Vandaar dat ik besloot mijn verlangen naar intermenselijk contact tot mijn buurt te beperken. Ook dat bleek te hoog gegrepen. Ik werd een drietal keer in elkaar geslagen, hetgeen niet direct mijn bedoeling was. Ik gaf mij gewonnen en nam genoegen met de kleinschaligheid van mijn straat.
Maandagmorgen, precies om negen uur, belde ik aan op nummer een, eerste etage. ‘Wie is daar?’ sprak de intercom. ‘Ik ben uw straatgenoot van nummer zesendertig, derde etage’, zei ik. ‘Ik wou me graag even aan u voorstellen.’ ‘Maar wat wenst u dan?’ ‘Zoals ik net zei: Ik wil me graag aan u voorstellen.’ ‘Sorry meneer, ik koop niet aan de deur.’
Teneergeslagen belde ik aan bij mijn benedenburen. Ook hier kwam ik niet verder dan de voordeur. Men voelde er ook niks voor om even bij mij binnen te wippen. ‘Vat u dat niet persoonlijk op’, zei de buurvrouw, terwijl haar man haar van de deur afsleurde, ‘wij zijn gesteld op onze privacy.’
Nu zit ik thuis en werk aan een contactadvertentie. ‘Gezonde 40-er, beslist geen ouweh., goede luisteraar, zoekt via deze hem onsymph. weg een huis of str. waar de mensen elk. nog kennen.’
Vandaag ontving ik de eerste reactie. Die luidde: ‘Wat dacht je van Pompeii, ouwe zeur?’