Ondode filmlijken

De dood heeft in de film nooit veel kans gehad. De meest grondig vernietigde monsters en kwade tegenstanders bleken in vervolgfilms altijd weer tot leven gewekt te kunnen worden. Moord en doodslag is bijna synoniem aan film, maar de lijken blijven verdacht vitaal. Het doorzeven met kogels van een mens is in film zo gewoon en daardoor vervelend dat een nieuwe generatie actiefilmers bij de Aziatische martial arts films de kunst van de overdrijving afkeken voor bloediger effecten. Het bloed spuit nu als fonteinen uit lichamen en de hersenen spatten als action paintings op alle wanden, maar geen mens die gelooft dat hier de dood aan het werk is.

De zogenaamde nouvelle violence toont eigenlijk niet eens meer dood en verderf, maar brengt het grove geweld vooral op een uiterst laconieke manier. De dader kijkt het slachtoffer misprijzend in de ogen en heeft dan altijd nog een spitsvondige en geestige one liner voordat de scene wordt afgesloten. De lijken zijn onecht en beroeren daardoor de kijker niet. Het kijkplezier zit in de kunst van het doden.
De ‘ondood’ van filmlijken werd mij dit jaar extra duidelijk bij het zien van Der Weg nach Eden van Robert-Adrian Pejo. Pejo is een jonge Hongaarse filmmaker, die in Roemenie werd geboren en woont en werkt in Wenen. Met Oostenrijks geld maakte hij in Boedapest een uitzonderlijke documentaire over een lijkensnijder. De snijder is Janos Keseru - een ambachtsman, geen wetenschapper. Hij kreeg geen opleiding tot patholoog-anatoom, maar leerde het handwerk - snijden, zagen, boren - van zijn vader. Keseru werkt in een ziekenhuis waar veel oude, terminale patienten worden verpleegd. De wet schrijft in Hongarije voor dat van elke overleden patient nauwkeurig de doodsoorzaak moet worden vastgesteld. Daartoe dienen alle lijken nauwkeurig te worden ontleed, geen lichaamsdeel blijft ononderzocht. Er is zodoende elke dag werk aan de winkel. Pejo kijkt Keseru op zijn vingers en volgt zijn verrichtingen stap voor stap. Het vakmanschap van Keseru is vooral indrukwekkend als hij demonstreert hoe hij de aan mootjes gehakte kadavers weer reconstrueert tot een compleet lijk dat tijdens het begrafenisritueel fraai kan worden opgebaard. Pejo filmt nuchter en zonder ooit weg te kijken als de aflegger zelf. Hyperrealistisch en absolute horror.
De nuchtere benadering van Pejo leverde beelden op die je nooit ziet. Toen ik de film voor het eerst zag in de montageruimte van Pejo, was hij nog maar half af. Ik hield me groot. Ik was samen met iemand die wel onder zijn stoel durfde te kruipen. Horror, maar dan echt. Pejo’s vasthoudende blik leverde onthutsende beelden op, maar zijn benadering is vrij van sensatie of exploitatie. Hij ziet de dood recht in de ogen en dat maakt zijn film integer en feitelijk sereen. Zijn blik is zakelijk en didactisch, als bij historische schilderijen van anatomische lessen. De beelden van deze les in lijken-kijken zijn soms heftiger dan in menige splatter movie. Niets is in de hedendaagse cinema gewoner dan een lijk, maar Pejo laat zien dat zo'n gewoon lijk - een echt lijk - toch iets anders is. Zijn film gaat in de eerste plaats over de nabijheid van de dood, maar demonstreert tevens de afwezigheid van de dood, en daarmee het leven, in de cinema. In al zijn concreetheid, in zijn letterlijke aandacht voor het stoffelijke, is de film een wijze beschouwing over stilstand en eindigheid in een tijd die in het teken staat van snelheid en toekomst.
De film draaide in Rotterdam. Een toegewijd publiek trok zich niets aan van de waarschuwing dat je voor deze film een sterke maag moest hebben en dat het een documentaire als een horrorfilm was. Als vanzelf vond de film zijn publiek, dat ervoor zorgde dat hij verbazingwekkend hoog eindigde in de publieksenquete van het festival. Hoger dan menige onderhoudende en behaaglijke speelfilm. Het is prettig dat de filmlijken buiten de film verder leven, maar soms moet je even stilstaan bij het echte leven - en daarmee de dood.