Onderweg naar hoger bordewijks ‘karakter’

Volgende week gaat ‘Karakter’ in première, de film van Mike van Diem naar het boek van Bordewijk. Over de film gaan de volgende pagina’s. Hieronder een beschouwing over het boek. Een zeer moderne roman over groeien en mens-worden. Het lijkt wel een soap-serie
MOCHT HET MET die film niks worden, dan zijn er grote mogelijkheden voor een soapserie naar Karakter. Iets als Goed karakter, slecht karakter. Of Onderweg naar hoger of zo. Het zou een tragikomische serie zonder eind zijn, met elke week een bloedstollende cliffhanger. Het is dan ook een ijzersterk verhaal dat eraan ten grondslag ligt. Een verhaal waarin eenieder zich kan herkennen. En de spanning is subtiel maar hevig.

Hoofdpersoon in alle verwikkelingen is Jacob Willem Katadreuffe. Hij is geboren uit een ongelukje. Zijn moeder werkte ‘vroeger’ als dienstbode bij de beruchtste deurwaarder van Rotterdam, de ongehuwde A.B. Dreverhaven. Eén keer bezweek hij 'voor haar onschuldig schoon, en zij voor zijn kracht’, noteert F. Bordewijk koeltjes.
Als Jacob drie kwart jaar later met de sectio caesarea ter wereld is geholpen, besluit zijn moeder hem alleen op te voeden. Ze negeert het verzoek (of aanbod) van Dreverhaven met hem te trouwen: Joba Katadreuffe is en blijft een zelfstandige vrouw, niet gediend van liefdadigheid en medelijden. Als Bom-moeder avant la lettre weet ze samen met haar zoon rond te komen door zuinig te leven en hard te werken. Wanneer Jacob wat ouder is geworden, praat hij voor het eerst met zijn moeder over zijn vader. Hij weet wie zijn vader is, maar hij taalt niet naar hem.
Omdat het sigarenzaakje dat hij overneemt, failliet wordt verklaard, wordt Jacob Katadreuffe ontboden op het kantoor van de curator. Staand voor het ontzagwekkende kantoor beleeft hij een bezielend moment. 'In een overweldigende actie van handel stond hij stil; voor zijn stilstand waren niet meer dan een paar keien beschikbaar. En het kantoor met de vijf zonnen gespijkerd naast zijn open deur was in die actie opgenomen. (…)
Toen stond er in Katadreuffe iets op. Het ware was niet een klein winkeliertje willen worden, het was dit.’
Weg wil hij, weg bij zijn moeder. Een eigen leven beginnen, in dat kantoor dat zo imponerend voor hem oprijst. Zijn besluit staat vast. En hoewel hij als gefailleerde binnengaat, krijgt hij enige tijd later inderdaad een baantje aangeboden bij de advocatenmaatschap.
En daar begint de wording van Jacob Willem Katadreuffe.
Het besef dat hij 'van het volk’ is, verlaat hem nooit. Zijn leven lang blijft het een van zijn drijfveren om zich verbeten te ontwikkelen, te leren en te studeren zoveel hij kan. Want hij wil iemand worden, iets betekenen, status verwerven.
Op kantoor voelt Jacob zich tussen zijn opmerkelijke collega’s prima thuis, zolang hij maar het idee heeft dat hij iets van zichzelf aan het maken is. Katadreuffes ontwikkeling krijgt pas echt vorm wanneer zijn vader een plek krijgt in zijn leven en hij de strijd met hem kan aangaan. Zonder vader geen verleden, geen onderdrukker, geen mogelijke vadermoord, en derhalve geen bevrijding, geen verlossing en geen catharsis. En Katadreuffe gaat het gevecht aan.
Exact in het midden van de roman zit die volte: Katadreuffe gaat langs bij Dreverhaven, zijn vader die tot dan toe geen vader is geweest en hem als deurwaarder slechts het leven zuur heeft gemaakt. De zoon komt de vader melden dat hij hem het hoofd wil bieden. ’ “Ja, ik wil u trotseren. Als u mij daartoe in de gelegenheid stelt dan wil ik het tegen u opnemen.”
Dreverhaven sloot zijn ogen opnieuw. Dat was ras, die jongen toonde karakter.’
