Interview: Fotograaf van de Culturele Revolutie

Ondergrondse getuigenissen

In het geheim schoot Li Zhensheng ‘negatieve beelden’ van de Culturele Revolutie. Ook vandaag zitten de Chinese autoriteiten niet op zijn beeldverslag te wachten. Gevaarlijk, vindt Zhensheng: ‘Als we weigeren terug te blikken, dan kan zo’n tragedie opnieuw gebeuren.’

Ren Zhongyi, provinciaal partij­secretaris van Heilongjiang en eerste partijsecretaris van Harbin, wordt door de Rode Garde vernederd op een strijd­bijeenkomst. Met de beschuldiging ‘lid van de zwarte bende’ rond zijn nek moet hij urenlang op een wankele vouwstoel staan, 26 augustus 1966 © Li Zhensheng - provided by Chinese University Press

Het had niet veel gescheeld of Li Zhensheng had zijn eigen boek niet mee naar huis kunnen nemen. Vliegend vanuit Hongkong, waar hij net zijn boekpresentatie had gehouden, het ene na het andere interview had gegeven en aan een lange rij lezers zijn handtekening had uitgedeeld, werd hij op de luchthaven van Peking tegengehouden. De douaniers keken argwanend naar de rode kaft, de maoïstisch aandoende titel en de naargeestige zwart-witfoto’s: wat is dit voor boek?

Dat boek, dat is de Chinese vertaling van Li’s historische fotobundel Red-Color News Soldier, een uniek beeldverslag van de Culturele Revolutie, met foto’s die Li jarenlang onder zijn vloer verborg. In 2003 uitgegeven bij Phaidon, meermaals bekroond en vertaald in zes talen, wordt het als een klassieker beschouwd. Maar al die jaren was het boek niet in het Chinees te krijgen – tot recent in Hongkong een eerste Chinese editie verscheen. Al is die nog steeds niet op het Chinese vasteland toegelaten.

Li Zhensheng liet zich niet door de douaniers uit het veld slaan. De 78-jarige fotograaf – het grijze haar strak achterover gekamd – heeft de onverstoorbaarheid van iemand die zijn hele leven onder een autoritair regime heeft gewerkt, maar stiekem altijd zijn zin heeft gedaan. Hij liet bij de douane een paar van zijn vroegere titels vallen – fotograaf bij een staatskrant, professor aan een politieacademie – en kreeg zijn boeken terug. Van heel wat lezers hoorde hij dat zij minder geluk hadden: hun exemplaar was geconfisqueerd.

‘Een maatschappij die niet kan omgaan met het verleden, dat is treurig’, zegt Li in een koffiehuis in Peking, dat afwisselend met New York zijn woonplaats is. Hij heeft een tafeltje ver van de andere klanten uitgekozen, om vrijuit te kunnen praten, en slaat het fotoboek voor zich open. ‘Zo veel mensen in het buitenland hebben mijn foto’s gezien, er zijn zo veel tentoonstellingen geweest. Dat is een goede zaak, maar uiteindelijk wil ik toch het liefst dat ze in China zelf worden gezien.

Het is belangrijk om met het verleden in het reine te komen. Kijk naar Duitsland: zij hebben ernstig gereflecteerd op wat ze tijdens de Tweede Wereldoorlog verkeerd hebben gedaan en daar zijn ze beter uit gekomen. Wij zouden van hen moeten leren. Alleen als je als maatschappij aan introspectie doet, kan er wederzijds vertrouwen ontstaan tussen de mensen. Als je dat niet doet, ontstaat er vervreemding.’

Zwemmers lezen voor uit het Rode Boekje voor ze de ­Songhua rivier oversteken ter gelegenheid van de tweede verjaardag van Mao Zedongs zwemtocht over de Yangtze, 16 juli 1968 © Li Zhensheng - provided by Chinese University Press

De Grote Proletarische Culturele Revolutie, van 1966 tot 1976, was een van de zwartste bladzijden uit China’s communistische verleden. Een machtsstrijd, uitgelokt door partijvoorzitter Mao Zedong, liep uit op een gewelddadige zuiveringscampagne. In naam van de revolutie werden militante Rode Gardes tegen partijkaders opgezet, leerlingen tegen leerkrachten, kinderen tegen ouders. Het was een totale chaos: wie de ene dag nog leiding gaf aan de zuiveringen kon de volgende dag zelf uit de gratie vallen.

