Ondieren

De hedendaagse gentechnologie nodigt uit tot een orgie van kunstzinnige verbeelding, dubbele bodems en cultuurkritiek. Maar de verbeelding haalt het niet bij de wetenschap zelf
HET IS DAT de opening vergezeld ging van een paneldiscussie tussen wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam onder leiding van collegevoorzitter Jan Karel Gevers, maar verder vermocht de tentoonstelling Hybrids in De Appel (nog tot en met 18 augustus) de genodigden nauwelijks te boeien. De meesten liepen met een afwezige blik langs de kale witte wanden, die hier en daar werden onderbroken door een video-opstelling of fotocollage, en verdrongen elkaar al spoedig op het openluchtterras aan de achterzijde teneinde de consumptiebonnen om te zetten in bier en witte wijn.

Aan het thema lag het niet. Het gegeven van de hybride in al zijn mythologische en wetenschappelijke gestalten - van centaur tot transgeen konijn - nodigt uit tot een regelrechte orgie van kunstzinnige verbeelding, dubbele bodems en cultuurkritiek. Waar de wetenschapper zichzelf tot schepper verheft, heeft de scheppend kunstenaar de beelden bij wijze van spreken voor het oprapen. De Amerikaanse biologe Donna Haraway maakte alweer jaren geleden geleden furore in feministische kring met haar opruiende pamflet A Cyborg Manifesto, waarin zij het afscheid van het gebrekkige lichaam aankondigde. Als de door technologie geinspireerde verbeeldingskracht op het lichaam wordt losgelaten, is alles mogelijk, stelde Haraway: alle traditionele tweedelingen - tussen man en vrouw, blank en zwart, mens en dier - kunnen ongestraft worden doorbroken. Het lichaam wordt eindelijk echt een verlengstuk van de geest.
Er is natuurlijk geen enkele reden waarom de beeldende kunst bij de essayistiek zou moeten achterblijven. De vergelijking tussen gemanipuleerde natuur en gemanipuleerde beelden vormt een uitdaging op zichzelf. Er is echter een valkuil: de verleiding om aan te sluiten bij de visuele rijkdom van het moderne wetenschapsbedrijf kan ten koste gaan van de autonomie van de kunstenaar. Het resultaat is een zekere gemakzucht: waar de wetenschap leidt, volgt de kunst. Zoals het persbericht bij Hybrids terecht stelt: ‘Beelden die voortkomen uit nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen zijn vaak absurder dan de wildste fantasie.’ Vooralsnog is het de wetenschap zelf die de meest fascinerende beelden levert in de vorm van genetische vingerafdrukken, transgene dieren of afzichtelijke transplantaten. Het wandelende oor van Jeroen Bosch is onlangs werkelijkheid geworden in de vorm van een muis met een geimplanteerd menselijk oor op zijn rug.
Maar schijn en wezen liggen in de wetenschap verder uit elkaar dan zulke beelden doen vermoeden. Het zijn de morele en emotionele dilemma’s van de genetische modificatie - enerzijds de angst voor ontsporing of misbruik, anderzijds de hoop op grensverleggende therapieen of het opheffen van lichamelijke beperkingen - die pas echt een beroep doen op het voorstellingsvermogen en dus op de beeldende kunst. Wat dat betreft blijft het gebodene in De Appel echter ver achter bij de belofte. De enige uitzondering daarop vormt een tweetal collagefoto’s van Danielle Kwaaitaal, die zichzelf omschrijft als 'beeld-engineer’. Zij combineert scherpe en onscherpe opnamen van haar eigen lichaam tot surrealistische lichaamslandschappen. De twee tentoongestelde collages zijn erotiserende afbeeldingen die haast ongemerkt een loopje nemen met de anatomie. Dank zij de geavanceerde cumputertechniek die zij hanteert, sluiten de afzonderlijke delen van de collages met digitale perfectie op elkaar aan. Het resultaat is een permanente vervreemding waardoor je blik lange tijd gevangen wordt gehouden. Het achterliggende dilemma is dan ook reeel: wanneer houdt een mens op mens te zijn, en waar gaat de herkenning over in weerzin?
Het lijkt wel of de overige deelnemende kunstenaars dit dilemma juist ontvluchten door het parafraseren van de overbekende wetenschappelijke beelden. De trage videofilm In Search of Perfection van de Rotterdammer Q.S. Serafijn, waarin het fokken van angorakonijnen wordt gevolgd, lijkt wel een eindexamenprojekt van een cursus video-editing. De dia’s van het Franse duo Art Oriente Objet, dat kweekjes van de eigen huid nam en van tatoeages voorzag, blijven letterlijk beperkt tot de oppervlakte van het lichaam. De 'diercollages’ van Thomas Grunfeld - anatomische monstertjes die zijn samengesteld uit vertrouwde huis- en boerderijdieren - zijn eerder lachwekkend dan fascinerend of beangstigend. Ze spreken niet tot de moderne, door wetenschappelijke voorlichting gestuurde verbeelding, om de eenvoudige reden dat ze niet functioneel zijn. De tegenwoordige toeschouwer heeft voldoende elementaire kennis van de anatomie om te weten dat een konijn niet opeens een carnivoor wordt als het een paar slagtanden krijgt opgeplakt.