Het is de eerste keer dat er tussen die twee iets plaatsvindt wat menselijk genoemd kan worden, iets wat wijst op een verbondenheid. Even daarvoor schrijft Bordewijk:
'Dreverhaven dacht niet ná, maar hij dacht. Het was brutaal van de jongen, het was vooral rassig. Hij zocht de leeuw in zijn hol. Hij had altijd van die tengere zeldzame jongen, die in zijn trekken alleen de moeder was, gedacht: het is mijn kind. Hij had de jongen zijn eigen vlees voelen worden toen hij bij Stroomkoning in functie trad, hij had dadelijk gevoeld: die jongen gaat de weg van zijn vader, hij zoekt de praktijk van het recht, hij wil leven van het recht, maar hij wil ook hogerop dan ik. En thans, nu de kerel opnieuw de stap deed die hij kende in zijn gevolgen, bij voorbaat, - nu hij geld kwam lenen, voelde hij zich met hem verbonden in het heimelijkst en kostbaarst dat hij bezat: het bloed.’
VANAF DAT MOMENT wordt alles anders. De eerst nog zo verlegen jongeman krijgt zelfvertrouwen, ontdekt zelfs ambities. Hij leert snel, is intelligent en streeft voortdurend naar het betere.
Katadreuffe ontwikkelt zich verder. En verder. Hij wordt man, advocaat en procureur - hij wordt mens. 'All-round man moest hij worden, in het grote en het nietige maar op zichzelf staand, trouwen zou hij nimmer.’ Tegelijk ziet hij in dat er nooit een einde komt aan zijn ontwikkeling. Tegen zijn leermeester Stroomkoning verzucht hij: 'Ik moet alles nog wòrden, ik sta pas aan het begin.’
Dat wordingsproces, beseft hij aan het slot, vereist een afrekening met zijn vader, immer zijn vijand. Na de dood van zijn moeder bezoekt Jacob hem. Bitter werpt hij Dreverhaven voor de voeten dat hij hem zijn leven lang heeft tegengewerkt. Pas door het gemompelde antwoord: 'Of méégewerkt’, dringt tot de zoon door wat de vader nu werkelijk voor hem heeft betekend in zijn reis naar mens-zijn. In een ultiem moment van zelfreflectie concludeert hij : 'Hij (zag hem) heel niet als een mens, hij zag hem als een boom. En die boom symboliseerde tevens zijn gevoelens voor die mens, hij symboliseerde ook hèm. In die boom waren deze mens en hijzelf opwaarts geschoten, onverbrekelijk. In een duistere uithoek van zijn hart, in de hete tropische rimboe stond daar die boom. Maar hij zag zich met de bijl die teakboom vellen, hij had met zichzelf ook die manmens geveld.’
Toch een ouderwetse vadermoord. Zoals het hoort in een ontwikkelingsroman, zoals het een moderne jongeman op weg naar de volwassenheid betaamt. Maar hoe zou het Katadreuffe verder vergaan? Aardt hij naar zijn vader? Geeft hij echt God een plaats in zijn hart? Volgende week meer!
Karakter is een roman over groei. Niet alleen de persoonlijke groei van Katadreuffe, maar op een dieper niveau ook een algemeen menselijke groei, eventueel de ontwikkeling van de twintigste-eeuwse mens in de veranderende twintigste-eeuwse wereld.
'Karakter is mijn record, als ik mij zo mag uitdrukken. Het boek kwam in acht weken tot stand (…), maar ik had een goede steun aan de voorstudie Dreverhaven en Karadreuffe.’
Aldus de meester zelf. Bordewijks novelle was van een geheel andere aard dan de roman. Dreverhaven en Karadreuffe speelt zich af in een crimineel milieu en heeft duidelijk naturalistische kenmerken. Karakter daarentegen is een moderne roman. Hier is het allereerst de psychologie van de personages die voorop staat, en niet hun race, milieu et moment, zoals naturalisme-godfather Emile Zola wilde. Karakter, dat eerst nog Karakters heette en pas heel laat zijn s verloor, focust op de ontwikkeling van een aantal personages en beperkt zich niet tot het toch vrij statisch vertellen over één, hooguit twee belangrijke personen tussen een amalgaam van karikaturen, zoals het geval was in Bordewijks eerdere boeken. Karakter is veel rijker, rijper ook.
Bordewijk is hier ook absoluut een meer ontwikkelde schrijver dan in bijvoorbeeld Bint, waaraan hij tegenwoordig nog steeds veel van zijn faam heeft te danken. Stilistisch neemt hij afstand van het hoekige staccato-proza, en hij geeft blijk van grote vaardigheden in het vertellen over en beschrijven van zijn personages en hun innerlijk èn uiterlijk leven.
KARAKTER WERD een heuse bestseller, en zou nog vaak worden herdrukt. Bordewijk was erg blij voor zijn uitgever Nijgh & Van Ditmar, die nu eindelijk eens wat aan hem verdiende, na jaren van relatieve armoede.