Li kwam met de Culturele Revolutie in aanraking toen hij als jonge persfotograaf voor de regionale staatskrant Heilongjiang Daily begon te werken, min of meer per toeval. Zijn opleiding aan de filmschool was door de politieke onrust stopgezet en bij de krant konden ze nog wat hulp gebruiken om de parades en massabijeenkomsten van de Rode Gardes te fotograferen. Aanvankelijk was Li enthousiast. Hij voelde zich bevoorrecht om Mao’s historische strijd tegen het imperialisme in beeld te brengen.

Drie maanden later begon zijn twijfel toe te nemen. Hij zag de jonge heethoofden van de Rode Gardes de orthodoxe Sint-Nicolaaskerk en de boeddhistische Jile Tempel in Harbin afbreken. Hij zag ze heilige boeken verbranden en monniken vernederen, en in ongenade gevallen partijfunctionarissen mishandelen. Zijn eigen schoonvader, een dokter die als ‘reactionaire academicus’ aan de kaak werd gesteld, pleegde zelfmoord na dagenlange pesterijen.

Steeds meer begon Li naast triomfantelijke plaatjes ook de minder fraaie kanten van de Culturele Revolutie te fotograferen: de vernielingen, de publieke vernederingen, de executies van ‘kapitalistische uitbuiters’. Hij wist dat die ‘negatieve beelden’ nooit de krant zouden halen en dat hij er zelfs mee in de problemen kon komen. ‘Maar ik had een vaag idee dat ze historisch van waarde waren. Ik voelde me verantwoordelijk om het vast te leggen’, zegt hij.

‘Pas jaren later begon ik het echte belang van mijn foto’s in te zien. Veel mensen hebben memoires geschreven over hun ervaringen tijdens de Culturele Revolutie, maar die kregen in China altijd de kritiek dat ze overdreven. Als ik had opgeschreven wat ik had meegemaakt, dan had ik vast dezelfde kritiek gekregen. Maar dit zijn foto’s, die kunnen niet overdrijven, die tonen gewoon hoe het was. Met foto’s kun je mensen overtuigen: dit is de waarheid en die had ook een donkere kant.’

In een tijd dat maar weinig mensen in China wisten hoe een fototoestel werkte, kon Li de uitspattingen redelijk ongemerkt fotograferen. Maar bij het ontwikkelen van zijn negatieven op de redactie moest hij op zijn hoede zijn. Fotografen van een staatskrant kregen elke maand vijftien rolletjes 35mm-film en twintig rolletjes 120-film en moesten die ten volle voor de revolutie inzetten. Een collega had hem al eens berispt dat hij ‘publieke eigendommen’ verspilde.

Later moesten de fotografen ook inzage in hun archieven geven en werden ongewenste beelden vernietigd. ‘Ik wachtte tot alle collega’s ’s avonds naar huis waren om mijn negatieven te ontwikkelen en knipte de “negatieve beelden” eruit’, zegt Li. ‘In mijn bureaulade maakte ik met een plankje een geheime wand en daarachter verborg ik de ongewenste negatieven, in een stuk glaspapier en een envelopje. Na verloop van tijd had ik een archief van dertigduizend beelden.’

De vijfjarige Kang Wenjie demonstreert de ‘dans van trouw’ in het Rode Garde Stadion in Harbin, op een conferentie over het Leren en Toepassen van het Gedachtegoed van Mao Zedong, 20 april 1968 © Li Zhensheng - provided by Chinese University Press

Om nog dichter op het gewoel te komen, had Li zijn zinnen gezet op een rode armband, het embleem van de ware revolutionair en in de praktijk een onbeperkte toegangspas. Daarvoor richtte hij op de krant een eigen Rode Garde-afdeling op, met op hun armband in Mao’s handschrift de naam ‘Rode Nieuwssoldaten’ – de titel van zijn boek. Maar daarvoor moest hij ook deelnemen aan zogenaamde strijdsessies, waar ‘bourgeois klassevijanden’ urenlang werden bekritiseerd.

‘In die tijd moest je wel meedoen, anders werd je zelf het slachtoffer’, zegt Li, die in zijn boek uitgebreid op zijn eigen rol terugkomt. ‘Maar ik zorgde er altijd voor dat er tijdens onze strijdsessies geen fysieke mishandelingen of zware vernederingen plaatsvonden. Achteraf hebben mensen me gezegd: als ik dan toch publiekelijk bekritiseerd moest worden, dan had ik het liefst dat het door jouw groepering werd gedaan.’