Deze misser valt pas echt op als je Grunfelds werk vergelijkt met zijn voornaamste historische precedent. In de vorige eeuw werden in Japan vergelijkbare anatomische monsters, misemono geheten, op kermissen en festivals tentoongesteld en bij de ingang van tempels verkocht. Het Leidse Rijksmuseum voor Volkenkunde beschikt over een aantal fraaie misemono en stelde daaruit in 1986 de tentoonstelling Griezelen in Japan samen. De bijzondere fascinatie van de Japanners voor hun ningyo (half aap/half vis), oni (duivels) en andere fabeldieren was te danken aan het feit dat ze aansloten bij de mythologie. Ze waren als het ware ingebed in de populaire verbeelding, aldus de conservator Japanse kunst dr. M. Forrer: 'Een mooi voorbeeld is de kappa, een fabeldier met een geschubd lichaam en de kop van een kikker. In die kop zat een holte met water erin, waaraan hij zijn kracht ontleende. De kappa gold als een agressief maar zeer wellevend heerschap. Als hij je aanviel, moest je hem beleefd groeten door omstandig voor hem te buigen. Zo dwong je hem om jouw buigingen net zolang te beantwoorden tot alle water uit zijn kop was gelopen en hij zijn kracht had verloren. Men geloofde ook echt dat zulke dieren bestonden. In Japanse kranteberichten van rond de eeuwwisseling wordt nog melding gemaakt van de vondst van een kappa tijdens het droogleggen van een vijver.’
DE 'PRODUKTEN’ van de hedendaagse gentechnologie appelleren nu juist niet aan mythologische of allegorische voorstellingen. Ze ontsnappen aan elke symbolische interpretatie omdat ze volstrekt functioneel zijn. Als ze al uiterlijke kenmerken van genetische modificatie vertonen, zijn die kenmerken voor de wetenschapper meestal bijzaak. De gentechnologie berooft het dier juist van zijn eigenheid en reduceert het tot een ding door het ondergeschikt te maken aan een (genetisch gemanipuleerde) lichaamsfunctie, doorgaans ten behoeve van de medicijnproduktie. De beste illustratie hiervan levert de cause cele`bre van de moderne biotechniek: de transgene stier Herman van het Leidse bedrijf Pharming, die speciaal werd 'ontworpen’ om koeien te verwekken wier melk het menselijke eiwit lactoferrine bevatte.
De lotgevallen van Herman waren dermate spraakmakend dat hij inmiddels een eigen, zeer leesbare biografie heeft gekregen. In Herman: de biografie van een genetisch gemanipuleerde stier (1995) tonen Karel Glastra van Loon en Karin Kuiper aan dat het dier voor de betrokken wetenschappers, ambtenaren en managers nooit meer is geweest dan een zielloos ding, een verhandelbaar produkt.
Herman werd geboren uit de eicel van een slachtkoe, wier eierstokken na de slacht door een dierenarts waren verwijderd en geprepareerd, en een zaadcel die langs kunstmatige weg van een fokstier was verkregen. Na de reageerbuisbevruchting - waarbij het menselijk gen werd geinjecteerd - werd de vrucht geimplanteerd in de baarmoeder van een draagkoe. Bij de geboorte werd Herman onmiddellijk bij haar weggehaald, onderzocht, geoormerkt en vervolgens gestald in een box waarin hij amper kon bewegen. Afgezien van een paar 'beurten’ op een kunstkoe en de sporadische bezoekjes van cameraploegen, waarvoor hij even in de wei wordt losgelaten, staat Herman nu al vijf jaar in volstrekte afzondering in zijn box: dik, kreupel en buitengewoon knorrig voor zijn leeftijd. Binnenkort zal hij waarschijnlijk tezamen met zijn voltallige nakomelingschap worden geslacht en vernietigd, tenzij het ministerie van Landbouw een 'gratieverzoek’ van Pharming honoreert.
Het feit dat het experiment met Herman zoveel commotie veroorzaakte en een jarenlange campagne van dierenbeschermers en milieuactivisten tegen Pharming uitlokte, hoewel de stier zelf geen enkele uiterlijke afwijking vertoont, stemt tot nadenken. De wereld wordt inmiddels bevolkt door transgene baterien, schimmels, muizen, ratten, konijnen, geiten en schapen. Veel genetische proefdieren - met name laboratoriumdieren - lijden ondraaglijk en sterven vroegtijdig. Het lijden van Herman daarentegen is niet te wijten aan de implantatie van een vreemd gen, maar enkel aan de praktijk van de hedendaagse bio-industrie. Dat steekt zelfs gunstig af bij het lot van kistkalveren, mestvarkens of legkippen. Wie de drijfveren van de felle voor- en tegenstanders van de gentechnologie wil doorgronden, betrede het terrein van de metafysica.
