Ger Groot

Ondergronds

De Raad van Europa heeft vastgesteld dat de cia de afgelopen jaren illegale vluchten op Europees grondgebied heeft uitgevoerd en in enkele staten wellicht zelfs detentiekampen heeft bezeten. Vrijwel zeker wisten de betrokken landen daarvan – of ze keken bewust een andere kant op. Actief of passief maakten ze zich medeplichtig aan een ondergrondse vuile oorlog waartegen ze zich in sommige gevallen bovengronds expliciet verzetten.

Vooral de positie van Duitsland is interessant. Bij monde van toenmalig bondskanselier Schröder een heftig tegenstander van de inval in Irak, blijkt het land niet alleen nadien logistieke steun te hebben verleend aan deze cia-operaties, maar ook spionnen ter plaatse te hebben ingezet ter wille van de Amerikaanse intelligence.

Hoe wrang ook, in minstens één opzicht is dat goed nieuws. Het laat zien dat de internationale banden binnen de westerse wereld blijven functioneren, in weerwil van meningsverschillen die soms heftig in de openbaarheid worden uitgevochten. Het besef van lotsverbondenheid is groter dan de opwinding van de dag, hoe gerechtvaardigd die laatste ook mag zijn. Het is even ironisch als voorspelbaar dat deze onderstroom van verstandhouding zich op een bepaald moment kan – en soms zal moeten – vermengen met de nachtzijde die de internationale politiek nu eenmaal altijd heeft.

Daarmee is het cynisme van de Realpolitik tegelijk wel en niet gerechtvaardigd. Zolang internationale relaties uiteindelijk beslist worden door verhoudingen van macht en niet van recht kan geen land het zich veroorloven op grond van hoge principes de handen af te trekken van dit sjacherspel van geven en nemen, druk, gunst en chantage. Aan zijn dagzijde zal iedere – althans democratische – natie tegelijk van de daken schreeuwen dat ze zich aan alle regels van het politieke fatsoen blijft houden. Maar dat neemt die nachtzijde niet weg. Een fikse mate van hypocrisie is eigen aan de internationale politiek – veel meer dan aan de nationale, waarin alle machtsverhoudingen in principe onder de regels van het democratisch stelsel zijn gebracht. De Raad van Europa heeft dan ook alle recht en reden om deze schendingen van het mensen- en verdragsrecht verontwaardigd aan de kaak te stellen, zoals ook de Europese controlerende organen en vooral de kiezende bevolking dat hebben om de betreffende regeringen op hun duistere wandel af te rekenen.

Of die laatste dat ook zal doen is zeer de vraag en hoe dan ook zullen die sancties geen einde maken aan de internationale underground van maffiose dienst en wederdienst. In de incongruentie tussen nationale en supranationale legaliteit en de mondiale smoezeligheid van machtsverhoudingen zit nu eenmaal iedere natie gevangen. Geen regering onttrekt zich straffeloos aan dat spel.

Vooral grootmachten zullen die troebele verhouding bovendien in omgekeerde richting gebruiken: Frankrijk en Engeland net zo gretig als de Verenigde Staten. Niet de illegaliteit is dan een afgeleide van een legaliteit die op eigen kracht niet weet te bereiken wat ze als rechtvaardig doel nastreeft. Maar de legaliteit wordt een dekmantel voor een motief dat zich in de openbaarheid niet goed laat verdedigen. Van dat laatste lijkt de inval in Irak een schoolvoorbeeld te zijn, niettegenstaande de berucht geworden schutterigheid waarmee de rechtvaardiging ervan indertijd werd gepresenteerd.

Wellicht wortelt de ideologische dubbelzinnigheid waarin het Iraakse conflict zich (anders dan het Afghaanse) van begin af aan ontwikkeld heeft, allereerst in het feit dat de instigator ervan zelf het spoor tussen toonbare en ontoonbare motieven is kwijtgeraakt. Terwijl de militaire democratisering van Irak geen enkel Amerikaans doel diende, lijkt deze officiële reden ter verdediging van de operatie de machtsstrategie die daarachter schuilging in het denken van het Witte Huis daadwerkelijk te hebben vervangen.

Als de Amerikaanse president echt gelooft wat hij zegt, dan valt hem eerder een gebrek aan cynisme dan een overschot daarvan te verwijten. Het catastrofale gevolg daarvan is dat de bovenwereld van mooie woorden zich zonder onderscheid kon vermengen met de nachtzijde van illegale Rücksichtslosigkeit – die daarmee van de weeromstuit ophield illegaal te zijn. Dat de nood in de Amerikaanse oorlogspolitiek inmiddels iedere wet gebroken heeft, lijkt het gevolg van een exces aan idealisme, waarmee ook in de internationale politiek de weg naar de hel geplaveid is.

Daarbij staan de Amerikaanse bondgenoten voor de ondankbare taak het evenwicht te herstellen tussen legaliteit en Realpolitik. In het Amerikaanse beleid is een levensgevaarlijk amalgaam ontstaan van idealisme en machtsuitoefening waaraan ironisch genoeg juist het gevoel voor realisme ondergeschikt is gemaakt. Daartegenover moet Europa weerstand bieden aan de verleiding zich terug te trekken op het bastion van een legalisme dat zich op zijn beurt te eenzijdig idealistisch laat inspireren.

Tolerantie voor het Amerikaanse detentiebeleid – juist geïnspireerd door een overschot aan idealisme – behoort daar niet toe. Het besef dat Europa betrokken blijft bij het drama van Irak en vooral Afghanistan wél. Het eerste ontkracht het tweede niet en in die dubbelzinnigheid opereert iedere politicus, achter wiens masker ook een maffiabaas schuilgaat.

Hoe paradoxaal ook, zijn erecode blijft voor de internationale stabiliteit een factor van belang.