‘Alleen als je als maatschappij aan introspectie doet, kan er wederzijds vertrouwen ontstaan tussen de mensen. Als je dat niet doet ontstaat er vervreemding’

In 1968, twee jaar na het begin van de Culturele Revolutie, voelde Li dat het tij begon te keren. Zijn Rode Garde lag slecht bij de nieuwe leiders van het revolutionaire comité van de krantenredactie en hij begon zelf steeds meer kritiek te krijgen. Het leek hem een kwestie van tijd voor hij openlijk zou worden aangevallen. Hij besloot zijn negatieven mee naar huis te nemen, om ze daar op een veiliger plek te verbergen.

‘Ik had bedacht dat ik onder mijn bureau, dat aan één zijde een zwaar ladeblok had, een gat in de vloer kon zagen en de negatieven daar kon verbergen. Maar die vloer was gemaakt van dik Russisch hout en ik kon alleen zagen als niemand het hoorde. Mijn vrouw, net bevallen van ons zoontje, stond steeds aan het raam op de uitkijk en gaf me een teken als iemand voorbijkwam. Het kostte me bijna twee weken voor ik dat gat had gezaagd.’

Een paar weken later werd Li als ‘nieuwgeboren bourgeois’ aangewezen. Hij moest een zes uur durende strijdsessie ondergaan en er werd een huiszoeking bij hem uitgevoerd. Li herinnert zich levendig hoe hij voor zijn bureau stond, leunend tegen het ladeblok, hopend dat zijn belagers daar niet zouden zoeken: ‘Mijn hart bonsde als een gek. Ze namen mijn postzegelverzameling en brieven en foto’s mee, maar niemand dacht eraan om onder de vloer te zoeken.’

Li en zijn vrouw werden naar een arbeidskamp op het platteland gestuurd en zouden pas eind 1971 terugkeren naar Harbin, waar ze hun leven weer op de rails probeerden te krijgen. Vijf jaar later overleed Mao en kwam er een einde aan de Culturele Revolutie. Een collectieve vlaag van zinsverbijstering was het geweest, die volgens historici aan een half tot twee miljoen mensen het leven had gekost. En waarvan Li onder zijn vloer een uniek beeldverslag had zitten.

Maar China zat niet te wachten op zijn beeldverslag. Terwijl de Chinese economie opkrabbelde, stelden de nieuwe communistische leiders dat de Culturele Revolutie ‘door Mao’ was begonnen en ‘de meest ernstige terugval en het grootste verlies voor de Partij, de natie en het volk sinds de oprichting van de Volksrepubliek’ was geweest. Meer woorden hoefden daar niet aan vuil gemaakt te worden. Diepgaander historisch onderzoek werd tegengewerkt, tot op de dag van vandaag.

‘In China hebben we officieel afstand gedaan van de Culturele Revolutie, maar daar ging nauwelijks enige introspectie aan vooraf’, zegt Li. ‘Het hele land, van onder tot boven, zou grondig moeten terugblikken op deze catastrofe en zich rekenschap moeten geven van het verleden. Zolang dat niet gebeurt, blijft er een bodem voor een nieuwe Culturele Revolutie. China is als een grond die niet ontsmet is, het onkruid kan nog steeds groeien.’

Pas in 1988 zag Li een kans om zijn foto’s te tonen, toen in Peking een fotowedstrijd rond de Culturele Revolutie werd georganiseerd. Li stuurde twintig foto’s in, waaronder enkele ‘negatieve beelden’, en won de eerste prijs. Zijn onverbloemde foto’s maakten veel indruk, vooral die van Ren Zhongyi, een provinciale partijleider die voor een groot publiek werd vernederd, zijn gezicht vol inkt en met een schandmuts op. Ondertussen was Ren gerehabiliteerd en uitgegroeid tot een machtig politicus.

‘Via-via hoorde ik dat Ren drie keer naar de tentoonstelling was gekomen en dat hij telkens heel lang voor zijn foto was blijven staan’, vertelt Li. ‘Een paar weken later vroeg zijn zoon of hij in Peking met mij kon afspreken. Ik werd zenuwachtig, ik dacht dat ik gestraft zou worden. Maar zijn zoon vertelde me dat zijn vader had gezegd: die foto is het meest waardevolle bezit van onze familie. Het was zijn enige tastbare herinnering aan wat hem was overkomen.’

‘Dat die foto toen tentoongesteld kon worden toont hoe anders de tijden waren. De politieke sfeer was veel losser dan nu. Het was de tijd van Hu Yaobang en Zhao Ziyang (secretarissen-generaal van de Communistische Partij van respectievelijk 1982 tot 1987 en 1987 tot 1989 – lv), die allerlei hervormingen doorvoerden. Als China op die manier was doorgegaan, dan was het nu een heel ander land geweest. Dan was het al lang mogelijk geweest om mijn boek hier uit te brengen.’

