Monika Sie Dhian Ho –‘We hebben een sterkere staat nodig en een expliciet internationaal beleid’ © Jiri Büller / Lumenphoto

Landgoed Clingendael ligt er op deze herfstochtend precies zo bij als de landschapsarchitecten het hadden bedoeld: mooie lanen en een statig herenhuis onder een blauwe lucht. Alleen lijkt een bezoek niet echt nodig. Huys Clingendael huisvest het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen. En buitenlandbeleid lijkt een nieuwe regering wel toevertrouwd. Mark Rutte, de waarschijnlijke nieuwe premier, is steeds vaker te betrappen op ambitieuze uitspraken over wat Europa allemaal moet doen, en wat Nederland allemaal gaat presteren op klimaatgebied. De waarschijnlijke vicepremier Sigrid Kaag heeft lange buitenlandervaring. En de wereld drong zich de afgelopen jaren op allerlei onaangename manieren aan Nederland op. Een aanmoediging om meer na te denken over het buitenland lijkt overbodig.

Maar schijn bedriegt, stelt Monika Sie Dhian Ho, directeur van Instituut Clingendael. ‘Ik vind het vervelend om Cassandra te spelen’, zegt ze. ‘Maar als ik naar de problemen kijk die zich opbouwen in het buitenland, en ik kijk naar het vermogen tot crisispreventie in Europa en Den Haag, dan lig ik daar ’s nachts weleens wakker van.’

We hebben zojuist bijna anderhalf uur gesproken over buitenlandse problemen waar Nederland zich toe moet verhouden. Maar dat buitenland heeft weinig aandacht gekregen in de verkiezingstijd, stelt Sie vast: er is nauwelijks inhoudelijke discussie over buitenlandbeleid gevoerd. Ook na de verkiezingen bleef het een ondergeschoven kindje, terwijl de inhoudelijke verschillen tussen de mogelijke regeringspartijen behoorlijk zijn. Wat er het afgelopen half jaar ook allemaal werd besproken in Den Haag, buitenlandbeleid was daar zelden bij.

En dat is gek. Veel van de grootste en politiek gevoelige problemen die op tafel liggen, zoals migratie en klimaat, zijn alleen maar in internationaal verband op te lossen. En Nederlanders vinden buitenlandse problemen ook belangrijk, wees een onderzoek eerder dit jaar uit. Clingendael vroeg aan bijna tienduizend Nederlanders om op een schaal van 1 tot 10 aan te geven hoeveel zorgen ze zich maken over bepaalde internationale problemen, zoals terrorisme en schaarste aan natuurlijke hulpbronnen. Van de vijftien problemen scoorde alleen ‘Operaties in de ruimte’ gemiddeld (net) onder een zes. Migratie, de groeiende invloed van China en klimaatverandering voerden de lijst aan. Over die vraagstukken zal Sie het vandaag vooral hebben.

In hun onderzoek signaleerden de Clingendael-onderzoekers een ‘algemeen gevoel van declinisme’ in Nederland: een breed gedeelde overtuiging dat wat vanuit het buitenland op ons afkomt, druk zet op alles wat belangrijk voor ons is – en dat onze politici en instituties daar weinig aan kunnen of willen doen. ‘Dat laatste heeft natuurlijk te maken met feit dat buitenlandbeleid niet gepolitiseerd wordt’, zegt Sie. ‘Als een politieke partij met duidelijke standpunten komt en van het buitenland chefsache maakt, dan ontstaat ook bij stemmers meer het gevoel van greep op die ontwikkelingen. De verkiezingen hebben wat dat betreft weinig recht gedaan aan zorgen over internationale problemen onder Nederlanders.’

De terughoudendheid om het over het buitenland te hebben ligt deels aan het feit dat vvd, d66, cda, pvda en andere partijen intern verdeeld zijn over klimaat, migratie of andere internationale zaken, denkt Sie, en liever vermijden dat dat aan de oppervlakte komt. Andere politici hebben geleerd dat je er maar beter niets concreets over kunt zeggen, zoals Rutte met zijn ‘geen cent meer naar Griekenland’-uitspraak, want daar kun je op worden afgerekend. Maar voor een belangrijk deel is het ook een mentaliteitskwestie. Want Nederland heeft al geruime tijd geen expliciet buitenlandbeleid meer gehad. En daar is een paradigmaverandering nodig, vindt Sie.

