Onderweg

Waarom altijd maar benadrukken dat je bang bent. Dat je ook maar een worm bent, all the way from the Netherlands, dat dan weer wel. Op tijd diende ik me aan bij de portier van het pand aan de zoveelste straat, West Village, New York. Ik had een nieuwe jurk aangetrokken, donkerblauw, zwart jasje, witte sportschoenen. Niet te solemn? vroeg ik aan mijn dochter. Wat kon ze anders dan ontkennend het hoofd schudden. You’ll be fine, dat zei ze nog net niet. Wel had ze honderd andere dingen tegen me gezegd, elke keer moest ik beloven dit níet op te schrijven. Ik was blij toen me vandaag een heel nieuwe zinsnede opviel in A Room of One’s Own van Virginia Woolf: ‘Ik is slechts een geschikte term voor iemand die niet reëel bestaat.’ Ja, dat is het, precies! Als ik ‘ik’ schrijf ben ik het niet. Wel is alles eerlijk en ben ik bang.

De portier belde naar boven, maar daar werd niet opgenomen. Zo vaak was dit mijn droomscenario: ik zou iemand interviewen, maar het ging op het laatste moment niet door. Vliegtuig gestrand, wegversperring, been gebroken, bàm. Alle spanning die ik onderweg had verzameld, zou me ook acuut weer kunnen verlaten. In het park hiertegenover waar ik net nog de minuten voorbij had zien kruipen, zou ik straks een vrijgelatene zijn, om me heen kunnen kijken.

De werkelijkheid is altijd wranger. Wat is je grootste angst, had mijn dochter de vorige dag aan me gevraagd. Opvallend veel fitte types liepen de lift in en uit, in yogakleding, achter rollator, kinderwagen, ze maakten grapjes met de portier. Ik begon de doorman te benijden om de baan die hij had, hij zat daar op zijn troon, ik zat hier op een soort strafpoef, recapitulerend wat mijn grootste angst was, en die werd er niet kleiner op. Dat ik stijf en timide ben, een halfdode. Als je de woorden tussen andere woorden perst, vallen ze minder op. Ik dacht bij ieder angstaanjagend persoon die de lift uit kwam zetten dat het degene was met wie ik nu eigenlijk zou moeten praten, en dat die me dan misprijzend aan zou kijken.

‘Moeten we ons geen zorgen gaan maken?’ vroeg ik aan de portier. Hij lachte, onbekommerd

‘Moeten we ons geen zorgen gaan maken?’ vroeg ik aan de portier. Hij lachte, onbekommerd. Dat hij haar toch zeker drie keer daags in en uit zag lopen, dat ze in very good spirits was. Ze zou deze week 84 worden, dat wist ik dan weer. Het boek waarin ze schrijft over de wandelingen die ze met haar moeder onderneemt in het Brooklyn van haar jeugdjaren, Fierce Attachments, in het Nederlands uitgekomen onder de titel Verstrengeld, werd net door The New York Times uitverkoren als beste memoir van de afgelopen vijftig jaar.

Nog een voordeel van woorden aan elkaar rijgen: je springt er gewoon mee naar de volgende dag, als de schrijfster wél thuis geeft, vol excuses dat ze me de dag ervoor heeft laten zitten. Wat ook scheelt: ze is op blote voeten. Toen Gloria Swanson op hoge leeftijd zoals je dat dan noemt de rol van haar leven speelde, zeeg een jongere actrice op de knieën om de zoom van haar jurk te kussen, uitroepende: If she can do it, why should we be terrified? O, dacht ik alleen maar, mijn ogen uitkijkende in dit serene appartement boven de Hudson, naar deze meer-dan-levende persoon die haar in legging gestoken benen met de blote voeten onder zich vouwde, en me geregeld trakteerde op een vette lach, ik hoef niet bang te zijn voor wat me nog te wachten staat.

Ik herhaalde dat tegen mijn dochter toen we in de loop van de middag in de auto richting Connecticut reden, waar we een schrijfster ontmoetten die nog helemaal aan het begin van alles stond. Ze had net een boek over vrouwen en begeerte geschreven, en ontving ons nerveus rebbelend te midden van stapels strijkgoed en haastig terzijde geschoven speelgoed. Ook haalde ze een schaal gesneden fruit uit de koelkast, of we misschien nog wat pasta wilden? Man en kind had ze het huis uitgeduwd, angstvallig hield ze de deur in de gaten. Opeens was het alsof ik op één dag het spectrum van het schrijversleven kon overzien. Met kalm kloppend hart daagde het me dat ik (ik ja) me pas halverwege bevond.