Maar China ging niet op dezelfde manier door. Dat merkte Li, die op de expo in 1988 door een Amerikaans fotoagentschap was benaderd, aan den lijve. Een jaar later vond de ‘opschudding’ rond het Tiananmenplein plaats, zoals Li de uiteengeslagen studentenprotesten voorzichtig noemt, en was het gedaan met de politieke openheid. Li borg zijn foto’s weer op, om pas in 1999 met het Amerikaanse agentschap te gaan praten. In 2003 kwam daar Red-Color News Soldier uit voort.

‘Ik krijg vaak de kritiek dat ik met mijn boek China’s vuile was buiten hang’, zegt Li. ‘Maar ik heb over de hele wereld tentoonstellingen gehad en de mensen die daarop af komen, zijn vaak mensen die China appreciëren en beter willen leren kennen. Het is zoals in de liefde: het is makkelijk om iemand graag te zien als je alleen zijn goede kanten kent. Maar echte liefde is pas mogelijk als je ook iemands slechte kanten leert kennen. In die zin zie ik mijn foto’s als een vorm van vaderlandsliefde.

We praten in China voortdurend over een “harmonieuze maatschappij”, maar ik wil dat China écht harmonieus wordt. Alle families in China hebben een geschiedenis van tranen en bloed, maar daar wordt niet over gepraat. Ouders en grootouders vertellen hun kinderen niet over de Culturele Revolutie, want ze vinden het te vernederend. Maar als we weigeren terug te blikken, dan kan zo’n tragedie opnieuw gebeuren.’

Provinciale partijsecretarissen worden op een strijdbijeenkomst in Harbin uitgejoeld. Ze houden een zwaar ijzeren bord vast waarop staat van welke misdaden ze worden beschuldigd, 27 april 1967 © Li Zhensheng - provided by Chinese University Press

Een nieuwe Culturele Revolutie, met gewelddadige jongeren en massale zuiveringen, ziet Li niet meteen gebeuren. Ook al laten veel mensen zich makkelijk door politieke propaganda meeslepen, de blinde verering die de Chinese bevolking voor Mao had, is er volgens hem niet voor president Xi Jinping. Maar ook zonder regelrechte herhaling van de geschiedenis zijn er ontwikkelingen – de toenemende censuur, de mogelijkheid van een levenslang presidentschap – die zorgen baren.

In plaats van meer ruimte lijkt er in het huidige China steeds minder ruimte te bestaan om kritisch naar het verleden te kijken. Neem Bo Xilai, de voormalige partijsecretaris van Chongqing, die in 2012 van zijn voetstuk viel. Die lanceerde een campagne om ‘rode’ liederen weer populair te maken en liet criminelen en politieke tegenstanders arresteren als ‘zwarte’ elementen. ‘Dat was een rehabilitatie van de Culturele Revolutie’, zegt Li. ‘Dat was beangstigend.’

Of neem de aanpassingen van de geschiedenisboeken in het middelbaar onderwijs, waarin sinds begin dit jaar het hoofdstuk over de Culturele Revolutie tot drie pagina’s is ingekort. In plaats van ‘Tien jaar catastrofe’, de titel waaronder de Culturele Revolutie tot nog toe werd onderwezen en die volgens Li ‘accuraat’ was, is het nieuwe hoofdstuk ‘Tien jaar moeilijke verkenning’ genoemd. ‘Zo worden we een natie met collectief geheugenverlies’, zegt Li.

Zo kan ook Li’s eigen boek, een van de zeldzame fotografische getuigenissen van de excessen van de Culturele Revolutie, vijftig jaar na datum nog steeds niet op het Chinese vasteland worden uitgegeven. ‘Ik kan alleen maar concluderen dat onze leiders bang zijn. Waarom zouden ze dit anders doen? Ze zeggen dat ze niet bang zijn, maar ik zie geen andere mogelijkheid. Als ze niet bang zijn, waarom mag mijn boek dan niet verschijnen?’ Li blijft hoopvol dat het tij ooit keert en dat zijn boek vrij verkrijgbaar wordt in China. ‘Dokter Sun Yat-sen, de eerste president van de Republiek China, zei ooit: de wereld gaat zo krachtig voorwaarts dat zij die daarin meegaan, zullen triomferen, en zij die daar tegenin gaan, zullen bezwijken. Ik blijf geloven dat mijn boek in China gepubliceerd zal worden, maar ik plak er geen tijd op. Ik hoop dat ik het zelf nog mag meemaken. Maar zoals we in China zeggen: alles komt op zijn tijd.’