Ondernemer van de oude stempel

Paul Fentener van Vlissingen * 21 maart 1941

shv, Koninklijke/Shell, Unilever, Philips, klm en Heineken: er is geen enkel klein land waar zo veel wereldconcerns zijn ontstaan als Nederland. Deze bedrijven ontstonden rond de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw. In een enorm tempo trad Nederland toe tot de moderne tijd met spoorlijnen, havens, telefoonlijnen en een snel groeiende, internationaal gerichte economie. De handel bloeide, de overheid hield zich afzijdig en the sky was the limit voor mannen die hun kansen wisten te grijpen. Met energie, optimisme, wilskracht, creativiteit en keihard zakendoen wisten zij het niet zelden van krantenjongen tot miljonair te schoppen.

Zonder winst wordt geen bedrijf groot, maar voor veel van deze handige jongens ging het niet in de eerste plaats om het geld. Zij zagen het ondernemen vooral als sport. ‘Het bereiken van zijn doel ging hem boven alles’, zegt biograaf Arie van der Zwan over F.H. Fentener van Vlissingen (1882-1962), de man onder wiens leiding steenkolenbedrijf shv aan het begin van de twintigste eeuw tot een miljoenenbedrijf uitgroeide.

Sommige ondernemers spraken zelfs in sporttermen. ‘Zowel mijn broer Gerard als ik heeft onze zaken eigenlijk nooit beschouwd als een taak, maar wel als een sport, die wij trachten onze medewerkers en de jongeren bij te brengen’, zei de gesjeesde hbs’er Anton Philips (1874-1951) toen hij in 1928 een eredoctoraat kreeg van de Handelshogeschool van Rotterdam. Volgens Philips-biograaf Marcel Metze reageerden sommige kranten geschokt. Het was toch echt beter om het zakendoen als een ‘taak’ te zien, en plichtsbesef, samenwerking en solidariteit in het oog te houden, vond de krant.

Dit jaar overleden kort na elkaar twee kleinzonen van F.H. van Vlissingen. Ook zij waren topmannen geweest binnen het familiebedrijf shv: Paul Fentener van Vlissingen (1941-2006) en zijn oudere broer Frits (1933-2006). Samen met hun broer John (1939) stonden zij hoog in de toptien van rijkste Nederlanders van het maandblad Quote, met een geschat vermogen van tussen de twee en tweeënhalf miljard euro per persoon. De drie broers hadden zo’n zestig procent van alle shv-aandelen in handen, de overige aandelen zijn bijna allemaal in het bezit van familieleden. Frits bestuurde het miljardenbedrijf tussen 1975 en 1984, totdat Paul van 1984 tot 1998 de dagelijkse leiding van hem overnam.

Vooral de dood van de jongste broer, Paul Fentener van Vlissingen aan pancreaskanker, was kennelijk een schok. Op de website van het actualiteitenprogramma Twee vandaag schreven wildvreemden over ‘een groot verlies’ en ‘een gemis voor Nederland en de wereld’. Dat is opmerkelijk, want niet veel topmensen uit het bedrijfsleven, met miljarden op hun bankrekening, zijn geliefd of zelfs bekend bij een groot publiek.

Paul van Vlissingen, zoals hij zichzelf noemde, trad echter regelmatig in de openbaarheid, ook in tijden dat ondernemers vooral werden gezien als geldwolven en handlangers van het grootkapitaal. ‘Ik zag eind jaren zeventig haarscherp in dat de tijden waarin je het je kon veroorloven om een machtige, financieel krachtige, geheimzinnige familie te zijn, voorbij waren.’ Het laatste jaar van zijn leven had hij in de media uitgebreid gesproken over persoonlijke zaken, zoals zijn ziekte en zijn laatste grote project, de redding van de bedreigde buffel. Hij stak daarvoor zo’n vijftig miljoen eigen vermogen in wildparken in Afrika.