‘Er is heel lang naar het buitenland gekeken als een markt’, zegt ze. ‘Europa wordt vaak voorgesteld als een grote interne markt waar Nederland zijn dertiende maand op kan verdienen. Maar nu merken mensen dat de verwevenheid van Nederland met het buitenland door globalisering en Europese integratie zo groot is geworden dat het niet lukt om belangrijke publieke doelen te bereiken zonder expliciet staatsbeleid en internationale samenwerking. Als je klimaatbeleid wil, of meer autonomie ten aanzien van grote tech-reuzen, of minder ongelijkheid, dan heb je een sterkere staat nodig en een expliciet internationaal beleid.’

‘Tegelijk zijn op internationaal gebied de tektonische platen aan het verschuiven en mensen merken dat ook’, vervolgt ze. ‘Machtsverhoudingen verschuiven en staten ontdekken nieuwe machtsmiddelen, zoals controle over migratiestromen. Wat hebben we ervoor over dat Turkije vluchtelingen blijft opvangen die wel naar Europa willen? Daar moet het politieke gesprek over gaan voordat Erdogan aan de knoppen draait. Of over onze allianties. Regeringen die het buitenland vooral als economisch speelveld zien, konden rustig achter Engeland en de VS aanlopen. Maar na Brexit en de opkomst van grote kwesties als klimaat, migratie en sociale ongelijkheid zijn andere allianties nodig. Over zulke vragen hebben we een gesprek en leiderschap nodig.’

Het gesprek daarover gaat hopelijk van start nu de formatie begint, en hopelijk volgt het leiderschap daarna ook. Op papier zijn er veelbelovende tekenen, ziet Monika Sie. ‘In het hoofdlijnen-akkoord dat vvd en d66 schreven, stond in ieder geval dat er vanwege de grote dynamiek in de internationale betrekkingen een herijking nodig is van ons buitenlandbeleid en dat grotere investeringen in defensie en ontwikkelingssamenwerking nodig zijn en een hogere prioriteit voor internationale samenwerking. Dat was een opluchting om te lezen. Er stond ook dat Nederland zich met de sterke landen in Europa, Frankrijk en Duitsland dus, moet inzetten om Europa een speler in plaats van een speelbal in de internationale betrekkingen te maken. En ook dat is echt nieuw voor Nederland, dat hiervoor toch alleen optrad als beschermer van de interne markt, en verder aan de hand liep van het Verenigd Koninkrijk.’

‘We kunnen de migratie alleen reguleren als we een Fort Europa met poorten krijgen’

Maar er staat ook veel níet in, in dat hoofdlijnen-document. En wat er wel in staat, is soms alleen vaag of marketingtaal – ‘Ons doel is een krijgsmacht die bij de wereldtop hoort’, en dat soort kreten. Het buitenland duikt ook pas op op pagina 11 van de 13. Dat, gevoegd bij de onzichtbaarheid van buitenlandbeleid in Den Haag, maakt dat een advies aan de volgende regering geen kwaad kan. We beginnen bij migratie, de grootste internationale zorg onder Nederlanders.

‘In Nederland blijven de economische naschokken van de coronacrisis relatief beperkt, doordat we zo’n groot sociaal vangnet hebben’, zegt Sie. ‘Maar in veel landen rondom Europa zijn die naschokken enorm, en de gevolgen daarvan gaan ons raken. De financiële crisis van 2008 zorgde in die landen voor grote werkloosheid en economische wanhoop, en dat vormde de opmaat voor de Arabische Lente van 2011 en uiteindelijk de oorlog in Syrië. Die leidden tot de migratiecrisis van 2015. Als je met dat in je achterhoofd kijkt naar de economische gevolgen van de coronacrisis, dan kun je je enigszins voorstellen wat er nog aankomt aan economische, politieke, sociale instabiliteit in die landen. Dat gaat tot grote migratiedruk leiden.

De vraag is dan: hoe willen we die migratie reguleren, en voorkomen dat er massale irreguliere migratie komt? We weten al lang dat daarvoor migratie-partnerschappen nodig zijn: samenwerking met landen van oorsprong en landen van transit. Zulke samenwerking kan alleen als er ook legale routes voor migratie zijn, en als die landen worden ondersteund. In Nederland blijft de politieke aandacht bijna uitsluitend uitgaan naar tegenhouden van irreguliere migratie en naar terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers. Maar we kunnen die migratie alleen reguleren als we een Fort Europa met poorten krijgen.’