Bordewijk-biograaf Reinold Vugs verklaart het snelle succes van Karakter uit de tijdsomstandigheden: 'Het hoogtepunt van de crisis in de jaren dertig lag slechts twee jaar voor het verschijnen van Karakter. De ellende lag nog vers in het geheugen en wat was er aanlokkelijker dan te lezen over een jongen die zichzelf bijna dood moest vechten om een goede maatschappelijke positie te kunnen veroveren?’ Lezers die net een zware tijd achter de rug hadden, zouden zich graag hebben geïdentificeerd met Katadreuffe en zijn eenzame strijd.
Een andere verklaring vindt Vugs in het feit dat Bordewijk in 1938 plotseling een grote naamsbekendheid kreeg. Hij schreef samen met Marie Koenen en Marianne Philips het Boekenweekgeschenk (in een oplage van maar liefst 39.000 exemplaren), dat ook nog eens omstreden was wegens enkele godslaterlijke frasen. In 1938 werd Bordewijk dus een echte schrijver. Niet alleen in maatschappelijke maar vooral ook in literaire zin. Karakter is een turning point in zijn oeuvre. Vaak verweet de kritiek de auteur 'hardheid’ en 'gevoelloosheid’, wat hij dankte aan de grimmigheid van zijn eerste boeken. Zijn faam als 'zwavelig’ auteur dankte hij aan Blokken, Knorrende beesten en Bint, de trits boeken die in eerste instantie doen denken aan de schilderijen van Jeroen Bosch, door hun verbeelding van menselijke gedrochten en wanstaltige, beestachtige creaturen. In die boeken hanteert Bordewijk een vlijmscherpe, gehoekte stijl waarmee hij in een paar zinnen een onontkoombaar portret neerzet van een mens, of eigenlijk van een type mens, want het zijn eerder karikaturen dan volwaardige mensen die de pagina’s van die boeken bevolken.
In zijn boekje Over F. Bordewijk gaat Pierre H. Dubois in op die 'vroege’ Bordewijk en interpreteert die eigenaardigheid als een symptoom van een uiterst curieuze en persoonlijke verbeelding, een visie. Bordewijk, noteert Dubois, kan 'zijn personages, zijn landschappen en stadsgezichten juist zo zien omdat hij zelf zo diep doordrongen is van het feit dat alle dingen zo volmaakt anders zijn dan ze lijken, ook en vooral de mensen.’
Bordewijks werk vindt zijn oorsprong in de geheimzinnigheid, lachwekkendheid en verontrustendheid in het verkeer tussen de mensen en in ons bestaan op deze aarde. De zin van het werk moet daarin worden gezocht dat het 'de authentieke, persoonlijke expressie is van een gevoel van on-eigenheid, van ontworteld zijn (…), een gevoel ook van verwondering daarover, en in vele gevallen vooral een gevoel van angst en ontsteltenis.’
Bint werd gevolgd door Rood paleis, een roman over de ondergang van een bordeel en het failliet van een tijdperk. De overgang van de vorige eeuw naar de roerige huidige vormt de achtergrond van de roman. Bordewijk geeft nadrukkelijk de 'tijdgeest’ een plek in zijn verhaal en beschrijft het verschil tussen de oude en de nieuwe tijd pijnlijk scherp. Door de technologische en industriële ontwikkelingen aan het begin van de twintigste eeuw, door kortom het ontstaan van de moderne tijd, werd niet alleen de samenleving opnieuw geordend - waarbij de arbeidersklasse ontstond - maar werd ook een nieuw soort mens geboren, de moderne mens. En die laatste, die vormt de spil van Karakter: Jacob Katadreuffe als de man gezegend met een onuitputtelijke zucht naar (wetenschappelijke) kennis, vervloekt met een existentiële twijfel aan alles, en doordrongen van het besef dat de wereld en de mens definitief onkenbaar zijn. ('Als ik spreek van een tafel dan bedoel ik wat anders dan wanneer “zij” spreekt van een tafel. Wanneer je het goed beschouwt dan praten alle mensen langs elkaar heen.’)
Als personage had Katadreuffe wellicht kunnen passen in het werk van Woolf of de jonge Joyce. Als een Stephen Dedalus van de Lage Landen tracht hij zich staande te houden in een wereld die in hoog tempo verder fragmenteert, en probeert hij, door zijn eigen wetten te volgen (en die wegen te bewandelen die hij op zijn mentale stadsplattegrond heeft aangestreept), een solide persoonlijkheid te bouwen uit dat 'mengelmoes dat met een ijzeren consequentie zich wilde groeperen tot een geheel’.
