Engeland

Ondertussen in…..

Hoe groot is de kans dat een Amerikaanse puber «spiffing» bezigt wanneer ze eieren aan het roerbakken is? En zegt een Amerikaan ooit «I will do»?

LONDEN – Bovenstaande vragen doken op in de Amerikaanse recensies over Zadie Smith’s On Beauty. Waar de Engelse critici lovend waren over Smith’s eerste «Amerikaanse» roman, daar konden sommige Amerikanen zich niet vinden in het idioom van de personages. In The New Republic noemde Robert Alter ze cartoonesk. «Smith is not quite a master in American speech», mopperde de criticus eufemistisch. Niet dat Smith hiervan wakker ligt. In een interview gaf ze toe dat haar Amerikaanse dialogen niet perfect waren, en ook dat haar Bengaalse personages in White Teeth niet honderd procent geloofwaardig overkwamen. Bovendien zijn de centrale figuren in On Beauty geen volbloed Amerikanen maar halve Engelsen, die ook nog eens in Massachusetts woonden.
Smith is niet de enige Engelse schrijver die het Amerikaans niet volledig beheerst, terwijl de meeste Amerikaanse schrijvers op hun beurt geen authentieke Engelse dialoog op papier kunnen krijgen. In de boekenbijlage van The Daily Telegraph inventariseerde de schrijver/criticus Philip Hensher de «Special Relationship» onlangs op literair gebied. Hij citeerde een van de Amerikaanse personages, Mr Hannibal Chollop, uit Charles Dickens’ Martin Chuzzlewit: «Mr Co. and me, sir, are disputating a piece. He ought to be slicked up pretty smart to disputate between the Old World and the New, I do expect?» Ook in Evelyn Waugh’s The Loved One, een hilarisch boek over begrafenissen van huisdieren, en in Martin Amis’ Night Train lopen onecht sprekende Amerikanen rond. Vanzelfsprekend lukt het een Engelsman beter om een karikatuur van Amerikanen neer te zetten. Kingsley Amis kon dat voortreffelijk.

Andersom lijkt het niet veel eenvoudiger te zijn. J.D. Salinger waagde ooit een dappere poging in For Esme – With Love and Squalor waarin hij gretig gebruik maakt van bijwoorden als terribly, extremely en awfully welke in de Engelse hogere klassen regelmatig vallen. Soms gaat hij volgens Hensher te ver, zoals bij de «Amerikaanse» zinsnede «I came over purely because…» Wie zijn vertaalexamen waarschijnlijk nooit zal halen, is John Updike, zeker niet wanneer hij, zoals in een van zijn Bech-_verhalen,_ Engelsen als volgt laat praten: «Your hair is smashing. You’re almost Santa Claus.» Onbedoeld lachwekkend is de Da Vinci Code, waar geen normale Engelsman voorbij komt. Een Amerikaanse schrijver die de Engelsen daarentegen perfect aanvoelt is Philip Roth. Bij hem valt elke really, frankly en hardly op z’n plaats, en hij weet welke zin wel en welke niet moet eindigen met I’m afraid en I think. De Engelse schrijver die het beste resultaat heeft behaald, is P.G. Wodehouse, mogelijk omdat hij jarenlang in de Verenigde Staten woonde.

Voor de Engelse schrijvers zou het Murrican’s English echter steeds minder problemen moeten opleveren, gezien het groeiende aantal amerikanismen in de taal zoals deze tot diep in de middenklasse wordt gesproken. Een sofa is daar veranderd in een couch, sweet in candy, point of view in standpoint en lorry in truck. Niet God wordt bedankt, naar de Lord. Een kleine eeuw geleden ging de lexicograaf en filoloog H. W. Fowler reeds tekeer tegen het groeiende aantal amerikanismen in de Engelse taal, iets waar hij Rudyard Kipling overigens medeverantwoordelijk voor hield. «The English and the American language and literature are both good things; but they are better apart than mixed», concludeerde hij in The King’s English. Tenzij je als Engelsman een «Amerikaanse» roman schrijft