pak dat ‘als we Hitler konden verslaan we ook mensen in bootjes kunnen tegenhouden’. Baudet grijpt direct in, en besluit dat de discussie voorbij is. Hoewel hij er zichtbaar van geniet om in de belangstelling te staan, lijkt het tegelijkertijd soms of hij niet op zijn plek is tussen zijn eigen publiek. Wanneer er na afloop van een lezing in het souterrain gepraat en gedronken wordt, trekt hij zich terug in het keukentje, omringd door zijn stagiairs.

Het wijst ook op de afstand die er, ondanks de overeenkomsten, tussen Baudet en zijn publiek blijft gapen. Baudets ideeën over het Oikos en oikofobie zijn, hoe reactionair ook, toch ook een stuk verfijnder dan de lompe verzameling krachttermen waaruit het Nederlandse nationalisme bestaat. Baudet is populair – en vermoedelijk toch eenzaam.

De avonden eindigen steevast in een drankgelag, dat vaak wordt voortgezet in een kroeg. Op weg naar het Spui wandel ik met een bestuurslid van het Forum door de miezer. ‘Nederland is Weimar’, zegt hij tegen me. Later, in een mail, verklaart hij wat hij met die vergelijking bedoelt: nog geen twee procent van de kiesgerechtigde Nederlanders is lid van een politieke partij, en het aandeel slinkt iedere dag. Politici en bestuurders komen echter uitsluitend uit dit partijkader. Dat is ‘uit democratisch oogpunt een onwenselijke situatie’, die de vraag opwerpt of de beste mensen op de juiste plek terechtkomen. Vaak heeft men een vergelijkbare achtergrond en dito wereldbeeld. Dat levert politici op waar grote delen van de bevolking zich steeds minder in herkennen, terwijl er behoefte is aan politici met draagvlak. Het bestuurslid vreest dat het kan leiden tot steeds grotere onvrede die een weg zoekt in alternatieve politieke bewegingen of buitenparlementaire acties. Weimar staat voor ‘de kans dat het steeds verder radicaliseert als de bestaande politiek niet met oplossingen komt’.

Die analyse over de geringe representativiteit van de politieke partijen is uiterst redelijk, maar de Weimar-republiek is niet alleen het symbool van versplintering langs partijpolitieke lijnen – het is ook de metafoor voor een van decadentie beschuldigde cultuur; voor de intellectuele verleiding van het totalitarisme in het interbellum; voor het onvermogen van de liberale democratie om zich tegen hun aanvallen te verweren. Iedere verwijzing naar Weimar roept meteen ook het zinnebeeld op van een gedoemde democratie. Het aanroepen van Weimar is niet betekenisloos, en de vraag blijft welke rol het Forum zelf wil spelen en zal gaan spelen in dat scenario.

Hoewel het Forum vragen stelt die om een antwoord vragen bundelt het ook een sentiment samen waarvan Baudet en zijn bestuur zich zouden moeten afvragen of ze er de etalage voor willen zijn. De zorgen over de democratie zijn oprecht, maar er blijft een spanning zitten tussen wat men zegt over radicalisering, en het feit dat het Forum ook de plaats is voor de stemmen die diezelfde radicalisering vertegenwoordigen – en waar het publiek voor dat geluid vaak het hardst applaudisseert.

Op het terras van café Hoppe zegt het bestuurslid dat ik ons gesprek ongetwijfeld heel smeuïg ga maken. ‘De Groene zit helemaal in dat mediabeeld. Ik weet wat je gaat schrijven. Je denkt vast dat wij een stel domme idioten zijn.’

Ik antwoord dat ik denk dat hij langer en dieper over zijn politieke overtuigingen heeft nagedacht dan de gemiddelde politicus.

‘Dat valt me mee’, zegt hij. ‘En zo is het precies.’


Beeld: (1) Thierry Baudet is populair – en vermoedelijk toch eenzaam (ROBIN UTRECHT / ANP); (2) Amsterdam, 27 januari. Publicist Wim van Rooy geeft een lezing voor het Forum voor Democratie over zijn boek Waarover men niet spreekt (MAARTEN BRANTE / ANP)