Hoofdcommentaar: Onderwijs

Onderwijs, onderwijs, onderwijs

Komend schooljaar gaat in Rotterdam de derde privé-school voor mavo, havo en vwo in ons land van start. Anders dan de meeste andere privé-scholen zal het Maas Lyceum de leerlingen geen gecomprimeerde eindexamencursus van een jaar bieden, maar een volledige opleiding vanaf de brugklas. Het schoolgeld bedraagt elfduizend euro per leerling per jaar. De oprichter, onderwijskundige Bert Offerman, verwacht daarom met niet meer dan dertig leerlingen te beginnen. Maar hij verwacht ook een flinke groei in de naaste toekomst: «Er is enorme onvrede met het reguliere onderwijs. Het onderwijs is ingericht op het gemiddelde kind. En de meeste kinderen zijn niet gemiddeld.»

Een ondernemende onderwijskundige als Offerman weet waar Abraham de mosterd haalt. Vraag een gemiddelde ouder of hij zijn eigen kind gemiddeld vindt en het antwoord is uiteraard ontkennend. Of het nu klopt of niet, veel ouders hebben het gevoel dat de bijzondere aanleg en geaardheid van hun kind in het reguliere onderwijs niet tot hun recht komen. De scholen en klassen zijn te groot, de begeleiding schiet tekort en het meest onrustbarend van al is misschien nog wel de lesuitval. Zij die het kunnen betalen sturen hun kroost liever naar een privé-school dan te vertrouwen op de volgende ronde van dubieuze onderwijskundige vernieuwingen. De etnische segregatie in het basisonderwijs dreigt nu te worden versterkt door een sociale segregatie van het middelbaar en universitair onderwijs, een tweedeling naar inkomensniveau waardoor het ideaal van algemeen onderwijs nog verder onder druk komt te staan.

Hoe is het zover gekomen? In het voortgezet onderwijs zijn de afgelopen twaalf jaar tal van veranderingen en vernieuwingen in gang gezet: basisvorming, schaalvergroting, de brede school, studieprofielen, studiehuizen, nieuwe leerwegen en een nieuwe zorgstructuur. Ze veroorzaakten veel creatieve en destructieve onrust en vooral heel veel verwarring. Het hedendaagse onderwijs biedt zelfs voor experts, docenten en schoolbestuurders een chaotische aanblik, om maar te zwijgen van ouders en andere relatieve buitenstaanders die ondanks alle mooie verhalen over hun participatie maar hebben te slikken wat «Zoetermeer» oplegt en verlangt. Het enige machtsmiddel waarover ze beschikken, is de vrije schoolkeuze. Dat middel hanteren ze tegenwoordig met een aan wraaklust grenzende ijver, zodat de geringste neerwaartse trend op een school of schooltype onmiddellijk wordt afgestraft met een totale kaalslag. Zo is het openbaar onderwijs voor mavo, havo en vwo in Utrecht binnen enkele jaren de nek omgedraaid omdat ouders vonden dat de betreffende scholen te «zwart» werden — wat ze vervolgens inderdaad werden.

Je kunt ouders de liefde voor hun kind niet kwalijk nemen, maar de politici die het zover hebben laten komen, zijn veel te lang vrijuit gegaan. In een pas verschenen studie naar het effect van tien jaar onderwijskundige vernieuwing, Voortgezet onderwijs in de jaren negentig, laat het Sociaal en Cultureel Planbureau weinig heel van alle goede bedoelingen van de opeenvolgende ministers en staatssecretarissen van Onderwijs, merendeels van PvdA-huize. Hun voornaamste doelstelling, de verbetering van de positie van kinderen uit kansarme milieus, is niet gehaald. Het resultaat op dat gebied is te verwaarlozen. Het ergste is dat dit tegenvallende resultaat hun niet werkelijk schijnt te deren, aangezien ze op papier (dat wil zeggen bestuurlijk en onderwijstheoretisch) hun zaakjes voor elkaar hebben. SCP-directeur Paul Schnabel schreef ter verduidelijking in Het Financieele Dagblad dat de ambities van de onderwijsvernieuwers vaak heel ver verwijderd zijn van de alledaagse praktijk: «Door onderhandelingen, amenderingen en compromissen veranderen plannen die niet altijd realistisch of gemakkelijk te realiseren zijn, maar die op zich wel helder zijn, langzaam maar zeker in uiterst ingewikkelde en vaak intern tegenstrijdige papieren monsters.»

Daarbij komt dat de vernieuwingen die wél effect hebben gesorteerd (zoals de invoering van brede brugklassen om de definitieve schoolkeuze een jaar uit te stellen) door het uitvallen van lessen weer in het gedrang komen. De Inspectie waarschuwde onlangs nog eens dat een nieuwe daling van het aantal leraren en onderwijzers in het verschiet ligt. In het licht van deze gegevens is het ronduit verbijsterend dat het onderwijs niet veel hoger op de verkiezingsagenda staat. De laatste enclave van de Verlichting ligt onder vuur en Den Haag reageert even lauw en bureaucratisch als bij de inname van Srebrenica. Voorzover de lijsttrekkers in hun debatten en campagnes aandacht aan het onderwijs besteden, gaat het over geld en schoolgrootte. Wat de omvang van scholen betreft: deze speelt voor veruit de meeste ouders, leerlingen en docenten een ondergeschikte rol. Hedendaagse middelbare scholen tellen weliswaar rond de dertienhonderd leerlingen, maar die krijgen les in kleinere eenheden en vertrouwde gebouwen waar nog eenzelfde sfeer van sociale cohesie heerst als voorheen.

En wat het geld betreft: de ene partij wil een nog groter deel van het nationaal inkomen aan onderwijs besteden dan de ander, terwijl in het geheel niet duidelijk is waar die middelen terechtkomen en welk doel de verhoogde bestedingen dienen. Politici verwarren onderwijsbeleid met inkomenspolitiek, en intussen voltrekt zich voor onze ogen een onderwijskundige ramp. Als er al meer geld naar de scholen moet gaan, dan liefst in een weloverwogen, gestructureerde vorm. Wat Nederland nodig heeft is een Deltaplan voor het onderwijs, een plan dat pas wordt opgesteld na een parlementaire enquête naar het falen van tien jaar onderwijshervorming.