Opheffer

Onderwijskunde

Dertig jaar geleden was de taalkunde de wetenschap waarin iets gebeurde. We konden, middels Chomsky, goed doordringen in de taal en wellicht zou dat iets verklaren over de grammatica van de geest.

Je hoort weinig meer over taalkunde.

Je hebt regelmatig modieuze wetenschappen gehad. In de jaren vijftig was de psychologie populair, in de jaren tachtig kwam de biologie opzetten, daarna was er voortdurend nieuws over onze genen; tegenwoordig genereert het hersenonderzoek het meeste nieuws.

Hier tussendoor glipte de onderwijskunde. Ik vraag her en der wel eens of men iets weet over onderwijskunde. ‘O je bedoelt pedagogiek?’ ‘Nee, onderwijskunde. De kunst van het lesgeven.’

Onderwijskunde zou een belangrijke wetenschap kunnen zijn. Hoe leer je het best? Is het misschien beter om kinderen een blinddoek om te doen, zodat ze beter luisteren, of moet je juist lesgeven via de het computerscherm en de Ipod? Moet je misschien de vervoegingen in het Latijn leren via de liedjes van Justin Timberlake of dien je eenvoudigweg te stampen? Ik weet nog wel meer vragen: hoe hou je orde in de klas, wat is de ideale klassengrootte, van wie nemen leerlingen sneller iets aan: jonge leraren of oude, mannen of vrouwen? Ik noem maar wat.

Onderwijskunde echter heeft nooit iets opgeleverd. Het is dan ook eigenlijk geen wetenschap. Het valt voor een deel onder de pedagogiek, voor een ander deel onder de psychologie en voor weer een ander deel onder de sociologie. (Faculteiten waarvan je je trouwens ook kunt afvragen in hoeverre ze wetenschappelijk zijn.)

Maar het grootste bezwaar is wel dat onderwijskunde alleen maar schijn is. We weten wel hoe we goed les moeten geven: zet een goede onderwijzer voor de klas en er is niets aan de hand. Zet een slechte onderwijzer voor de klas en je weet hoe het niet moet. Hoe die goede onderwijzer goed wordt, heeft alles te maken met talent en persoonlijkheid.

Het onderwijzerschap is dan ook eerder een artistiek dan een wetenschappelijk beroep. Een goede onderwijzer is een popster of een kunstschilder, een schrijver desnoods, maar geen professor of wetenschappelijk medewerker.

Toch heeft die zogenaamde onderwijskunde gezorgd voor de totale neergang in het onderwijs. Dat kinderen opeens zelf mochten uitmaken wat ze wilden leren, dat de motivatie uit henzelf moest komen, middenschool, studiehuis: het komt allemaal voort uit de onderwijskunde die een theorie aanziet voor wetenschap. ‘Het montessorionderwijs’, roepen ze dan. Ze vergeten dan dat dat onderwijs, precies in tegenstelling tot voor wie het oorspronkelijk was bedoeld, vooral goed werkt voor kinderen uit de betere milieus die van thuis al veel meekrijgen.

Het onderwijs bevindt zich momenteel op een dieptepunt. Onderwijzers hebben totaal geen status. Ze verdienen ook weinig. De vraag is of je die status opkrikt door ze meer te laten verdienen. Ik denk het wel, maar ik vind dat je dan ook veel hogere eisen mag stellen. Ouders hebben trouwens ook te veel invloed op school gekregen.

Onlangs verscheen er een boekje over hoe je in de klas orde moet houden. Ik weet niet wat erin stond, maar ik weet wel dat leerlingen die de orde verstoren niet in de klas moeten zitten. Die pupillen moeten verwijderd worden. En als die kinderen dan op straat gaan pieren en drugs gaan gebruiken, dan is dat jammer, dan moet je ze oppakken en in het gevang zetten. Je kunt ook denken aan speciaal onderwijs of iets dergelijks, maar het kan niet zo zijn – zoals het nu is – dat TACHTIG procent van de onderwijzers en leraren ordeproblemen heeft. Vooral in de grote steden.

Hoe geef je goed onderwijs?

Het antwoord is eigenlijk simpel: door het veel te doen. Je kunt wel enige theorie leren – veel zelfs – maar net zoals je goed leert gitaar spelen door veel te spelen, moet je om goed onderwijs te geven praktijkervaring opdoen. Je moet van het vak houden, het moet levensvervullend zijn, dan komt alles uiteindelijk goed. En dan moet je als onderwijzer of leraar, zoals het hoort, voor de klas staan en vertellen en uitleggen en verduidelijken. Zoals de Grieken al deden. En de leerlingen moeten oefenen, oefenen en oefenen.

Het onderwijs moet een kunst worden.