Sie vervolgt: ‘Landen van oorsprong en transit zullen alleen samenwerken op het gebied van tegenhouden en terugkeer als ze hun bevolking kunnen verwijzen naar legale manieren voor studie en tijdelijk werk. En daar zie je dat er de afgelopen jaren heel weinig is gebeurd. Dat geldt voor alle Europese landen, maar voor Nederland in het bijzonder. Zonder zulke perspectieven gaan de landen om ons heen zich niet voor onze belangen inspannen, dat is gewoon een illusie. Europese landen kunnen migranten goed gebruiken in sommige sectoren, zoals ict en de zorg. Daar zou je de eerste poorten kunnen maken in dat Fort Europa voor werk en studie. Duitsland zit al op die weg en België ook. Zij leiden twee tot drie keer zoveel mensen op als zij naar Europa halen, om braindrain te voorkomen.

En het is urgent. Eigenlijk zijn we al te laat, want sommige regeringen in landen rond Europa zijn de controle aan het verliezen. Libanon is aan het imploderen, en de migratiecrisis van 2015 is begonnen toen daar de mensen richting Europa begonnen te lopen omdat de situatie voor vluchtelingen onhoudbaar was. Er zitten anderhalf miljoen Syrische vluchtelingen in dat land, één op de vier mensen is vluchteling. In Tunesië heeft de president de macht gegrepen doordat het economisch zo slecht ging. Het aantal Tunesiërs dat dit jaar in Italië aankwam is op zijn hoogst sinds 2011. Dus het is al gaande.’

Die opbouwende crisis toont aan dat ‘opvang in de regio’, het nieuwe toverbegrip, geen perspectief biedt aan vluchtelingen. ‘Opvang in de regio is een tweede poot van beleid, maar dat werkt alleen als vluchtelingen hun kinderen naar school zien gaan en zelf werk kunnen vinden. Alleen maar opvangen in tenten is niet duurzaam. Dan lopen mensen door. Als je vluchtelingen echt beschermt, blijven ze vaak liever in de buurt van hun land van oorsprong. Nederland zegt dat te willen, maar dat hoofdpunt van beleid wordt nauwelijks gefinancierd. Als we dat een duurzame oplossing willen laten zijn, dan moeten we daar ook serieus aan bijdragen.’

De Turkije-deal is een case in point. ‘Turkije kreeg zes miljard euro om bijna vier miljoen Syriërs vijf jaar lang op te vangen’, zegt Sie. ‘Die deal is verlopen, maar als wij willen dat Turkije die mensen structureel opvangt, dan moeten we daar structureel bij helpen. Nu is het zo, dat zolang we er maar niks van merken, we ook nauwelijks betalen voor bescherming in de regio. Dan krijg je dat leiders van die landen aan de knoppen gaan draaien. Dat Turkije mensen doorlaat naar Griekenland, om te laten voelen hoe de zaken liggen. Daar wordt dan schande van gesproken, dat we niet moeten buigen voor Turkse druk. Maar het is ons heel veel waard dat daar miljoenen mensen worden opgevangen. En het is ook gewoon slim beleid als je kijkt naar wat asiel en integratie hier kost en of het ook de kwetsbaarste mensen zijn die de Europese landen bereiken. In Duitsland is uitgerekend dat de opvang van een miljoen Syriërs Duitsland in de eerste twee jaar ruim veertig miljard kostte – plus alle maatschappelijke onrust doordat die mensen irregulier waren binnengekomen.

Ten slotte vereisen duurzame migratiepartnerschappen ook dat Europese landen vluchtelingen legaal laten overkomen uit vluchtelingenkampen rond Europa, de zogenaamde hervestigingen. Een paar dagen geleden werd nog gepeild dat de meerderheid van de Nederlanders dergelijke hervestiging van Afghanen steunt. Maar we moeten ook kwetsbare vluchtelingen blijven hervestigen uit andere vluchtelingenkampen zoals in Libië.

Nederland moet grote stappen op dit vlak gaan zetten: zowel in migratie-partnerschappen met andere landen, als substantieel bijdragen aan bescherming in de regio en hervestiging van vluchtelingen. Anders lukt reguleren van migratie niet en gaan we een nieuwe, grote migratiecrisis tegemoet.’