VOLGENS DE FILOSOOF Hans Achterhuis is de hedendaagse technologie de inzet van een nieuwe godsdienstoorlog. In commerciele en wetenschappelijke kringen overheerst een soort heilsverwachting van de wetenschap, die de paradijselijke beloften van de vertrouwde godsdiensten vervangt en een wereldwijde verlossing van honger, ziekte en gebrek in het vooruitzicht stelt. Bij de doorsnee burger overheerst daarentegen de angst voor manipulatie, misbruik en catastrofale ontsporingen. 'Voor de hedendaagse westerse mens verschijnen de ruiters van de apocalyps niet meer als dood, hongersnood en pest. Ze hebben een technologische gedaante aangenomen’, schreef hij vorig jaar in Trouw: 'Sinds de tweede wereldoorlog hebben we minstens drie aan de technologie verbonden profetieen van de ondergang van de wereld gekend. De eerste was de atoombom, de tweede het aan het milieuprobleem verbonden doemdenken, terwijl tegenwoordig aan de ontwikkelingen van de biotechnologie apocalyptische scenario’s worden gekoppeld. Niet meer de natuur, maar de techniek wordt als de grote bedreiging ervaren.’
Dit doemdenken leidt tot de meest bizarre misverstanden, niet in de laatste plaats in atheistische kringen. De liberale Teldersstichting publiceerde twee jaar geleden het rapport Gentechnologie, een liberale visie, geschreven door Dik Dees, Erika Terpstra en Gerry van der List. Het bevat een fraai voorbeeld van een existentiele angst die bij geen enkele ontwikkeling in de moderne wetenschap steun vindt: de angst voor de dubbelganger. De auteurs stellen voor om het kloneren van individuen te verbieden omdat in de liberale visie ieder mens uniek is.
Deze redenering berust op een dubbel misverstand. Ten eerste zijn identieke individuen evengoed afzonderlijke individuen, ze zijn niet overbodig en hebben recht op erkenning als ieder ander - of wil de VVD soms de geboorte van eeneiige tweelingen verbieden omdat ze een identiek genenpakket hebben? Ten tweede verkeren de liberalen kennelijk in de waan dat individuen met identieke genen tot identieke individuen opgroeien. Ira Levins The Boys from Brazil heeft kennelijk meer indruk op hen gemaakt dan de beschikbare wetenschappelijke literatuur, want niets is minder waar. De omgevingscomponent - van voeding tot opvoeding - is en blijft van grote betekenis. 'Stel dat Hans Wiegel zich zou laten kloneren’, schreef de microbioloog Huub Schellekens in een reactie op het VVD-rapport: 'Als die kloon in een goede omgeving wordt grootgebracht, kan daar best een bescheiden sociaal-democraat uit groeien.’
Achterhuis’ stelling is des te aannemelijker omdat de angst voor het technologische millennium zich voornamelijk beperkt tot het geseculariseerde Westen. Veel ontwikkelingslanden, die als gevolg van overbevolking en bodemuitputting met een tekort aan landbouwgronden kampen, beschouwen de genetische manipulatie van landbouwgewassen en -dieren als een uitkomst. In de Volksrepubliek China bijvoorbeeld wordt op grote schaal geexperimenteerd met genetisch verbeterde gewassen. De leider van de Chinese projecten, prof. Chen Zhangliang, heeft al 35.000 hectaren aangeplant zonder zich veel te bekommeren om de risico’s. Op een internationale conferentie over landbouwexperimenten in Californie dreef hij openlijk de spot met de westerse experts: 'De industrielanden hebben al meer dan duizend veldexperimenten met genetisch veranderde gewassen uitgevoerd en daarbij steeds nauwkeurig het risico berekend. Vertelt u het maar: hebt u iets gevonden?’ Toen zijn opponenten het antwoord schuldig bleven, reageerde Chen schamper: 'Niets gevonden - en toch wilt u dat wij ook zulke berekeningen gaan uitvoeren?’ Volgens de Amerikaanse deskundige Alvin Young beschouwen de experts uit ontwikkelingslanden de gentechnologie als een nieuw foefje, 'zoiets als een nieuw soort traktor.’
Zulke nuchterheid is in het Westen vaak ver te zoeken. Als de tentoonstelling in De Appel iets duidelijk maakt, is het dat het voorstellingsvermogen van veel kunstenaars voorlopig niet verder reikt dan de door de wetenschap aangereikte beelden, in combinatie met voorwetenschappelijke angsten en fantasieen.