Paul van Vlissingen was een ondernemer van de oude stempel, een man die het bijna twintig jaar lang volledig voor het zeggen had in zijn bedrijf. In de zomer van 2002 sprak ik met hem in de tuin van zijn huis Lunenburg in Langbroek. Over de geschiedenis van zijn familie, want Paul behoorde samen met zijn twee broers en zijn zus Mary-Ann (1936) tot de negende generatie van ondernemers. Over het bedrijf maar ook over zijn fotoboek van Afrikaanse buffels en over de lymfeklierkanker, waarvan hij begin jaren tachtig was genezen. ‘Na zo’n ziekte, waardoor je zo geconfronteerd wordt met het einde van je eigen bestaan, zijn alle dingen die wat tegenzitten relatief. Je begrijpt wat een onzettende bofferd je bent, dat je het hebt overleefd.’

Van Vlissingen zag zichzelf als een zondagskind. Hij was een dagdromer geweest, die helemaal niet bij zijn vader in de zaak wilde: ‘Ik wilde zeker niet het bedrijfsleven in. Toen ik een jaar of twaalf was wilde ik visser worden, haringen, dat leek me prachtig. Misschien was het door de honger van de oorlog ingegeven. Daarna wilde ik filosofie studeren, geschiedenis, schrijver worden.’ Jan Fentener van Vlissingen (1907-1987) had echter andere plannen: ‘Mijn vader zei: “Je moet iets studeren waarmee je altijd je brood kunt verdienen.”’ Het werd bedrijfseconomie in Groningen, met een lidmaatschap bij het Groninger studentencorps. ‘Ik was niet zo geïnteresseerd in de macro-economische theorie, die kon ik aan meneer Duisenberg overlaten, die daar ook studeerde.’

Na zijn studie stuurde zijn vader hem naar Californië om bij het oliebedrijf Amoco uit te vinden hoe het eraan toegaat in een groot bedrijf. Hij begon er op een tankstation met het volgooien van auto’s. Maar toen Amoco hem twee jaar later, in 1968, vroeg om als jongste manager naar India te gaan, werd hij ontboden bij het vaderlijk gezag. Noblesse oblige, vond Jan van Vlissingen. Zijn jongste zoon moest eerst een paar jaar bij de familievennootschap werken. En dus begon Paul op het hoofdkantoor van shv in Utrecht. Toen hij op zijn eerste werkdag kwam aanrijden in zijn rode sportwagen werd hij direct bij zijn vader geroepen. Die auto moest weg, het zou de werknemers te veel de ogen uitsteken. ‘Het was natuurlijk een valkuil’, zei hij in zijn tuin in Langbroek. ‘Ik had moeten zeggen dat ik na mijn tijd in Amerika nu eindelijk filosofie ging studeren.’

Maar van die studie zou het niet meer komen. Wel haalde Van Vlissingen naast zijn werk zijn vliegbrevet, werd hij gediplomeerd imker, schreef hij een boek en volgde hij een kookcursus. ‘Ik zou iedere drukbezette of zogenaamd drukbezette ondernemer of manager met enthousiasme willen aanraden om iedere drie of vier jaar iets te doen dat helemaal niets met het werk te maken heeft. Ook al is het balletdansen.’

Paul van Vlissingen bleef tot 2004 bij het bedrijf. Onder zijn leiding vanaf 1984 richtte het bedrijf zich op uitbreiding van het levensmiddelenbedrijf Makro, de handel in energie en grondstoffen en later in de verwerking en recycling van schroot. De omzet van shv groeide tussen 1984 en 2004 van 5,6 miljard euro naar 13,7 miljard euro, de winst van 57 miljoen euro naar 317 miljoen euro. ‘Ondernemen is goede dingen doen. Dan komt winst vanzelf’, schreef hij in een van zijn columns in Het Financieele Dagblad.

Van Vlissingen geloofde niet dat het ondernemerschap genetisch bepaald was: ‘Met je achtergrond, je jeugd en de geschiedenis van je familie krijg je een duw in een bepaalde richting. Als je een bootje wegduwt is de eerste zet ook bepalend voor de richting van dat bootje. Maar dan krijg je golven en wind en kan er van alles gebeuren.’ Dat zijn twee dochters niet gekozen hebben voor shv vond hij helemaal niet erg. ‘Een bedrijf is maar één plek om je geluk te vinden, er zijn er veel meer.’

Wel kwam onder zijn bestuursperiode voor het eerst ook ruimte voor vrouwen in topposities binnen het bedrijf. Zo trad zijn nicht Annemiek Fentener van Vlissingen, de dochter van zijn oudste broer Frits, toe tot de raad van commissarissen. Ook konden vrouwen voor het eerst in bijna honderd jaar shv-aandelen bezitten.