‘Nederland kan zijn kennis inzetten voor het klimaat en voor stabiliteit rond Europa’

Dit zouden voor Nederland inderdaad behoorlijk grote stappen zijn qua migratiebeleid. Maar Monika Sie vindt er nog meer nodig. ‘Dit gaat eigenlijk allemaal over extern beleid, gericht naar landen buiten de Europese Unie’, zegt ze. ‘Maar de Nederlandse regering zou ook nieuw beleid en leiderschap moeten laten zien in het interne Europese migratiebeleid. Want dat zit sinds 2015 helemaal op slot.’

‘De Europese commissie wil vluchtelingen en de kosten voor hun opvang verdelen over Europese landen’, vervolgt ze. ‘De zuidelijke landen zeggen: wij hebben de grootste lasten, want de mensen komen hier aan. De noordelijke zeggen: we willen niet praten over verdelen, want jullie registreren er veel niet en die lopen door naar ons. Die ruzie over de verdeling van vluchtelingen moet worden beslecht. En daarvoor moet Nederland, vind ik, een eerste geste doen aan die zuidelijke landen. Ten eerste zou Nederland mee moeten doen aan de zogenaamde “Malta-deal”. Dat is een overeenkomst tussen een aantal Europese landen om de mensen te verdelen die Italië oppikt in de Middellandse Zee. Om uit die impasse te komen, zou Nederland in de Malta-deal kunnen stappen en van Italië kunnen vragen meer te doen aan registratie. De zuidelijke landen en de noordelijke landen zitten hierover nu al jaren in hun loopgraven. Laat Nederland dit nou doorbreken onder voorwaarden.

Ten tweede Griekenland. Nederland heeft steeds gezegd: we willen geen extra mensen hiernaartoe halen, we gaan Griekenland helpen bij opvang in Griekenland. Ook daar zou ik zeggen: maak een geste, neem een aantal vluchtelingen over en vraag in ruil van Griekenland betere registratie en meer samenwerking bij terugkeerbeleid. Deze dingen zijn belangrijk, want we willen uiteindelijk graag dat er een grensprocedure komt bij de buitengrens van Europa: een eerste afweging of mensen überhaupt kans maken op asiel. Als we dat willen, zal Nederland moeten bewegen en uit de loopgraven moeten komen. En dat heeft de vorige regering niet willen doen.’

Advies aan de (in)formateur

Deze weken laat De Groene onafhankelijke deskundigen aan het woord. Welke stappen moeten op hun terrein in de komende vier jaar worden gezet? Wat moet er in het regeerakkoord komen?

De tweede grote zorg van Nederlanders betreft de opkomst van China. Assertieve grootmachten en de opkomst van geopolitiek dwingen Nederland tot nadenken over allianties. Nederland is de luxe kwijt dat het niet al te veel hoefde na te denken over onze plaats in de wereld. De stabiliteit van de navo staat onder druk, China probeert het machtigste land ter wereld te worden, Rusland wordt repressiever en geopolitiek knettert het soms behoorlijk.

Wat de grootste tweestrijd betreft, ziet Monika Sie geen steun onder Nederlanders om de confrontatiekoers te volgen die de VS voeren tegen China. ‘Het is ook niet een Europees belang’, zegt ze. Evengoed signaleert ze dat in Nederland de meningen over China razendsnel zijn veranderd. ‘Het pendulum is echt helemaal omgeklapt’, zegt Sie. ‘Tot kort geleden buitelden gemeentes en provincies over elkaar heen om stedenbanden met China aan te gaan en handelsmissies te organiseren. Binnen twee jaar is dat compleet omgeslagen. Nederland is nu bijna unaniem bang voor de opkomst van China. Ik denk dat we eerst naïef waren ten aanzien van China en dat het nu doorslaat naar de andere kant.’

Sie wil daartegen wel waarschuwen. ‘China zal wereldwijd een belangrijk land blijven, en is van kardinaal belang om klimaatverandering te bestrijden. En ook als investeerder in Afrika. Kishore Mahbubani (een Singaporese ex-diplomaat en schrijver – rvdh) zegt: ik begrijp jullie Europeanen niet. Jullie willen dijken rondom Europa zodat er geen Afrikanen naar Europa komen. De Chinezen bouwen jullie dijken, zegt hij. Zij zijn degenen die investeren in Afrikaanse economieën en infrastructuur, waardoor er ook een economische toekomst is in die landen. Europa klaagt over de voorwaarden van die investeringen, maar brengt ze zelf niet op. Het zou beter zijn als we samen zouden werken met Afrikaanse landen, om te proberen die Chinese investeringen in goede banen te leiden op het gebied van milieu, en sociale en politieke gevolgen, zoals we ook Chinese investeringen in Europa al toetsen aan deze voorwaarden. In plaats daarvan roepen we vaak alleen maar schande en blijven Europese investeringen in Afrika beperkt.’