Rood paleis zette Simon Vestdijk aan tot de woorden: 'Toch mag men zeggen, dat Bordewijk zijn origineelen “verticalen” stijl, dien laatsten chroomijzeren uitlooper van '80, onverzwakt handhaaft, en het kan zeker geen kwaad bij een groei van het onderwerp de stijlschroef wat minder vast aan te draaien.’
EN 'GROEI’ ZOU er komen. Groei niet alleen van het onderwerp, maar eveneens van de taal, het vertellen, het literaire, de romaneske zeggingskracht. Na Rood paleis groeide Bordewijk door naar Karakter, en zijn personages ontwikkelden zich met hem mee. Ze werden van marionetten tot mensen, van karikaturen tot karakters. Die ontwikkeling wordt gepersonifieerd door Jacob Willem Katadreuffe, die in zijn queeste naar volwassenheid, naar man- en mens-worden, noodzakelijkerwijs met zijn vader in gevecht dient te treden. Ook in die zin kan hij zich meten met andere modernistische helden uit de wereldliteratuur, die hun persoonlijkheid moesten bevechten op hun vader.
Het hoekige, harde en grimmige van Bint is uit Karakter verdwenen. De roman ademt een humane, bijna humanistische geest. In plaats van spottende prenten te schilderen van sujetten als Ten Hompel, Schattenkeinder en Heiligenleven, dringt Bordewijk door tot in de diepste diepten van de psyche van zijn personages, en doet dat af en toe zelfs met sympathie, lijkt het. Natuurlijk is hij zijn fenomenale talent om mensen in een paar woorden te karakteriseren niet kwijtgeraakt - 'Hij was groot en breedgeschouderd, slordig gekleed, hij gaf om zijn uiterlijk niets. Maar zijn kop had het ook niet nodig, zijn kop deed het alleen wel, breed en grauw, met weinige, lange harde snorharen wit wegsprietend als de snorren der katachtigen, de ogen van beril altijd klein, als bij een roofdier geknepen, de stem met een zacht, ver en toch machtig gegrom’ - maar dat is slechts een tussenfase, een noodzakelijke halte op weg naar het hogere belang: de psychologie van al diegenen die in de roman rondhuppelen.
Ook daarom is Karakter bij uitstek geschikt voor verzeping: het is een roman die in de eerste plaats over mensen handelt. Dat lijkt logisch, maar in dit geval is er meer aan de hand. Voor een schrijver die zijn personages altijd zo beschreef dat ze stilaan hun menselijkheid verloren en tot zuivere karikaturen verwerden, is Karakter totaal anders. Hier wordt de grens van het karikaturale nooit overschreden: mensen blijven mensen, zogezegd.
Advocaat De Gankelaar lijkt in dezen een afspiegeling van de auteur. Hij is het die keer op keer benadrukt dat het middelpunt van niet alleen het recht maar ook de wereld, de mens is. Bordewijk, zelf zijn leven lang advocaat, legt De Gankelaar herhaaldelijk humanistische ideeën in de mond:
'Advocaat wil zeggen actie en reactie, een grote mond opzetten over alles, en toch dicht zijn als een brandkast. Maar ik ben maar met één belangstelling geboren: de mens. (…) Wat is een mens? Ik weet het niet, maar die kerel interesseert me. Niet jij of ikzelf, maar die knul, de mens. Wat betekent dat? Als ik jou zie of Stroomkoning of mezelf of juffrouw Kalvelage, dan zijn daar vier objecten die het spraakgebruik mensen noemt. Maar waarom, waarom godsterwereld?… Ik zie vier objecten die in niets, maar dan ook in niets overeenkomen. Ik zie aan een ieder duizend facetten en al die facetten zijn anders, ik zie vierduizend verschillen.’
Katadreuffe, zelf nog mens-in-wording, beseft dan dat het waarlijk menselijke ligt in de mogelijkheid tot groeien. 'Hij zag de formidabele betekenis in van veel weten. Veel weten was enorm uitgroeien, was duizenden facetten vertonen.’
Dat is de roman Karakter in het klein. 'Uitgroeien’, 'facetten vertonen’ - mens worden, derhalve, een persoonlijkheid ontwikkelen, karakter krijgen. Karakter bevechten zelfs, bevechten op de omstandigheden, de anderen, de wereld - en de vader. Je vader. De grote vijand. De beste vriend. Als in Vrienden voor het leven.