Zelf heeft Van Vlissingen zijn loopbaan als ondernemer bij het familiebedrijf ongetwijfeld als zijn eigen keus gezien, ondanks de zware druk van zijn vader en de gemiste carrière als haringvisser, filosoof of schrijver. Niet dat hij zijn droom om filosoof te worden ooit helemaal opgaf. Hij had dan ook de naam zweverig te zijn. Zelf zou hij dat waarschijnlijk niet tegenspreken: ‘Sommige mensen zeggen dat ik meer boeddhist ben dan christen. Dat is waarschijnlijk niet te ontkennen. Veel van wat ik vind sluit wat makkelijker aan bij het boeddhisme dan het christendom, dat vol zit van boete en schuld. Ik geloof ook niet dat mijn voorouders zo behept waren met gevoelens van boete en schuld.’

In zijn boek De aartsvaders noemt journalist Wim Wennekes ondernemers als Frits Fentener van Vlissingen (1882-1962), de grootvader van Paul, ‘scheppers van commerciële kunstwerken, mannen met gespleten persoonlijkheden: enerzijds romantisch en creatief – anderzijds oerzakelijk’.

Ook Paul van Vlissingen deinsde niet terug voor harde beslissingen, als dat in het belang van het bedrijf was. Met medelijden sprak hij over de Twentse familie Van Heek. Het bedrijf van deze textielbaronnen was ten onder gegaan doordat de familie geen reorganisaties wilde doorvoeren ten koste van de werknemers, door bijvoorbeeld een deel van hun productie naar landen met lage lonen te verhuizen. ‘De hardheid van de wereld achterhaalde ze, omdat ze zelf niet hard genoeg konden zijn.’

Een romantische kant had hij ook, niet alleen in zijn columns en uitspraken over het boeddhisme. Zo aarzelde hij niet om in Taiwan naar een waarzegger te gaan, voordat hij daar een keten van Makro’s ging opzetten. ‘Het gaat niet om mijn beleving van die waarzegger, maar om de beleving van de mensen die in het bedrijf werken. Taiwan is een vreemd land met eigen gebruiken, waar je op een eigen manier op moet inspringen. Ik denk dat mijn vader en grootvader precies hetzelfde hadden gedaan.’

Frits Fentener van Vlissingen maakte in de eerste helft van de twintigste eeuw van shv een internationaal miljoenenbedrijf. Zijn kleinzoon Paul trad in zijn voetsporen, als eigenzinnige ondernemer, die de touwtjes van het familiebedrijf strak in handen hield. Met zijn dood is er een einde gekomen aan het internationale ondernemerschap van de twintigste eeuw in Nederland, waarin persoonlijkheden het voor het zeggen hadden. Het bedrijfsleven wordt in de 21ste eeuw geleid door hoogopgeleide, naamloze, grijze managers die inwisselbaar en vervangbaar zijn. In het midden- en kleinbedrijf zijn ze nog wel te vinden, selfmade men als Gerrit van der Valk en Jaap Blokker, die hun eigen imperium besturen en de zaken binnen de familie houden. Maar dit zijn geen ondernemers die wereldwijd invloed hebben. Politiek en internationaal is daar ook geen ruimte meer voor. De enkeling die het toch lukt om wereldwijd door te dringen en toch eigen baas te blijven, doet dat door te profiteren van een nieuwe industrie. Zo heeft ook Microsoft-oprichter Bill Gates het karakter van een topondernemer van de oude stempel, keihard en oerzakelijk, maar ook creatief en idealistisch.

De dagelijkse leiding van shv ligt momenteel in handen van buitenstaanders. Paul van Vlissingen was de laatste Van Vlissingen die eigen baas was en alleen verantwoording aflegde aan zijn familie. ‘In een familiebedrijf kun je de rust nemen om veel langer na te denken over de lange termijn’, zei hij. ‘Zolang je maar uitlegt waar je mee bezig bent, kun je verder al het geneuzel over kwartaalcijfers naast je neerleggen.’

21 augustus 2006

Shirley Haasnoot is de biograaf van ondernemer Anton Kröller (1862-1941). Dit artikel is gebaseerd op niet eerder gepubliceerde interviewfragmenten