Zorgen over China hebben in de ogen van Sie wel een gunstig bijeffect. Er is brede steun voor het beschermen van Nederlandse technologie, voor meer innoveren op digitaal vlak, voor het zetten van heldere standaarden op het gebied van privacy, klimaat en sociaal gebied. Oftewel: steun voor een sterkere, actievere overheid. ‘De opkomst van China dwingt tot een prominentere rol van de staat, en stimuleert een roep om een Europese industriepolitiek. Nederland heeft juist altijd ingezet op vrije concurrentie op een interne markt en het aanpakken van staatssteun aan industrie. Nu verschuift de consensus naar dat industriepolitiek nodig is om publieke doelen te bereiken.’

Een goede ontwikkeling, vindt Sie. ‘Een volgende Nederlandse regering moet veel ambitieuzer zijn in klimaatbeleid, en daarvoor is een groene industriepolitiek nodig. Natuurlijk is het belangrijk dat mensen minder vlees eten en minder gaan vliegen. Maar als die industrie niet vergroent, dan wordt de belangrijkste oorzaak van de opwarming van de aarde niet aangepakt.’ Sie hoopt ook dat Europa doorpakt bij het inzetten van zijn economische gewicht. ‘De Europese consumentenmarkt is een machtig middel om verduurzaming in de wereld te bevorderen, door alleen producten op de Europese markt toe te laten die groen geproduceerd zijn. De Europese Commissie wil een tarief voor milieubelastende producten, en het is belangrijk dat daarover een gesprek op gang komt.’

Wat het milieu betreft, zou Sie ook graag zien dat een volgende regering inzet op meer export van landbouwkennis naar landen rond de EU. ‘Internationale akkoorden en topontmoetingen, zoals die in Glasgow, daar gaat de discussie wel over, dat is niet wat je mist in het debat. Een andere visie op de Nederlandse veeteelt en landbouw in internationaal verband is ook nodig. Nederland is een kenniseconomie, en die kennis kunnen we zowel voor het klimaat als voor stabiliteit rond Europa inzetten. Nederlandse glastuinbouwers verplaatsen bijvoorbeeld Nederlandse landbouwproductie naar Tunesië. Dat vermindert de druk op Nederlandse grond, is goed voor het klimaat, zorgt daar voor werk en helpt zo de migratiedruk te verminderen. Laat Nederland de landbouwkennis exporteren in plaats van het voedsel voor de wereld in Nederland te produceren en vanuit hier te transporteren.’

En de zorgen over China hebben voor Sie nog een ander positief bijeffect. ‘Het draagt bij aan het besef dat Europa moet expliciteren waar het voor staat, en een geopolitieke rol moet spelen in de wereld. Nederland heeft te lang ingezet op het verhaal: “we worden één grote interne markt binnen Europa en daarna globaliseren we de hele wereld”. De opkomst van China maakt dat we de rol van de staat in ons buitenlandse beleid aan het heroverwegen zijn, vooral omdat we in de coronacrisis voelden wat het betekent om afhankelijk te zijn van China.’

En dat kan ook positieve effecten hebben. Sie: ‘De draai naar Azië en focus op China van de Verenigde Staten, en uiteenlopende territoriale dreigingen voor de VS en Europa, zijn belangrijke gegevens voor Europa nu we binnen de navo een discussie krijgen over een nieuw Strategisch Concept en binnen Europa over een Strategisch Kompas. De nieuwe Nederlandse regering en oppositie moeten hier een koers kiezen. Vinden we dat Nederland met Frankrijk vorm moet gaan geven aan een Europese pijler binnen de navo? En China: dat wordt door de Europese Unie een “samenwerkingspartner” en “economische concurrent” maar ook “een systeemrivaal” genoemd. Maar die termen zijn nauwelijks goed en consequent overdacht in hun relatie. Wat betekenen ze precies? Waar trek je de grenzen voor de systeemconcurrent en hoe werk je daarmee samen? Hoe maak je de wereld veilig voor diversiteit? Dat zijn belangrijke vragen voor de komende jaren.’